P. 1
Subsidiewegwijzer2003

Subsidiewegwijzer2003

|Views: 289|Likes:
Published by api-3774378

More info:

Published by: api-3774378 on Oct 16, 2008
Copyright:Attribution Non-commercial

Availability:

Read on Scribd mobile: iPhone, iPad and Android.
download as PDF, TXT or read online from Scribd
See more
See less

03/18/2014

pdf

text

original

SUBSIDIEWEGWIJZER VOOR ONDERNEMINGEN

Samenstelling: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Administratie Economie Afdeling Europa Economie Euro Info Centre Telefoon: 02/553.38.77 02/553.37.02 02/553.37.33 Fax: 02/502.47.02 E-mail: euro.infocentrum@ewbl.vlaanderen.be Website: http://www.vlaanderen.be/subsidiewegwijzer Verantwoordelijke uitgever: Alfons Maes, wnd. secretaris-generaal Druk: Uitgave: juni 2003 Depotnummer: D/2003/3241/115  2003. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap - Euro Info Centre.

Subsidiewegwijzer 2003

1

Deel I : STEUN BIJ INVESTERINGEN
1. INVESTERINGSSUBSIDIES EN FISCALE VOORDELEN IN TOEPASSING VAN DE ECONOMISCHE EXPANSIEWETTEN

6
6

1.1 KLEINE ONDERNEMINGEN 6 1.1.1 ADVIESCHEQUES 6 1.1.2 EXPANSIESTEUN - RICHTLIJNEN VL7.4 8 1.2 MIDDELGROTE EN GROTE ONDERNEMINGEN 13 1.2.1 ZACHTE STEUN - WET VAN 30 DECEMBER 1970 en DECREET VAN 15 DECEMBER 1993 – MGB3.4 13 1.2.2 EXPANSIESTEUN - ECONOMISCHE EXPANSIEWET VAN 30 DECEMBER 1970 MGB3.4 16 1.2.3 EXPANSIESTEUN - ECONOMISCH EXPANSIEDECREET VAN 15 DECEMBER 1993 – MGB3.4 23

2.

INVESTERINGSMAATSCHAPPIJ VOOR VLAANDEREN (GIMV)
2.1 BUY-INS/OUTS en GROEIKAPITAAL 2.2 VENTURE CAPITAL 2.2.1 LIFE SCIENCES 2.2.2 INFORMATION & COMMUNICATION TECHNOLOGY 2.3 BIOTECH FONDS VLAANDEREN

28
28 30 30 31 33

3.
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7

PARTICIPATIEFONDS
INSTAPLENING OVERDRACHTLENING PROGRESSLENING STARTLENING EN PLAN ROSETTA VOOR ZELFSTANDIGEN SOLIDAIRE LENING BUSINESS ANGEL+ 50+

34
34 35 35 37 38 39 41

4.
4.1 4.2

WAARBORGFONDS
WAARBORGEN VAN BEROEPSKREDIETEN WAARBORGEN VAN RISICOKAPITAAL

42
42 44

DEEL II: FISCALE STEUN
1. 2. 3. 4. INVESTERINGSAFTREK COORDINATIECENTRA DISTRIBUTIECENTRA DIENSTENCENTRA

48
48 49 51 53 55

5. VRIJSTELLING VOOR BIJKOMEND PERSONEEL VOOR WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK EN UITVOER

6. VRIJSTELLING VOOR BIJKOMEND PERSONEEL VOOR ONDERNEMINGEN MET MINDER DAN 11 WERKNEMERS EN VOOR VRIJE BEROEPEN 57

DEEL III : STEUN BIJ AANWERVINGEN
1. PARAFISCALE MAATREGELEN

59
59

1.1 ACTIVAPLAN (BEVORDERING VAN DE TEWERKSTELLING VAN LANGDURIG WERKZOEKENDEN) 59 1.2 STRUCTURELE VERMINDERING 61 1.3 BEVORDERING VAN DE TEWERKSTELLING IN DE NON-PROFITSECTOR (SOCIALE MARIBEL) 63 1.4 VERMINDERING VAN DE WERKNEMERSBIJDRAGEN VOOR WERKNEMERS MET LAGE LONEN 64

Subsidiewegwijzer 2003

2

1.5 AANWERVING VAN SOMMIGE CATEGORIEEN JONGEREN (ALTERNEREND WERKEN EN LEREN) 66 1.6 AANWERVING VAN EEN EERSTE, TWEEDE EN DERDE WERKNEMER (PLUSEEN-TWEE-DRIE-PLAN) 67 1.7 VERMINDERING VAN DE WERKGEVERSBIJDRAGEN VOOR HALFTIJDS BRUGPENSIOEN 70 1.8 VERMINDERING VAN DE WERKGEVERSBIJDRAGEN VOOR ARBEIDSDUURVERMINDERING TOT 38 UREN PER WEEK 72 1.9 VERMINDERING VAN DE WERKGEVERSBIJDRAGEN VOOR ARBEIDSDUURVERMINDERING ONDER DE 38 UREN PER WEEK 73 1.10 VERMINDERING VAN DE WERKGEVERSBIJDRAGEN VOOR VIERDAGENWEEK (2002) 76

2.

FINANCIELE MAATREGELEN

77

2.1 STARTBANEN 78 2.2 AANWERVING VAN EX-STARTBANEN 80 2.3 AANMOEDIGINGSPREMIES IN DE PRIVE-SECTOR 81 2.3.1 OPLEIDINGSKREDIET 81 2.3.2 ZORGKREDIET 81 2.3.3 STEUN AAN WERKNEMERS VAN ONDERNEMINGEN IN MOEILIJKHEDEN OF IN HERSTRUCTURERING 82 2.3.4 SUPPLETIEVE REGELING 82 2.4 TEGEMOETKOMING BIJ DE AANWERVING VAN PERSONEN MET EEN HANDICAP 83 2.5 INSCHAKELINGSPREMIE 84

DEEL IV : STEUN BIJ OPLEIDINGEN
1. VLAAMSE DIENST VOOR ARBEIDSBEMIDDELING EN BEROEPSOPLEIDING (VDAB)

86
86

1.1 COLLECTIEVE OPLEIDINGEN IN EIGEN BEHEER OF IN SAMENWERKING MET DERDEN 86 1.2 OPLEIDING IN EEN ERKEND CENTRUM 87 1.3 INDIVIDUELE BEROEPSOPLEIDING IN DE ONDERNEMING 88 1.4 INDIVIDUELE BEROEPSOPLEIDING IN EEN ONDERWIJSINRICHTING 90

2. 3.

OVEREENKOMSTEN WERK-OPLEIDING SECTORALE VORMINGSPREMIES

91 92

4. PROJECTEN TER STIMULERING VAN DE EVENREDIGE ARBEIDSDEELNAME EN DIVERSITEIT IN ONDERNEMINGEN (DIVERSITEITSPLANNEN, INSTROOMPROJECTEN, JOBROTATIESPROJECT, …) 93 5. VLAAMS INSTITUUT VOOR HET ZELFSTANDIG ONDERNEMEN (VIZO) 95
5.1 VORMING 5.1.1 VIZO - LEERTIJD 5.1.2 VIZO - ONDERNEMERSOPLEIDING 5.1.3 VIZO - VOORTGEZETTE VORMING 5.2 VORMGEVING 5.3 EIGEN BEDRIJFSADVISEURS 5.4 MATRIX-ADVIESNETWERK VOOR ONDERNEMERS 95 95 96 97 98 98 99

6. 7. 8.

BEDRIJFSOPLEIDING VOOR PERSONEN MET EEN HANDICAP PETERSCHAPSPROJECTEN OPLEIDINGSCHEQUES

100 102 103

DEEL V : STEUN VOOR ONDERZOEK EN ONTWIKKELING

106

Subsidiewegwijzer 2003

3

1.
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7

INSTITUUT VOOR DE AANMOEDIGING VAN INNOVATIE DOOR

106 106

WETENSCHAP EN TECHNOLOGIE IN VLAANDEREN (IWT-Vlaanderen)

O&O-PROJECTEN VAN BEDRIJVEN – ALGEMEEN 106 KMO-PROGRAMMA 107 EUREKA 110 VLAAMSE INNOVATIESAMENWERKINGSVERBANDEN 111 ONDERZOEKS- EN ONTWIKKELINGSPROGRAMMA'S VAN DE EUROPESE UNIE 113 STRATEGISCH BASISONDERZOEK (SBO) 115 HOBU-FONDS 116

2.

VLAAMSE INSTELLING VOOR TECHNOLOGISCH ONDERZOEK (VITO) 118

DEEL VI: STEUN BIJ EXPORT
1. EXPORT VLAANDEREN

120
120

1.1 FINANCIELE TUSSENKOMSTEN VAN EXPORTGERICHTE INITIATIEVEN – KLEINE EN MIDDELGROTE ONDERNEMINGEN 120

2. 3.

FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE BUITENLANDSE HANDEL

121

NATIONALE DELCREDEREDIENST - EXPORTKREDIETVERZEKERING 122

4. FINEXPO – COMITE VOOR DE FINANCIELE ONDERSTEUNING VAN DE EXPORT 124
4.1 4.2 4.3 4.4 STABILISERING VAN DE RENTEVOET INTRESTBONIFICATIES INTRESTBONIFICATIE MET AANVULLENDE GIFT LENINGEN VAN STAAT TOT STAAT 124 126 127 128

5. MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP - TER BESCHIKKING STELLEN VAN VLAAMSE UITRUSTINGSGOEDEREN 129 6.
6.1 6.2 6.3

JAPAN EN DE EUROPESE UNIE - EXPROM
GATEWAY TO JAPAN EXECUTIVE TRAINING PROGRAMME AD-HOC PROGRAMMA'S

130
131 131 131

DEEL VII : EUROPESE STEUN
1. DE STRUCTUURFONDSEN

133
133

1.1 EUROPEES FONDS VOOR REGIONALE ONTWIKKELING (EFRO) 134 1.1.1 COMMUNAUTAIRE INITIATIEVEN 135 1.1.1.1 INTERREG III 135 1.1.1.2 URBAN II 140 1.1.1.3 INTERACT 141 1.2 EUROPEES SOCIAAL FONDS (ESF) 142 1.3 EUROPEES ORIENTATIE- EN GARANTIEFONDS VOOR DE LANDBOUW (EOGFL) - AFDELING GARANTIE EN ORIENTATIE 145 1.4 FINANCIERINGSINSTRUMENT VOOR DE ORIENTATIE VAN DE VISSERIJ (FIOV) 146

2.
2.1 2.2

EUROPESE INVESTERINGSBANK (EIB)
INDIVIDUELE KREDIETEN GLOBALE KREDIETEN

147
147 149

3.

EUROPEES INVESTERINGSFONDS (EIF)
3.1 DE ETF-STARTERSREGELING 3.2 MKB-GARANTIEFACILITEIT (2001-2005) 3.3 STARTKAPITAALACTIE (2001-2005)

150
151 152 153

Subsidiewegwijzer 2003

4

4.

CENTRUM VOOR DE ONTWIKKELING VAN ONDERNEMINGEN (COO) 155
4.1 SAMENWERKING MET DE ACS-LANDEN 155 4.2 PROINVEST: EEN PROGRAMMA VOOR DE PROMOTIE VAN INVESTERINGEN IN DE ACS-LANDEN 156

5. OVERIGE INITIATIEVEN TER BEVORDERING VAN INTERNATIONALE SAMENWERKING 157
5.1 5.2 AL-INVEST ASIA-INVEST 157 158

6.

LIFE III-PROGRAMMA

160

7 . MEDIA PLUS-PROGRAMMA (Mesures pour Encourager le Developpement de l'Industrie Audiovisuelle) 162

DEEL VIII : SAMENWERKING MET CENTRAAL- EN OOST-EUROPA

164

1 . SAMENWERKINGSPROGRAMMA VLAANDEREN MET CENTRAAL- EN OOST-EUROPA 164 2. 3. 4. PHARE- PROGRAMMA TACIS-PROGRAMMA TEMPUS (Phare & Tacis & Meda) 166 169 171

Subsidiewegwijzer 2003

5

Deel I : STEUN BIJ INVESTERINGEN 1. INVESTERINGSSUBSIDIES EN FISCALE VOORDELEN IN TOEPASSING VAN DE ECONOMISCHE EXPANSIEWETTEN 1.1 KLEINE ONDERNEMINGEN 1.1.1 ADVIESCHEQUES Inhoud steunmaatregel Met het systeem van de adviescheques wil de Vlaamse overheid kwaliteitsvol bedrijfsadvies bij kleine en middelgrote ondernemingen stimuleren. De adviescheque is een subsidiemaatregel die ondernemingen de mogelijkheid geeft om externe knowhow aan te trekken aan een verminderde prijs. Het nieuwe systeem is vergelijkbaar met de opleidingscheques: ondernemingen kunnen via een eenvoudige procedure op het internet adviescheques inkopen wanneer ze er behoefte aan hebben. Adviescheques hebben een waarde van 30 euro. Daarvan wordt 50% betaald door de onderneming en 50% door de Vlaamse overheid. Een onderneming mag per kalenderjaar maximaal 820 adviescheques reserveren. Begunstigden Kleine en middelgrote ondernemingen, alsook een groot aantal vrije beroepen komen in aanmerking voor de maatregel. Voorwaarden zijn dat de onderneming geen vzw is, een exploitatiezetel heeft in het Vlaams Gewest en dat het adviesproject betrekking heeft op een aanvaardbare activiteit. KMO’s en vrije beroepen die beroep doen op adviescheques, engageren zich om Verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen en eventuele latere wijzigingen van deze verordening na te leven. Projecten Uitgesloten werkzaamheden Overeenkomstig artikel 5 van bovenvermelde verordening kan enkel aan kleine en middelgrote ondernemingen steun gegeven worden voor bedrijfsadvies. Grote ondernemingen komen niet in aanmerking. De verordening is niet van toepassing op: werkzaamheden die verband houden met de productie, verwerking of verhandeling van de als bijlage 1 bij het verdrag opgenomen producten. Hierdoor kan een groot deel van de bedrijven die actief zijn in de voedingssector geen aanspraak maken op adviescheques; steun voor werkzaamheden die verband houden met de uitvoer, waaronder verstaan wordt de steun die direct is gerelateerd aan de uitgevoerde hoeveelheden, de oprichting en exploitatie van een distributienet of andere lopende uitgaven in verband met werkzaamheden op het gebied van de uitvoer; steun die samenhangt met het gebruik van binnenlandse in plaats van ingevoerde producten. Welke kosten mag u met adviescheques betalen ? U mag deze subsidie enkel gebruiken om een beroep te doen op een erkende adviesinstantie voor: bedrijfsadvies; haalbaarheidsstudies; uitvoerbaarheidsstudies; dossierbeheer of begeleiding bij implementatie. Opgelet De diensten mogen niet: van permanente of periodieke aard zijn; tot de gewone bedrijfsuitgaven van de onderneming behoren (bijvoorbeeld routinematig belastingsadvies, regelmatige dienstverlening op juridisch vlak of reclame); slaan op subsidieadvies.

Subsidiewegwijzer 2003

6

Technische analyses die geen deel uitmaken van een ruimer adviesproject, komen ook niet in aanmerking. Diversen Erkenning adviesinstanties De Raad van Advies en Consultancy erkent de adviesinstanties voor het systeem van de Vlaamse adviescheques. Twee soorten instanties komen voor zo'n erkenning in aanmerking: Private adviesinstanties Enkel private adviesinstanties die een kwaliteitscertificaat hebben dat de kwaliteit van de dienstverlening inzake advisering garandeert, kunnen een erkenning krijgen. Dit certificaat moet een Q*for- of een ISOcertificaat zijn, maar de Raad kan naderhand ook andere certificaten of erkenningen aanvaarden. De geldigheidsduur van het certificaat bepaalt de duur van de erkenning en gaat in vanaf de goedkeuring van het voorgelegde certificaat door de Raad van Advies en Consultancy. Bij het indienen van de aanvraag moet de adviesinstantie de deontologische code voor het systeem van de Vlaamse adviescheques ondertekenen. Om zich te laten erkennen als adviesinstantie, moet een adviesbureau daartoe een aanvraag doen via de website. Adviesinstanties met adviseurs erkend door het VIZO Naast de private adviesinstanties worden ook externe bedrijfsadviseurs die erkend zijn door het VIZO automatisch erkend in de regelgeving van de adviescheques voor een overgangsperiode van drie jaar. Hieraan zijn de volgende voorwaarden verbonden: de adviesinstantie waartoe ze behoren doet een aanvraag tot erkenning bij de Raad van Advies en Consultancy; de erkenning blijft beperkt tot het domein of subdomein waarvoor ze initieel door het VIZO werden erkend; enkel adviezen door adviseurs die erkend zijn door het VIZO, kunnen met adviescheques worden betaald; de adviesinstantie ondertekent de deontologische code. Indien de adviesinstantie ook na de periode van drie jaar erkend wil blijven, moet ze een certificaat voorleggen voordat de termijn van drie jaar verstreken is. Aanvraagprocedure Het project “Adviescheques” is een e-government maatregel. Reserveren en bestellen van adviescheques kan enkel via het internet op: http://www.vlaanderen.be/adviescheques. Vooraleer een onderneming cheques kan reserveren, moet ze zich registreren via haar BTW- of RSZnummer. Indien de onderneming niet BTW- of RSZ-plichtig is, meldt ze zich aan via naam en adres. Haar gegevens worden opgezocht in de centrale databank. Vervolgens genereert de applicatie een login en een paswoord voor de onderneming. Die worden per brief opgestuurd naar de maatschappelijke zetel van de onderneming. Voor een buitenlandse onderneming wordt de brief naar het contactadres in België gestuurd. Adviescheques reserveren De onderneming sluit een overeenkomst af met een erkende adviesinstantie. Uiterlijk binnen 14 dagen na ondertekening van die overeenkomst kunnen er adviescheques gereserveerd worden. De verstrekking van het advies mag pas starten na de reservering van de cheques. Het maximum aantal te reserveren cheques hangt af van de totaalprijs van het advies exclusief BTW. De advieskosten exclusief BTW moeten ten minste 300 euro bedragen. Na verificatie van de voorwaarden wijst het systeem de onderneming een reserveringsnummer toe. Dat nummer wordt zowel aan de aanvrager als aan de adviesinstantie meegedeeld. De adviesinstantie bevestigt binnen 10 dagen de reservering. Als dat niet het geval is, wordt de reservering geannuleerd. Na het akkoord van de adviesinstantie krijgt de onderneming een bericht per e-mail. Op dat moment wordt de reservering definitief en kunnen er cheques besteld

Subsidiewegwijzer 2003

7

worden. De reservering heeft een geldigheidsduur van twaalf maanden vanaf de datum van aanvraag van de reservering. Adviescheques bestellen en betalen De onderneming moet per bestelling minstens 10 cheques aanvragen binnen de geldigheidsduur van de reservering. De gereserveerde cheques kunnen maximaal in vier keer besteld en aangekocht worden. Elke bestelling moet binnen 14 kalenderdagen op rekening van de uitgever van de cheques staan. Zoniet vervalt de bestelling. Binnen 14 kalenderdagen na de betaling drukt die uitgever of 'emittent' uw cheques. Hij drukt ze op naam van uw onderneming en van de adviesinstantie conform de overeenkomst, met vermelding van de vervaldatum en het reserveringsnummer. De datum die op de cheques wordt gedrukt, is de datum van bestelling. De adviescheques hebben een geldigheidsduur van 14 maanden vanaf uitgifte voor de betaling van facturen in verband met het adviesproject. Voorschotfacturen of facturen waartegenover geen geleverde prestaties staan, kunnen niet betaald worden met adviescheques.

Bijkomende inlichtingen Voor vragen of problemen kan men contact opnemen met de Vlaamse overheid via e-mail: adviescheques@vlaanderen.be via de Vlaamse Infolijn op 0800/30201 via de post: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Cel Adviescheques Afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid Markiesstraat 1 1000 Brussel

1.1.2 EXPANSIESTEUN - RICHTLIJNEN VL7.4 Inhoud steunmaatregel Kleine ondernemingen die beroepsinvesteringen uitvoeren in het Vlaamse Gewest kunnen in het kader van de economische expansiewetgeving (wet van 4 augustus 1978 - richtlijnen VL7.4) in aanmerking komen voor steun in de vorm van een rentetoelage en/of kapitaalpremie, en onder bepaalde voorwaarden voor het fiscaal voordeel van de vrijstelling onroerende voorheffing. Rentesubsidie Tegemoetkoming in de rente van de termijnkredieten en financieringen met een minimumduur van drie jaar die de ondernemingen aangaan bij een erkende kredietinstelling of een andere financiële instelling die wordt gecontroleerd door de Commissie voor Bank- en Financiewezen voor het financieren van de investeringen. De aanvraag moet ingediend worden door de kredietinstelling. Leasingpremie Tegemoetkoming in de rente op een leasingverrichting met een minimumduur van drie jaar die de ondernemingen bij een erkende leasingmaatschappij aangaan voor het financieren van de investeringen. Bij roerende leasing moet de leasinggever beschikken over de erkenning voor roerende leasing bepaald bij het koninklijk besluit nr. 55 van 10 november 1967. Bij onroerende leasing moet hij tot dezelfde groep behoren van een erkende kredietinstelling. De aanvraag moet ingediend worden door de leasingmaatschappij. Kapitaalpremie

Subsidiewegwijzer 2003

8

Subsidies voor investeringen gefinancierd met eigen middelen kunnen onder andere bestaan uit: inbreng van nieuw risicokapitaal, gereserveerde en ingehouden winsten, afschrijvingen, subsidies. De aanvraag kan door de onderneming zelf ingediend worden. Vrijstelling van de onroerende voorheffing Dit is een fiscaal voordeel dat toegekend wordt op die aanvaarde investeringen die onroerend zijn uit hun aard of door bestemming. Begunstigden Voor de berekening van de steun wordt een onderscheid gemaakt tussen twee groepen van begunstigden: Groep A - productieondernemingen; - logiesverstrekkende ondernemingen die voldoen aan de classificatievoorwaarden om een hotel, motel of pension te exploiteren; - bouwsector (afwerking inbegrepen); - ondernemingen die hoofdzakelijk wetenschappelijk onderzoek verrichten; - transport; - diensten; - alle ondernemingen die niet tot groep B behoren en niet zijn uitgesloten. Groep B - handel; - kampeerterreinen en vakantiedorpen. Opmerkingen: - de onderneming behoort tot de 2 groepen: de bestemming van de investeringen wordt nagegaan, toekenning van de subsidie op basis van de steun voorzien voor de vastgestelde groep; - bij een gemengde bestemming van de investering wordt de subsidie berekend in verhouding tot de groep waarvoor ze bestemd is; - de investering is bestemd voor een uitgesloten en een ontvankelijke sector: de ontvankelijke sector moet overwegend zijn (minstens 51%) en de subsidie wordt berekend op basis van dit percentage; - de investering is hoofdzakelijk bestemd voor de uitgesloten sector: geen subsidie. Na aftrek van 50% van het gemiddelde van de afschrijvingen van het vierde, derde en tweede boekjaar voorafgaand aan de registratie van de aanvraag, moet de aanvaardbare beroepsinvestering minimum 62.500 euro bedragen; voor starters: 22.000 euro. In geval van rentetoelage moeten de subsidiabele vreemde middelen per kredietbedrag of leasingcontract minimum 25.000 euro bedragen; voor starters: 10.000 euro. Voor ecologie-investeringen geldt een minimum subsidiebedrag van 2.500 euro voor bestaande ondernemingen en 1.500 euro voor starters, behalve voor de aankoop van nog niet verplichte Euromotoren bij transportondernemingen, waarvoor geen minimumbedrag geldt. Projecten Enkel de investeringen die voor rekening van de onderneming worden uitgevoerd en bestemd zijn voor de uitoefening van de beroepsactiviteit komen in aanmerking voor subsidie. De steun wordt alleen toegekend voor de oprichting, uitbreiding, modernisering of omschakeling van de onderneming. Ontvankelijke beroepsmatige investeringen: - gebouwen: . aankoop, inbreng tegen marktprijs, leasing, oprichting en verbouwing van gebouwen (huur is uitgesloten);

Subsidiewegwijzer 2003

9

-

-

bij aankoop van gebouwen moet steeds de volle eigendom aangekocht worden; noch de aankoop van alleen het vruchtgebruik noch die van alleen de naakte eigendom zijn aanvaardbaar; . bij inbreng van een gebouw in een vennootschap kan een kapitaalpremie worden toegekend, op voorwaarde dat vroeger geen steun werd toegekend voor de verwerving ervan en dat het gebouw niet voorheen al door de onderneming werd gebruikt; . enkel het gedeelte van de gebouwen dat uiterlijk 24 maanden na de aanvraag om steun voor beroepsdoeleinden wordt aangewend, komt in aanmerking voor subsidiëring. Na een gemotiveerde aanvraag kan deze termijn verlengd worden; nieuw materieel: . de investeringen in materieel mogen alleen de aankoopprijs omvatten; . tweedehandsmaterieel is slechts aanvaardbaar als het noodzakelijk is om ecologische doelstellingen te realiseren; personenvervoer; . autobussen die niet bestemd zijn voor openbaar vervoer en rollend materieel ten behoeve van een bedrijfsvervoersplan worden aanvaard; binnenscheepvaart. Deze materie wordt afzonderlijk geregeld in het Besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2002 betreffende de steun voor de binnenvaart. De ondersteuningsmaatregelen kaderen binnen de EU-verordeningen inzake sanering van de binnenvaartmarkt. immateriële investeringen: de subsidiabele immateriële investeringen zijn uitsluitend uitgaven die verband houden met technologieoverdracht door de verwerving van octrooien, exploitatielicenties of licenties inzake geoctrooieerde technische knowhow, of niet-geoctrooieerde technische knowhow; De immateriële investeringen: . mogen uitsluitend in de onderneming zelf geëxploiteerd worden; . worden beschouwd als afschrijfbare activa, die moeten opgenomen worden in de balans onder de rubriek activa; de investeringen mogen niet worden geboekt onder de bedrijfskosten; . worden van een derde verworven tegen marktvoorwaarden; . worden gedurende minstens 5 jaar behouden in de onderneming. Zijn uitgesloten: . studies; . werkingskosten, bijvoorbeeld de huur van gebouwen; het verbruik van water, gas en elektriciteit; onderhoudskosten; . de overname van de handelsnaam, klandizie en de goodwill. De immateriële investeringen worden afgeschreven overeenkomstig de fiscale wetgeving. Versnelde afschrijvingen zijn niet toegestaan. De immateriële investeringen die ook in aanmerking komen voor andere overheidssteun zijn geheel of gedeeltelijk uitgesloten van expansiesteun: indien de maximaal toegelaten steunintensiteit zou overschreden worden, wordt de expansiesteun evenredig verminderd.

.

Diversen Bedrag van de rentetoelage en/of kapitaalpremie Elke steunverlening is ondergeschikt aan de budgettaire mogelijkheden en aan de eventuele opmerkingen van de EU op het vlak van het concurrentiebeleid.

{PRIVATE}Criteria Groep Basissubsidie Bijkomende steun voor : - Strategisch belang - Herlokalisatie wegens dwingende milieuredenen - Herlokalisatie van zonevreemde bedrijven

Subsidie uitgedrukt in % t.o.v. het subsidiabele investeringsbedrag A 0 5 5 5 B 0 3 3 3

Subsidiewegwijzer 2003

10

-

Starter Inbreidingssteun Hinder door openbare werken Ecologie (*)

7 5 5 15/20

5 3 3 15/20

(*) Enkel op de ecologische meerkosten van die investeringen die specifiek gericht zijn op grondstoffenbesparing, energiebesparing of vermindering van milieubelastende effecten. Voor groep A bedraagt de totale subsidie maximaal 15% (inclusief Vrijstelling Onroerende Voorheffing - VOV), voor groep B maximaal 12% (inclusief VOV). De ecologiesteun bedraagt 15 of 20% forfaitair (exclusief VOV). Indien voor dezelfde investeringen de expansiesteun wordt gecumuleerd met andere overheidssteun (op Europees, federaal, Vlaams, provinciaal of gemeentelijk niveau), dan wordt de expansiesteun beperkt tot het Europees toegelaten steunplafond. Extra subsidie voor strategisch belang 5% extra subsidie voor groep A en 3% voor groep B, toe te kennen als aan één van de volgende voorwaarden voldaan is: - ondernemingen die zich een eerste maal op een KMO- of industriezone vestigen en enkel bij de aankoop of de oprichting van een bedrijfsgebouw. Nieuw materieel dat tezelfdertijd wordt aangekocht, krijgt ook extra steun; - realisatie van technologisch hoogstaande producten of procédés of innovatieve productieprocédés (in het Vlaamse Gewest weinig geproduceerd of toegepast); - ondernemingen die deel uitmaken van een erkende cluster (enkel die investeringen die aanwijsbaar verbonden zijn met de clusteroprichting of het clusterdoel); - een toename van de omzet met minstens 25% ten opzichte van de referentieperiode (het tweede boekjaar voor de registratiedatum van de aanvraag), bovendien moet voor ondernemingen met minder dan 20 werknemers het omzetcijfer met meer dan 250.000 euro stijgen, voor de overige ondernemingen moet het omzetcijfer met meer dan 625.000 euro stijgen; dit criterium geldt niet voor ondernemingen die starterssteun krijgen of steun voor verstoorde bereikbaarheid ingevolge openbare werken. Herlokalisatie vanwege dwingende milieuredenen 5% extra subsidie voor groep A en 3% voor groep B als een vergunningsplichtige onderneming zich moet herlokaliseren vanwege dwingende milieuredenen. Enkel gevestigde ondernemingen (nieuwe als ze de facto de voortzetting zijn van een te herlokaliseren ondernemingen) komen in aanmerking, waarvoor volgende criteria gelden: - een onderneming beschikt over een exploitatie- of milieuvergunning voor haar bestaande activiteiten en vraagt een nieuwe vergunning voor de uitbreiding of de wijziging van haar activiteiten, die wordt geweigerd; - een onderneming beschikt over een exploitatie- of milieuvergunning die eindigt binnen afzienbare tijd, een nieuwe vergunning zal wellicht geweigerd worden; - een onderneming beschikt over een exploitatie- of milieuvergunning, die niet alle activiteiten dekt of overgaat van meldings- naar vergunningsplichtige. Bij regulariseren door het aanvragen van een milieuvergunning voor deze activiteiten waarvoor geen vergunning werd verleend, wordt die geweigerd. De extra subsidie wordt niet toegekend wanneer in het verleden de milieureglementering niet werd nageleefd. Herlokalisatie van zonevreemde ondernemingen 5% extra subsidie voor groep A en 3% voor groep B, voor een zonevreemde onderneming die verhuist naar een industriezone. Extra subsidie voor starters 7% extra subsidie voor groep A en 5% voor groep B, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

Subsidiewegwijzer 2003

11

-

zich voor de eerste maal vestigen als zelfstandige, als nieuw opgerichte eenmanszaak, bvba, eenpersoons bvba; bij een bvba moeten minstens 50% + 1 van de aandelen vanaf de oprichting op naam zijn van natuurlijke personen, die ze ten minste vijf jaar vanaf de registratie van de aanvraag in hun bezit moeten houden; de starter(s) moet(en) eveneens vanaf de oprichting zaakvoerder zijn, de dagelijkse leiding van de onderneming waarnemen en onbeperkt bevoegd zijn voor het dagelijks bestuur; tevens moeten ze bij vestiging als zelfstandige in hoofdberoep of in bijberoep voldoen aan de wettelijke verplichtingen bij een Sociale Verzekeringskas voor Zelfstandigen of bij het Rijksinstituut voor Sociale Verzekering van Zelfstandigen.

Termijn waarbinnen deze extra steun kan verkregen worden: aanvragen ingediend tot 48 maanden na de inschrijving in het handelsregister of indien zulks niet vereist is, 48 maanden na aansluiting bij een Sociale Verzekeringskas voor Zelfstandigen of bij het Rijksinstituut voor Sociale Verzekering van Zelfstandigen. Subsidie voor ecologie-investeringen De ecologiesteun wordt berekend op de meerkosten van ecologisch waardevolle investeringen die gericht zijn op g{PRIVATE}rondstoffenbesparing, energiebesparing of de vermindering van de milieubelastende effecten. Komen in aanmerking: installaties en uitrustingen die tot doel hebben hetzij de milieuvervuiling of hinder te beperken of te beëindigen, hetzij de productiemethoden aan te passen. De steun bedraagt 15% om de onderneming aan te passen aan nieuwe Europese milieunormen. Deze steun is mogelijk gedurende een periode van 3 jaar te rekenen vanaf de goedkeuring van de nieuwe Europese milieunormen. De steun bedraagt 20% om een hoger beschermingsniveau te bereiken dan vereist is volgens de Europese milieunormen. Dit is het geval als: - de onderneming zich aanpast aan nationale of Vlaamse milieunormen die strenger zijn dan de Europese milieunormen die van toepassing zijn; - de onderneming zich aanpast aan nationale of Vlaamse milieunormen terwijl er geen Europese milieunormen van toepassing zijn; - er geen nationale, Vlaamse of Europese milieunormen van toepassing zijn. Op de aanvaarde ecologie-investeringen wordt een vrijstelling van de onroerende voorheffing gedurende 5 jaar toegekend. Steun voor verstoorde bereikbaarheid ten gevolge van hinder door openbare werken De investeringen uitgevoerd in een periode van verstoorde bereikbaarheid komen in aanmerking voor 5% steun in groep A en 3% in groep B, op voorwaarde dat de verstoorde bereikbaarheid van de onderneming ten gevolge van hinder door openbare werken gedurende minstens 3 aaneensluitende maanden wordt aangetoond door een attest van het gemeentebestuur. De gemiddelde omzet tijdens deze periode moet ook ten minste 25% lager liggen dan de gemiddelde omzet die de begunstigde in dezelfde lokalen heeft gehad tijdens een referentieperiode die bestaat uit de 3 overeenkomstige maanden van het jaar dat aan de aanvang van de werken voorafgaat. Extra subsidie in het kader van een stedelijk KO beleid (inbreidingssteun) 5% extra subsidie voor groep A en 3% voor groep B voor investeringen in een leegstaand pand of vervallen terrein van een stedelijk gebied waar eerder al een economische activiteit plaatsvond. Aanvraagprocedure De aanvraag om steun voor gewone investeringen moet op de afdeling ingediend zijn uiterlijk op de laatste dag van de twaalfde maand volgend op de maand waarin de reële investeringen zijn aangevat, voor leasingverrichtingen 12 maand na het sluiten van het leasingcontract. De aanvraag om steun voor ecologie-investeringen moet op de afdeling ingediend zijn vóór de start van de investeringen, zoniet wordt de aanvraag voor het volledige investeringsproject geweigerd.

Subsidiewegwijzer 2003

12

De minimumtermijn tussen twee aanvragen, waarvan de eerste werd goedgekeurd, moet minstens 12 maand bedragen (als datum van aanvraag geldt de eerste dag van de maand waarin het dossier op de afdeling werd ingediend). De investeringen moeten beëindigd zijn binnen 24 maanden die volgen op de datum van de aanvraag om steun. Bij uitzondering en mits een grondige verantwoording, kan van deze termijn worden afgeweken. Bovengenoemde steunmaatregelen moeten op de daartoe bestemde aanvraagformulieren worden ingediend bij: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid Markiesstraat 1 1000 Brussel Tel.: 02/553.35.11 Fax: 02/553.37.88 E-mail: economiesteun@vlaanderen.be

1.2 MIDDELGROTE EN GROTE ONDERNEMINGEN 1.2.1 ZACHTE STEUN - WET VAN 30 DECEMBER 1970 en DECREET VAN 15 DECEMBER 1993 – MGB3.4 Inhoud steunmaatregel Opleiding is van uitzonderlijk groot belang, willen de ondernemingen concurrentieel blijven. Opleiding is bovendien ook essentieel in ondernemingen die streven naar offensieve innovatie van de producten die ze op de markt brengen, of als ze met meer geavanceerde technieken willen gaan produceren. Voor het welslagen van vernieuwende initiatieven kan de onderneming er ook voor kiezen zich vooraf op bepaalde gebieden te laten adviseren of studies te laten uitvoeren. Een aantal krachtlijnen werden goedgekeurd om opleiding en zakelijke ondersteunende diensten zoals adviesverlening en het verrichten van studies te stimuleren. Begunstigden Overeenkomstig het Besluit van de Vlaamse regering houdende de richtlijnen betreffende de zachte steun voor advies-, opleidings- en studieprojecten van 14 december 2001 (Publicatie Belgisch Staatsblad 14 februari 2002), komen de volgende ondernemingen voor zachte steun in aanmerking in het kader van: de expansiewet van 30 december 1970 (ontwikkelingszones mits tewerkstellingsaangroei); het expansiedecreet van 15 december 1993 (voor zover de wet van 30 december 1970 niet van toepassing is). Middelgrote ondernemingen kunnen zachte steun verkrijgen voor projecten van opleiding, adviesverlening en studies. Grote ondernemingen kunnen alleen voor opleidingsprojecten zachte steun krijgen. Projecten van adviesverlening en studies zijn niet subsidiabel voor grote ondernemingen. De sectoren die expliciet van expansiesteun worden uitgesloten op basis van bovenvermelde wet en decreet, de uitvoeringsbesluiten en de richtlijnen, zijn uitgesloten van zachte steun. Het voornemen van het Vlaamse Gewest om voor een bepaald project zachte steun te verlenen in een van de volgende sectoren wordt vooraf ter goedkeuring aangemeld bij de Europese Commissie: synthetische vezels; automobielindustrie;

Subsidiewegwijzer 2003

13

scheepsbouw; vervoer; luchtvaart; bosbouw; visserij en aquicultuur; telecommunicatiebedrijven; ondernemingen waarvan het aandelenkapitaal rechtstreeks of onrechtstreeks voor meer dan 50% in handen is van de overheid; opiniepers; andere sectoren of subsectoren die zijn onderworpen aan bijzondere EU-regelingen. Projecten Projecten van individuele ondernemingen De zachte steun wordt toegekend voor projecten van adviesverlening, opleiding en studies die uitgevoerd worden door een externe instantie. Onder adviezen wordt verstaan: geschreven stukken die specifieke, waardevolle en toekomstgerichte raadgevingen inhouden. Zowel de opleiding van nieuwe werknemers als van werknemers die al langere tijd zijn aangeworven (arbeiders, bedienden en kaderpersoneel) komt in aanmerking. De opleiding mag in of buiten de onderneming plaatsvinden en in het binnen- of buitenland. Onder studies wordt verstaan: haalbaarheids- of uitvoerbaarheidsstudies betreffende investerings- of ontwikkelingsprojecten. De adviesverlening, de opleiding en de studies moeten voldoen aan de onderstaande voorwaarden: het moet gaan om uitzonderlijk waardevolle initiatieven die vooral traditionele sectoren ertoe stimuleren om vernieuwingsgerichte projecten op te zetten (zoals bijvoorbeeld callcenters) via adviesverlening, opleiding en studies; het moet gaan om initiatieven die sterk vernieuwend zijn binnen de onderneming en bij voorkeur ook binnen de sector; de initiatieven moeten leiden tot een verbetering van de concurrentiepositie en de prestaties van de onderneming; ze moeten uitgevoerd worden door een aan de onderneming externe instantie, het 'bureau' genoemd. Onder 'bureau' wordt verstaan: de rechtspersoon of de fysieke persoon die de adviesverlening, opleiding of studie uitvoert, zoals bijvoorbeeld een consultant, een laboratorium, enzovoort; ze moeten betrekking hebben op bijvoorbeeld de volgende gebieden: management, financiële aangelegenheden, nieuwe technologie, computer- en informatietechnologie, productiesystemen, ontwerp, design, kwaliteitscontrole, certificatieprocedures, keuringsmethoden, normen, bescherming of verwerving van intellectuele eigendomsrechten, vergunningen, bestrijding van de verontreiniging, milieubescherming, energiebehoud, marketing, marktinformatie, marktprospectie, marktonderzoek met het oog op diversificatie of investeringen, opleidingssystemen, algemene diagnostiek, controles van of onderzoeken naar het prestatievermogen, strategie, ontwikkeling en planning; zakelijke diensten die regelmatig of routinematig worden verricht en/of wettelijk verplicht zijn, worden niet aanvaard; ze moeten op commerciële grondslag en tegen vergoeding worden uitgevoerd; ze moeten een voldoende grote bedrijfseconomische impact hebben, zoals: de introductie van sterk vernieuwende technieken of technologieën; de heroriëntering van werknemers naar andere taken; de invulling van vacatures waarvoor moeilijk geschikte kandidaten kunnen gevonden worden. de uitvoeringstermijn van het project is: voor adviezen: maximum 1 jaar; voor studies: maximum 1 jaar; voor opleiding: maximum 3 jaar. elk project wordt op zijn verdiensten beoordeeld. Het is bijgevolg niet voldoende aan de gestelde voorwaarden te voldoen om automatisch recht op zachte steun te krijgen. Projecten in het kader van een samenwerkingsverband De ondernemingen kunnen de uitgaven doen in een duidelijk aantoonbaar samenwerkingsverband met andere ondernemingen of instellingen met het oog op:

Subsidiewegwijzer 2003

14

gemeenschappelijke diensten op het gebied van adviesverlening, opleiding en studies, en de oprichting van de organisatie die daarvoor nodig is, en/of de oprichting van centra op het gebied van adviesverlening, opleiding en studies, en voorzieningen om dergelijke diensten te verlenen. Voor het overige zijn de voorwaarden van de projecten van de individuele onderneming van toepassing. Diversen Uitgaven die in aanmerking komen De onderneming moet de uitgaven zelf dragen. Het ingediende projectbedrag, alle taksen en lasten inbegrepen, mag op jaarbasis maximum 625.000 euro bedragen. Om voor steun in aanmerking te komen, moet het totaal van de aanvaarde uitgaven: minimum 12.500 euro bedragen voor projecten van adviesverlening of studies; minimum 62.500 euro bedragen voor opleidingsprojecten. Indien voor dezelfde uitgaven van advies- of studieprojecten overheidssteun van verschillende oorsprong – op het niveau van de Europese Unie, de federale overheid, de Vlaamse overheid, de provinciale of gemeentelijke overheid - wordt gecumuleerd, dan wordt de zachte steun verminderd totdat de totale gecumuleerde steun niet meer bedraagt dan 50% bruto. Indien voor dezelfde uitgaven van het opleidingsproject overheidssteun van verschillende oorsprong - op het niveau van de Europese Unie, de federale overheid, de Vlaamse overheid, de provinciale of gemeentelijke overheid - wordt gecumuleerd, dan wordt de zachte steun verminderd totdat de totale gecumuleerde steun niet meer bedraagt dan de volgende steunintensiteiten: Middelgrote ondernemingen 40% bruto 35% bruto Grote ondernemingen 30% bruto 25% bruto

Wet van 30 december 1970 Decreet van 15 december 1993

Enkel de onderstaande uitgaven van de onderneming komen in aanmerking voor zachte steun, voorzover ze rechtstreeks betrekking hebben op het project (verschuivingen in de kostenrubrieken zijn niet toegestaan): de overeengekomen prijs met het bureau, beperkt tot de erelonen en de kleine reis- en verblijfskosten van de personeelsleden die verantwoordelijk zijn voor het project. De erelonen mogen bepaalde barema's, die jaarlijks kunnen worden aangepast aan de index van de kleinhandelsprijzen, niet overschrijden. Het bedrag van de meerkosten en overdreven uitgaven worden niet aanvaard; werkingsuitgaven: kleine reis- en verblijfsuitgaven; materieel, rekening houdend met de afschrijvingsduur en de bezettingsgraad. Uitgaven voor kennis of informatie waarop eigendomsrechten bestaan, alsook uitgaven met betrekking tot computersystemen, computerapparatuur en -programmatuur worden niet aanvaard; huur van gebouwen, lokalen of zalen van derden (naar rata van het exclusieve gebruik ervan voor het project). roerende investeringen die rechtstreeks met de opleiding, adviesverlening of studie zijn verbonden, voor zover ze niet van economische expansiesteun zijn uitgesloten. Er wordt rekening gehouden met de afschrijvingsduur en de bezettingsgraad. Enkel de aankoop en leasing komen in aanmerking. Grond en gebouwen zijn evenwel uitgesloten van zachte steun; voor opleidingsprojecten komen de personeelskosten van de deelnemers aan het opleidingsproject in aanmerking ten bedrage van maximum het totaal van de overige subsidiabele uitgaven. Steun De steun wordt toegekend op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen het Vlaamse Gewest enerzijds, en de begunstigde onderneming en het bureau anderzijds. Vooraf moeten de onderneming en het bureau met betrekking tot het project al een schriftelijke overeenkomst hebben gesloten die als bijlage gevoegd wordt bij de aanvraag om steun. De steun wordt toegekend in de vorm van een renteloze lening die maximum 50% van de aanvaarde uitgaven bedraagt.

Subsidiewegwijzer 2003

15

De renteloze lening wordt aan de onderneming uitbetaald binnen 60 dagen nadat de onderneming een schuldvordering heeft ingediend bij de afdeling economisch ondersteuningsbeleid. Dit gebeurt: nadat de overeenkomst met het Vlaamse Gewest is ondertekend en vastgelegd; nadat minstens 20% van de facturen voor de projectuitgaven die in de overeenkomst tussen het Vlaamse Gewest, de onderneming en het bureau zijn opgesomd, al betaald zijn. De renteloze lening wordt in één keer uitbetaald, op een afzonderlijk rekeningnummer dat op naam van de onderneming is geopend. In ieder geval wordt de lening slechts uitbetaald binnen de budgettaire mogelijkheden van het Vlaamse Gewest. De lening wordt terugbetaald in drie gelijke jaarlijkse aflossingen overeenkomstig het volgende aflossingsschema: de eerste schijf 5 jaar na uitbetaling van de lening; de tweede schijf 6 jaar na uitbetaling van de lening; het saldo 7 jaar na uitbetaling van de lening. Indien de onderneming de lening niet tijdig terugbetaalt, is ze van rechtswege wettelijke intresten verschuldigd vanaf de datum waarop de schijf uiterlijk moest zijn terugbetaald. Aanvraagprocedure De aanvragen om zachte steun worden ingediend door middel van een aanvraagformulier dat te verkrijgen is bij: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid Markiesstraat 1 1000 Brussel Tel. : 02/553.35.11 Fax : 02/553.37.88 E-mail: economiesteun@vlaanderen.be

1.2.2 EXPANSIESTEUN - ECONOMISCHE EXPANSIEWET VAN 30 DECEMBER 1970 - MGB3.4 Inhoud steunmaatregel De expansiewet van 30 december 1970 is van toepassing op middelgrote en grote ondernemingen die investeringen realiseren in een ontwikkelingszone van het Vlaamse Gewest. De investeringen moeten leiden tot een tewerkstellingsaangroei binnen de onderneming zonder dat die 'meertewerkstelling' de tewerkstelling in een andere zetel van de groep binnen het Vlaamse Gewest doet afnemen. Naar gelang van de financieringswijze zijn er twee vormen waarin de steun in de algemene regeling en de ecologiesteun wordt toegekend, namelijk: een rentesubsidie als de investeringen gefinancierd worden met een krediet of met leasing; een kapitaalpremie als de investeringen gefinancierd worden met eigen middelen. Alle financieringsvormen worden aanvaard, met uitzondering van: kredieten met één of meer van de volgende kenmerken: toegekend door een kredietinstelling of een andere financiële instelling die niet gecontroleerd wordt door de Commissie voor Bank- en Financiewezen; met een looptijd van minder dan 3 jaar. andere financieringsvormen die niet als eigen middelen kunnen worden beschouwd: leverancierskredieten met een looptijd van meer dan 3 jaar; leverancierskredieten die geen betrekking hebben op het voorgestelde investeringsproject; niet geconsolideerde voorschotten en/of kredieten van aandeelhouders en/of aanverwante maatschappijen of geconsolideerd voor een periode van minder dan 3 jaar. verrichtingen met een of meer van de volgende kenmerken:

Subsidiewegwijzer 2003

16

. leasing die niet voldoet aan één of meer van de volgende voorwaarden: het gaat om een financiële leasing. Contracten van financiële huur en contracten van operationele leasing zijn uitgesloten; de leasingnemer boekt de leasing in de balans van zijn jaarrekening onder de vaste activa; de leasingnemer past afschrijvingen toe; de looptijd van de leasing bedraagt minstens 5 jaar; gewone uitgaven (bv. onderhoudskosten, verzekeringskosten, …) zijn uitgesloten. roerende leasing, aangegaan bij een leasingonderneming die geen erkenning bezit; sale- en leasebackovereenkomsten (en sale- en rentbackovereenkomsten) voor tweedehandse investeringen of in geval van liquiditeitsproblemen; huur, huur met koopoptie, huurkoop, financiële huur, koop op afbetaling, verkoop met uitgestelde eigendomsoverdracht. permanente kaskredieten toegekend louter ten behoeve van het investeringsproject en die de financiële structuur van de onderneming kunnen ontwrichten. Begunstigden De expansiewet van 30 december 1970 is van toepassing op investeringen gerealiseerd door een middelgrote of grote onderneming in een ontwikkelingszone van het Vlaamse Gewest mits een tewerkstellingsaangroei wordt gerealiseerd. Uitgesloten sectoren zuivere overheids- en marktdominerende ondernemingen, in het bijzonder op het domein van de productie en distributie van energie en water; telecommunicatiebedrijven en ondernemingen waarvan het aandelenkapitaal rechtstreeks of onrechtstreeks voor meer dan 50% in handen is van de overheid, tenzij de Europese Commissie de voorgenomen steun in overeenstemming acht met het EG-Verdrag. Deze dossiers worden bijgevolg vooraf ter goedkeuring voorgelegd bij de Europese Commissie; franchising en traditionele groot- en kleinhandel (niet de distributiecentra of logistieke centra), warenhuizen, supermarkten en dienstverlenende ondernemingen louter ten behoeve van deze; banken, kredietinstellingen, verzekeringsinstellingen, expertisebureaus; professionele en interprofessionele organisaties; vrije beroepen en hun verenigingen; sport-, cultuur- en horecacentra, met uitzondering van verblijfs- en toeristisch-recreatieve investeringen en culturele of toeristische investeringen indien deze een bedrijfseconomische binding hebben; bejaardentehuizen en kinderopvangcentra; niet-industriële medische sector; openbare besturen en verenigingen van openbare besturen; landbouw, tuinbouw en veeteelt, ressorterend onder de steunregeling van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds. De vleessector (slachtingen en vleesverwerking) en de pluimveesector die niet voldoen aan de sanitaire IVK-normen; amusementsspelen, lunaparken, en soortgelijke sectoren; sectoren en subsectoren waarvoor bijzondere reglementeringen van de Europese Unie de uitsluiting bepalen of waarvoor geheel of gedeeltelijk andere steunmaatregelen gelden: ijzer- en staalindustrie; scheepsbouw; synthetische vezels; automobielindustrie; land- en bosbouw; tuinbouw, -proeftuinen en -centra; visserij en aquicultuur; vervoer; luchtvaart; kolenwinning; opiniepers; voor grote investeringsprojecten in de zin van de Europese multisectorale kaderregeling betreffende regionale steun voor grote investeringsprojecten (Publicatieblad van de EG van 19 maart 2002, nr. C70/8) gelden de in deze kaderregeling vermelde aanmeldingsdrempels.

Subsidiewegwijzer 2003

17

zuivere vastgoedactiviteit (koop, verkoop, verhuring, en andere, als statutair doel), tenzij het gaat om de patrimoniummaatschappij van een groep die enkel voor de eigen groep werkt; onderwijs; audiovisuele sector; eerste verwerking van landbouwproducten, van zodra het decreet Vlaams Investeringsfonds Agrosector in werking is getreden; ondernemingen die in hun productieproces een of meer zwarte lijststoffen als actieve stof (dit wil zeggen als grondstof, halffabrikaat, hulpstof of eindproduct) gebruiken; verenigingen zonder winstoogmerk. Projecten Alleen de subsidiabele investeringen komen voor steun in aanmerking; dit zijn de aanvaarde investeringen verminderd met de afschrijvingsaftrek. De volgende investeringen worden aanvaard (lasten en taksen uitgezonderd): aankoop (volle eigendom), leasing, inbreng tegen marktprijs, oprichting en verbouwing van gebouwen. De investeringen door een patrimoniumvennootschap, behorend tot de groep van de exploitatievennootschap, komen in aanmerking op voorwaarde dat de volgende voorwaarden zijn vervuld: de steun komt de exploitatievennootschap ten goede; elke rechtspersoon betrokken bij een financiering met vreemde middelen in het financieringscontract treedt op als medekredietnemer of borgsteller; de aanvraag wordt samen door de betrokken rechtspersonen ingediend; de patrimoniumvennootschap werkt alleen voor de eigen groep; de aangerekende vergoeding voldoet aan de normale marktvoorwaarden. aankoop (volle eigendom) en leasing van uitrusting; immateriële investeringen: Voor grote ondernemingen mogen de subsidiabele immateriële investeringen maximum 25% bedragen van de aanvaarde investeringen in gebouwen en uitrusting. Deze voorwaarde geldt niet voor middelgrote ondernemingen. De subsidiabele immateriële investeringen zijn uitsluitend uitgaven die verband houden met technologieoverdracht door de verwerving van octrooien, exploitatielicenties of licenties inzake geoctrooieerde technische knowhow, of niet-geoctrooieerde technische knowhow. De immateriële investeringen: mogen uitsluitend in de onderneming zelf geëxploiteerd worden; worden beschouwd als afschrijfbare activa. De onderneming moet de immateriële investeringen in haar jaarrekening boeken onder de activa van de balans. De investeringen mogen niet worden geboekt onder de bedrijfskosten; worden van een derde verworven tegen marktvoorwaarden; worden gedurende minstens 5 jaar behouden in de onderneming; worden afgeschreven overeenkomstig de fiscale wetgeving. Versnelde afschrijvingen zijn niet toegestaan. Zijn uitgesloten: studies; werkingskosten (bijvoorbeeld de huur van gebouwen), het verbruik van water, gas en elektriciteit, onderhoudskosten; de overname van de handelsnaam, klandizie en de goodwill. De immateriële investeringen die ook in aanmerking komen voor andere overheidssteun zijn geheel of gedeeltelijk uitgesloten van expansiesteun: indien de maximaal toegelaten steunintensiteit zou overschreden worden, wordt de expansiesteun evenredig verminderd. zachte uitgaven: opleiding, adviesverlening en studies.

Subsidiewegwijzer 2003

18

Indien voor dezelfde investeringen de expansiesteun wordt gecumuleerd met andere overheidssteun (op Europees, federaal, Vlaams, provinciaal of gemeentelijk niveau), dan wordt de expansiesteun beperkt tot het Europees toegelaten steunplafond. Ondernemingen die bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap een aanvraag indienen voor steun van het EFRO, het EOGFL of andere Europese steun, komen in aanmerking voor de door de Europese Unie vereiste minimum expansiesteun, nodig voor het verkrijgen van de Europese steun. De aanvraag wordt negatief beoordeeld als het subsidiabel investeringsbedrag of de totale steun lager is dan de volgende minimumbedragen: MINIMUM INVESTERINGSBEDRAG

{PRIVATE}Tewerkstelling (in personen) ≤ 50 51 tot 100 101 – 150 151 – 200 201 – 250 > 250

Minimum subsidiabele investeringen in EUR 62.500 125.000 250.000 375.000 500.000 625.000

MINIMUM STEUNBEDRAG

{PRIVATE}Tewerkstelling (in personen) ≤ 50 51 tot 100 101 – 150 151- 200 201 – 250 > 250

Minimum steunbedrag in EUR 2.500 7.500 15.000 22.500 30.000 37.500

De minima vermeld in de voorgaande twee tabellen gelden eveneens voor definitief besliste dossiers waarvan achteraf blijkt dat de werkelijk uitgevoerde investeringen of het steunbedrag lager uitvallen dan die minimumbedragen. Voor dergelijke dossiers wordt een negatieve beslissing getroffen, met terugvordering van de eventueel al uitbetaalde steun tot gevolg. Voor ecologiesteun geldt geen minimum subsidiabel investeringsbedrag. Voor het steunbedrag gelden dezelfde minimumbedragen. Diversen De steun wordt alleen toegekend voor de oprichting, uitbreiding, modernisering of omschakeling van de onderneming. De steun voor de modernisering of omschakeling van een onderneming wordt enkel verstrekt indien de gesubsidieerde investeringen gericht zijn op het starten van een nieuwe activiteit, dat wil zeggen op voorwaarde dat de investeringen leiden tot een fundamentele wijziging in het product of in het productieproces van de vestiging in kwestie. Vervangingsinvesteringen, alsook de toekenning van reddings- en herstructureringssteun zijn uitgesloten. Bovendien moeten de investeringen beantwoorden aan een of meer van de onderstaande doelstellingen: Subsidiewegwijzer 2003 19

de creatie van nieuwe duurzame arbeidsplaatsen; de versteviging van het Vlaams economisch weefsel door middel van clustervorming; de creatie van nieuwe of sterk verbeterde producten, productiemethoden of -procédés met het oog op de versteviging van de technologische basis; de oprichting van een eerste vestiging in het Vlaamse Gewest; het scheppen van nieuwe of de uitbreiding van bestaande toeleveringsactiviteiten in het Vlaamse Gewest; onderzoek en ontwikkeling; belangrijke toename van de toegevoegde waarde; kwaliteitsgerichtheid, sterke commercialisering en marketing, vorming en strategische managementvisie; de sanering en bestemming voor bedrijfsdoeleinden van vervallen terreinen of gebouwen. Bijkomende voorwaarden: de onderneming moet alle Vlarem-verplichtingen nagekomen zijn; er mogen geen achterstallen zijn inzake fiscale en sociale bijdragen, uitgezonderd wanneer een geldig bezwaarschrift wordt ingediend dat steunt op gegronde argumenten en betrekking heeft op bedragen die de verdere financiële leefbaarheid van de onderneming niet in het gedrang brengen; de financiële toestand van de onderneming moet gezond zijn. Dit wordt beoordeeld aan de hand van onder meer de volgende elementen: een voldoende eigen vermogen, een positief of gunstig evoluerend bedrijfskapitaal en positieve cashflow. Voor de berekening van de financiële steun wordt een onderscheid gemaakt tussen het algemeen steunregime, ecologiesteun en zachte steun. Algemeen steunregime Er wordt een basissteun van 2% toegekend voor een onderneming gevestigd in een ontwikkelingszone van categorie 1 (= maximum 21% bruto subsidie-equivalent). De basissteun kan worden verhoogd vanwege het strategisch belang van de investeringen. De basissteun kan met maximum 10% worden verhoogd om redenen van strategisch belang die de onderneming uitvoerig kan motiveren. Per aanvaarde reden van strategisch belang wordt 2% toegekend. De redenen van strategisch belang zijn : de oprichting of belangrijke uitbouw van een O&O-afdeling. De onderneming moet het bewijs leveren dat minimaal 25% van het aanvaarde investeringsbedrag betrekking heeft op deze afdeling en dat er minimaal 3 personeelsleden in deze afdeling zullen worden tewerkgesteld, door extra aanwerving, of door de overplaatsing uit een andere afdeling; de introductie van een voor het Vlaamse Gewest totaal nieuw productieprocédé; een toename van de omzet en/of de capaciteit met minstens 25% ten opzichte van de referentieperiode, zijnde het tweede boekjaar voorafgaand aan de registratiedatum. Deze toename moet bewezen worden uiterlijk het eerste boekjaar na de realisatie van de investeringen. Bovendien moet het omzetcijfer toenemen naar gelang van de tewerkstelling in de onderneming; Tewerkstelling (in personen) ≤ 50 51 tot 100 101 – 250 151 – 200 201 – 250 > 250 Omzetstijging In EUR 625.000 1.250.000 2.500.000 3.750.000 5.000.000 6.250.000

het scheppen van nieuwe of de uitbreiding van bestaande toeleveringsactiviteiten in het Vlaamse Gewest; investeringen die aanwijsbaar verbonden zijn met de oprichting of het doel van een door de Vlaamse regering erkende cluster; de herlokalisatie van de onderneming om dwingende milieuredenen; een startende onderneming (dit is met een totaal nieuwe activiteit of een eerste vestiging) in het Vlaamse Gewest;

Subsidiewegwijzer 2003

20

de herlokalisatie van een zonevreemde onderneming naar een industriezone. De onderneming legt een attest voor, afgeleverd door het gemeentebestuur of de administratie Ruimtelijke Ordening waarin bevestigd wordt dat de bestaande vestigingsplaats als zonevreemd gecatalogeerd wordt en dat voor desbetreffende zonevreemde onderneming via een uitvoeringsplan (BPA, een sectoraal BPA,…) geen uitbreiding mogelijk is. Ecologiesteun (zowel middelgrote als grote ondernemingen) Investeringen in uitrustingen met het oog op grondstoffenbesparing, energiebesparing of een vermindering van de milieubelastende effecten die: gericht zijn op de aanpassing van de onderneming aan nieuwe verplichte milieunormen, die in de toekomst opgelegd worden, en waarvoor de datum waarop ze van kracht worden al is vastgesteld, of verder reiken dan de huidige verplichte milieunormen, of uitgevoerd worden zonder dat een verplichte milieureglementering bestaat, komen in aanmerking voor ecologiesteun. Gebouwen komen hoogst uitzonderlijk in aanmerking als ecologie-investeringen. Enkel de meerkosten van de ecologie-investeringen zijn subsidiabel voor ecologiesteun. De meerkosten van de ecologie-investeringen zijn de extra investeringskosten die noodzakelijk zijn voor het verwezenlijken van de milieudoeleinden. Van ecologie-investeringen die leiden tot een verhoging van de productiecapaciteit komen enkel de meerkosten die betrekking hebben op de oorspronkelijke productiecapaciteit in aanmerking voor ecologiesteun. De meerkosten worden berekend door de ecologie-investering te vergelijken met de kosten voor de verwezenlijking van een gelijkaardige productiecapaciteit waarbij een conventionele technologie wordt gebruikt. Bij de berekening van de meerkosten moeten eventuele baten en kostenbesparingen voortvloeiend uit de investering gedurende de afschrijvingsperiode wel in mindering worden gebracht. Hierbij wordt de omvang van de besparingen berekend aan de hand van de contante waarde waarbij de referentierente zoals periodiek bepaald door de Europese Commissie wordt toegepast. Er wordt geen afschrijvingsaftrek toegepast bij ecologie-investeringen. De verplaatsing van een onderneming is in beginsel geen subsidiabele ecologie-investering. Enkel de ecologie-investeringen die overeenstemmen met de bevoegdheden van de Vlaamse minister voor Economie komen in aanmerking. De ecologie-investeringen kunnen genieten van de volgende ecologiesteun: om zich aan te passen aan nieuwe (Europese) milieunormen: grote ondernemingen komen in dit geval niet meer in aanmerking voor ecologiesteun; middelgrote ondernemingen kunnen hiervoor 8 % ecologiesteun krijgen maar geen vrijstelling van de onroerende voorheffing. om een hoger beschermingsniveau te bereiken dan vereist is volgens de (Europese) milieunormen: 8% voor end-of-pipe oplossingen indien geen alternatief mogelijk is; 10% voor energiebesparende technieken (o.a. hernieuwbare energie); 12% voor procesgeïntegreerde milieuvriendelijke technieken. De ecologie-investeringen kunnen bovendien genieten van de vrijstelling van de onroerende voorheffing gedurende 5 jaar. in gevallen waar verplichte (Europese) milieunormen ontbreken: idem als om een hoger beschermingsniveau te bereiken dan vereist is volgens de (Europese) milieunormen. Zachte steun Middelgrote ondernemingen kunnen zachte steun krijgen voor projecten van opleiding, advies en studies. Grote ondernemingen kunnen alleen zachte steun krijgen voor opleidingsprojecten. De zachte steun wordt geregeld in afzonderlijke richtlijnen.

Subsidiewegwijzer 2003

21

Vervoer De steun voor het vervoer is opgeschort in afwachting van de invoering van een nieuwe regeling. Fiscale voordelen Het geheel van de aanvaarde investeringen in onroerende goederen komt in aanmerking voor de vrijstelling van de onroerende voorheffing. Deze vrijstelling geldt zowel voor de gebouwen en voor de uitrusting die onroerend is door haar aard of door haar bestemming en ingeschreven is in de kadastrale legger. De fiscale steun varieert van 3 tot 5 jaar naar gelang van het soort investeringen - gewone investeringen of ecologie-investeringen - en de tewerkstellingstoename. De vrijstelling wordt van kracht op 1 januari volgend op de ingebruikneming van de vrijgestelde investeringen. Het fiscaal voordeel van de versnelde afschrijvingen houdt in dat gedurende 3 jaar een jaarlijkse afschrijving mag worden toegepast gelijk aan tweemaal de normale lineaire afschrijvingsannuïteit. Alleen de ondernemingen gevestigd in een ontwikkelingszone van categorie 1 (= maximum 21% brutosteun) komen hiervoor in aanmerking. Alle subsidiabele investeringen komen in aanmerking, met uitzondering van de immateriële investeringen. De beslissing tot toekenning van dit fiscale voordeel is ondergeschikt aan de vigerende federale wetgeving. Absoluut steunplafond De totale gecumuleerde steun (algemeen steunregime) is beperkt tot de steunpercentages (14% of 21% bruto) zoals vastgesteld in de regionale steunkaart van het Vlaamse Gewest voor de periode 2000-2006. Voor ecologie-investeringen mag hij niet meer bedragen dan de volgende steunintensiteiten: investeringssteun voor de aanpassing aan nieuwe verplichte milieunormen: 15% bruto voor grote onderneming; 24% bruto of 31% bruto voor middelgrote ondernemingen naar gelang van de ontwikkelingszone; investeringssteun om verder te gaan dan de verplichte milieunormen of als verplichte milieunormen ontbreken: 30% bruto voor grote ondernemingen; 40% bruto voor middelgrote ondernemingen onafhankelijk van de ontwikkelingszone. Het aandeel van de onderneming in de financiering van de investeringen – met eigen of vreemde middelen – moet minstens 25% bedragen. Met deze minimale inbreng van 25% mag geen enkele vorm van steun gemoeid zijn. Deze 25% regel geldt niet voor de ecologie-investeringen. Coördinatiecentra Als de onderneming deel uitmaakt van een groep met een erkend en operationeel coördinatiecentrum en de onderneming is niet uitgesloten om gebruik te maken van het coördinatiecentrum, dan wordt de gewone investeringssteun verminderd met 2% voor middelgrote ondernemingen en 4% voor grote ondernemingen. Deze sanctie wordt niet toegepast in geval van ecologie-investeringen of zachte steun. In geval van een eerste vestiging van een onderneming in het Vlaamse Gewest wordt de beslissing om de sanctie al dan niet toe te passen, overgelaten aan de Vlaamse minister bevoegd voor het economisch beleid. Aanvraagprocedure Bovengenoemde steunmaatregelen moeten op een daartoe bestemd aanvraagformulier worden ingediend op onderstaand adres. De steunaanvraag moet worden ingediend vóór de aanvang van de uitvoering van het investeringsproject. Voor het bepalen van de subsidiabele investeringen kan niet tot vóór de registratiedatum van de steunaanvraag worden teruggegaan. Onder 'aanvang van de uitvoering van het investeringsproject' wordt verstaan 'de datum van de eerste factuur, desgevallend een voorschotfactuur'. Het indienen van de steunaanvraag ná die datum heeft een weigering van het volledige investeringsproject tot gevolg, tenzij het project bestaat uit verschillende afzonderlijke, welomlijnde

Subsidiewegwijzer 2003

22

deelprojecten. De minimumtermijn tussen twee aanvragen die betrekking hebben op dezelfde soort investeringen (gewone, ecologie- of zachte steun), waarvan de eerste gunstig werd beslist, moet minstens 12 maanden bedragen. De investeringen moeten beëindigd zijn binnen 24 maanden vanaf de registratiedatum van de aanvraag. Voor belangrijke projecten kan dat 36 maanden zijn. In uitzonderlijke gevallen kan die termijn extra verlengd worden.

Bijkomende inlichtingen Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid Markiesstraat 1 1000 Brussel Tel.: 02/553.35.11 Fax: 02/553.37.88 E-mail: economiesteun@vlaanderen.be

1.2.3 EXPANSIESTEUN - ECONOMISCH EXPANSIEDECREET VAN 15 DECEMBER 1993 – MGB3.4 Inhoud steunmaatregel Het expansiedecreet van 15 december 1993 is van toepassing op investeringen gerealiseerd door middelgrote en grote ondernemingen in het Vlaamse Gewest voor zover zij niet ressorteren onder de wet van 30 december 1970 betreffende de economische expansie. Alle financieringsvormen worden aanvaard, met uitzondering van: kredieten toegekend door een kredietinstelling of een andere financiële instelling die niet gecontroleerd wordt door de Commissie voor Bank- en Financiewezen; verrichtingen met één of meer van de volgende kenmerken: leasing die niet voldoet aan volgende voorwaarden: het gaat om een financiële leasing. Contracten van financiële huur en contracten van operationele leasing zijn uitgesloten; de leasingnemer boekt de leasing in de balans van zijn jaarrekening onder de vaste activa; de leasingnemer past afschrijvingen toe; gewone uitgaven (bijvoorbeeld onderhoudskosten, verzekeringskosten,…) zijn uitgesloten. roerende leasing, aangegaan bij een leasingonderneming die geen erkenning bezit; sale- en leaseback (en sale- en rentback) overeenkomsten voor tweedehands investeringen of in geval van liquiditeitsproblemen; huur, huur met koopoptie, huurkoop, financiële huur, koop op afbetaling, verkoop met uitgestelde eigendomsoverdracht. Begunstigden Het expansiedecreet is van toepassing op de middelgrote en grote ondernemingen voor zover de expansiewet van 30 december 1970 niet van toepassing is. Uitgesloten sectoren Zie punt 1.2.2. Projecten

Subsidiewegwijzer 2003

23

Alleen de subsidiabele investeringen komen voor steun in aanmerking; dit zijn de aanvaarde investeringen verminderd met de afschrijvingsaftrek. De volgende investeringen worden aanvaard (lasten en taksen uitgezonderd): aankoop (volle eigendom), leasing, inbreng tegen marktprijs, oprichting en verbouwing van gebouwen. De investeringen door een patrimoniumvennootschap, behorend tot de groep van de exploitatievennootschap, komen in aanmerking op voorwaarde dat de volgende voorwaarden zijn vervuld: de steun komt de exploitatievennootschap ten goede; elke rechtspersoon betrokken bij een financiering met vreemde middelen in het financieringscontract treedt op als medekredietnemer of borgsteller; de aanvraag wordt samen door de betrokken rechtspersonen ingediend; de patrimoniumvennootschap werkt alleen voor de eigen groep; de aangerekende vergoeding voldoet aan de normale marktvoorwaarden. aankoop (volle eigendom) en leasing van uitrusting; immateriële investeringen: Voor grote ondernemingen mogen de subsidiabele immateriële investeringen maximum 25% bedragen van de aanvaarde investeringen in gebouwen en uitrusting. Deze voorwaarde geldt niet voor middelgrote ondernemingen. De subsidiabele immateriële investeringen zijn uitsluitend uitgaven die verband houden met technologieoverdracht door de verwerving van octrooien, exploitatielicenties of licenties inzake geoctrooieerde technische knowhow, of niet-geoctrooieerde technische knowhow. De immateriële investeringen: mogen uitsluitend in de onderneming zelf geëxploiteerd worden; worden beschouwd als afschrijfbare activa. De onderneming moet de immateriële investeringen in haar jaarrekening boeken onder de activa van de balans. De investeringen mogen niet worden geboekt onder de bedrijfskosten; worden van een derde verworven tegen marktvoorwaarden; worden gedurende minstens 5 jaar behouden in de onderneming; worden afgeschreven overeenkomstig de fiscale wetgeving. Versnelde afschrijvingen zijn niet toegestaan. Zijn uitgesloten: studies; werkingskosten (bijvoorbeeld de huur van gebouwen), het verbruik van water, gas en elektriciteit, onderhoudskosten; de overname van de handelsnaam, klandizie en de goodwill. De immateriële investeringen die ook in aanmerking komen voor andere overheidssteun zijn geheel of gedeeltelijk uitgesloten van expansiesteun: indien de maximaal toegelaten steunintensiteit zou overschreden worden, wordt de expansiesteun evenredig verminderd. zachte investeringen: opleiding, adviesverlening en studies. Indien voor dezelfde investeringen de expansiesteun wordt gecumuleerd met andere overheidssteun (op Europees, federaal, Vlaams, provinciaal of gemeentelijk niveau), dan wordt de expansiesteun beperkt tot het Europees toegelaten steunplafond. Ondernemingen die bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap een aanvraag indienen voor steun van het EFRO, het EOGFL of andere Europese steun, komen in aanmerking voor de door de Europese Unie vereiste minimum expansiesteun, nodig voor het verkrijgen van de Europese steun. De aanvraag wordt negatief beoordeeld als het subsidiabele investeringsbedrag of de totale steun lager is dan de volgende minimumbedragen: MINIMUM INVESTERINGSBEDRAG

Subsidiewegwijzer 2003

24

{PRIVATE}Tewerkstelling (in personen) ≤ 50 51 tot 100 101 – 150 151 – 200 201 – 250 > 250

Minimum subsidiabele investeringen in EUR 62.500 125.000 250.000 375.000 500.000 625.000

MINIMUM STEUNBEDRAG

{PRIVATE}Tewerkstelling (in personen) ≤ 50 51 tot 100 101 – 150 151- 200 201 – 250 > 250

Minimum steunbedrag in EUR 2.500 7.500 15.000 22.500 30.000 37.500

De minima vermeld in de bovenstaande twee tabellen gelden eveneens voor definitief besliste dossiers waarvan achteraf blijkt dat de werkelijk uitgevoerde investeringen of het steunbedrag lager uitvallen dan de hierboven vermelde minima. Voor dergelijke dossiers wordt een negatieve beslissing getroffen, met terugvordering van de eventueel al uitbetaalde steun tot gevolg. Voor ecologiesteun geldt geen minimum subsidiabel investeringsbedrag. Voor het steunbedrag gelden dezelfde minimumbedragen als hierboven. De totale gecombineerde steun is beperkt tot 7,5% van de aanvaarde investeringen. Diversen De steun wordt alleen toegekend voor de oprichting, uitbreiding, modernisering of omschakeling van de onderneming. De steun voor de modernisering of omschakeling van een onderneming wordt enkel verstrekt indien de gesubsidieerde investeringen gericht zijn op het starten van een nieuwe activiteit, dat wil zeggen op voorwaarde dat de investeringen leiden tot een fundamentele wijziging in het product of in het productieproces van de vestiging in kwestie. Vervangingsinvesteringen, alsook de toekenning van reddings- en herstructureringssteun zijn uitgesloten. Bovendien moeten de investeringen beantwoorden aan een of meer van de onderstaande doelstellingen: de sanering en bestemming voor bedrijfsdoeleinden van vervallen terreinen of gebouwen; de creatie van nieuwe duurzame arbeidsplaatsen; de versteviging van het Vlaams economisch weefsel door middel van clustervorming; de creatie van nieuwe of sterk verbeterde producten, productiemethoden of -procédés met het oog op de versteviging van de technologische basis; de oprichting van een eerste vestiging in het Vlaamse Gewest; het scheppen van nieuwe of de uitbreiding van bestaande toeleveringsactiviteiten in het Vlaamse Gewest; onderzoek en ontwikkeling; belangrijke toename van de toegevoegde waarde; Subsidiewegwijzer 2003 25

kwaliteitsgerichtheid, sterke commercialisering en marketing, vorming en strategische managementvisie. Bijkomende voorwaarden: de onderneming moet alle Vlarem-verplichtingen nagekomen zijn; er mogen geen achterstallen zijn inzake fiscale en sociale bijdragen, uitgezonderd wanneer een geldig bezwaarschrift wordt ingediend dat steunt op gegronde argumenten en betrekking heeft op bedragen die de verdere financiële leefbaarheid van de onderneming niet in het gedrang brengen; de financiële toestand van de onderneming moet gezond zijn. Dit wordt beoordeeld aan de hand van volgende elementen: een voldoende eigen vermogen, een positief of gunstig evoluerend bedrijfskapitaal en positieve cashflow. Voor de berekening van de financiële steun wordt een onderscheid gemaakt tussen de gewone investeringssteun, ecologiesteun en zachte steun. Gewone investeringssteun De gewone investeringssteun kan enkel genoten worden door middelgrote ondernemingen. De expansiesteun wordt berekend als een percentage van het subsidiabele investeringsbedrag. Dit percentage verschilt al naargelang de criteria waaraan de onderneming beantwoordt. Steun om redenen van regionaal economisch belang Een steun van maximum 5% kan worden toegekend om redenen van regionaal economisch belang die de onderneming uitvoerig kan motiveren. Per aanvaarde reden van regionaal economisch belang wordt 1% toegekend. De redenen van regionaal economisch belang zijn: investeringen in een ontwikkelingszone van het Vlaamse Gewest; de oprichting van een eerste vestiging in het Vlaamse Gewest; de oprichting of belangrijke uitbouw van een O&O-afdeling. De onderneming moet het bewijs leveren dat minimaal 25% van het aanvaarde investeringsbedrag betrekking heeft op deze afdeling en dat er minimaal 3 personeelsleden in deze afdeling zullen worden tewerkgesteld, door extra aanwerving, of door de overplaatsing uit een andere afdeling; de introductie van een voor het Vlaamse Gewest totaal nieuw productieprocédé; een toename van de omzet en/of de capaciteit met minstens 25% ten opzichte van het tweede boekjaar voorafgaand aan de registratiedatum. Deze toename moet worden bewezen uiterlijk het eerste boekjaar na de realisatie van de investeringen. Bovendien moet het omzetcijfer toenemen naargelang van de tewerkstelling in de onderneming: Tewerkstelling (in personen) ≤ 50 51 tot 100 101 – 250 151 – 200 201 – 250 > 250 Omzetstijging In EUR 625.000 1.250.000 2.500.000 3.750.000 5.000.000 6.250.000

het scheppen van nieuwe of de uitbreiding van bestaande toeleveringsactiviteiten in het Vlaamse Gewest; investeringen die aanwijsbaar verbonden zijn met de oprichting of het doel van een door de Vlaamse regering erkende cluster; de herlokalisatie van de onderneming om dwingende milieuredenen; een onderneming in herstructurering en/of met strategische waarde voor het Vlaams sociaal-economisch weefsel die belangrijke inspanningen levert om haar tewerkstelling op peil te houden en dit engagement formaliseert in een CAO; de herlokalisatie van een zonevreemde onderneming naar een industriezone. Ecologiesteun

Subsidiewegwijzer 2003

26

Investeringen in uitrustingen met het oog op grondstoffenbesparing, energiebesparing of een vermindering van de milieubelastende effecten die: gericht zijn op de aanpassing van de onderneming aan nieuwe verplichte milieunormen, die in de toekomst opgelegd worden, en waarvoor de datum waarop ze van kracht worden al is vastgesteld, of verder reiken dan de huidige verplichte milieunormen, of uitgevoerd worden zonder dat een verplichte milieureglementering bestaat, komen in aanmerking voor ecologiesteun. Gebouwen komen hoogst uitzonderlijk in aanmerking als ecologie-investeringen. Enkel de meerkosten van de ecologie-investeringen zijn subsidiabel voor ecologiesteun. De meerkosten van de ecologie-investeringen zijn de extra investeringskosten die noodzakelijk zijn voor het verwezenlijken van de milieudoeleinden. Van ecologie-investeringen die leiden tot een verhoging van de productiecapaciteit komen enkel de meerkosten die betrekking hebben op de oorspronkelijke productiecapaciteit in aanmerking voor ecologiesteun. De meerkosten worden berekend door de ecologie-investering te vergelijken met de kosten voor de verwezenlijking van een gelijkaardige productiecapaciteit waarbij een conventionele technologie wordt gebruikt. Bij de berekening van de meerkosten moeten eventuele baten en kostenbesparingen voortvloeiend uit de investering gedurende de afschrijvingsperiode wel in mindering worden gebracht. Hierbij wordt de omvang van de besparingen berekend aan de hand van de contante waarde waarbij de referentierente zoals periodiek bepaald door de Europese Commissie wordt toegepast. Er wordt geen afschrijvingsaftrek toegepast bij ecologie-investeringen. De verplaatsing van een onderneming is in beginsel geen subsidiabele ecologie-investering. Enkel de ecologie-investeringen die overeenstemmen met de bevoegdheden van de Vlaamse minister voor Economie komen in aanmerking. De ecologie-investeringen kunnen genieten van de volgende ecologiesteun: om zich aan te passen aan nieuwe (Europese) milieunormen: grote ondernemingen komen in dit geval niet meer in aanmerking voor ecologiesteun; middelgrote ondernemingen kunnen hiervoor 8 % ecologiesteun krijgen maar geen vrijstelling van de onroerende voorheffing. om een hoger beschermingsniveau te bereiken dan vereist is volgens de (Europese) milieunormen 8% voor end-of-pipe oplossingen indien geen alternatief mogelijk is; 10% voor energiebesparende technieken (o.a. hernieuwbare energie); 12% voor procesgeïntegreerde milieuvriendelijke technieken. De ecologie-investeringen kunnen bovendien genieten van de vrijstelling van de onroerende voorheffing gedurende 5 jaar. in gevallen waar verplichte (Europese) milieunormen ontbreken: idem als om een hoger beschermingsniveau te bereiken dan vereist is volgens de (Europese) milieunormen. Zachte steun Middelgrote ondernemingen kunnen zachte steun krijgen voor projecten van opleiding, advies en studies. Grote ondernemingen kunnen alleen zachte steun krijgen voor opleidingsprojecten. De zachte steun wordt geregeld in afzonderlijke richtlijnen. Vervoer De steun voor het vervoer is opgeschort in afwachting van de invoering van een nieuwe regeling. Fiscaal voordeel - vrijstelling van de onroerende voorheffing De grote ondernemingen die ecologie-investeringen realiseren en de middelgrote ondernemingen komen in aanmerking. Het geheel van de aanvaarde investeringen in onroerende goederen komt in aanmerking. Deze vrijstelling geldt zowel voor de gebouwen en voor de uitrusting die onroerend is door haar aard of door haar bestemming en ingeschreven is in de kadastrale legger.

Subsidiewegwijzer 2003

27

De fiscale steun varieert van 3 tot 5 jaar naar gelang van het soort investeringen - gewone of ecologieinvesteringen - en de tewerkstellingstoename. De vrijstelling wordt van kracht op 1 januari volgend op de ingebruikneming van de vrijgestelde investeringen. Absoluut steunplafond De totale gecombineerde steun is beperkt tot 7,5% van de aanvaarde investeringen. Hierbij wordt ook rekening gehouden met de vrijstelling van de onroerende voorheffing. De ecologiesteun en de zachte steun wordt hier echter niet meegerekend. Coördinatiecentra Als de onderneming deel uitmaakt van een groep met een erkend en operationeel coördinatiecentrum en de onderneming is niet uitgesloten om gebruik te maken van het coördinatiecentrum, dan wordt de gewone investeringssteun verminderd met 2%. Deze sanctie wordt niet toegepast in geval van ecologie-investeringen of zachte steun. In geval van een eerste vestiging van een onderneming in het Vlaamse Gewest wordt de beslissing om de sanctie al dan niet toe te passen, overgelaten aan de Vlaamse minister bevoegd voor het economisch beleid. Aanvraagprocedure Bovengenoemde steunmaatregelen moeten op een daartoe bestemd aanvraagformulier worden ingediend op onderstaand adres. De aanvraag om gewone investeringssteun moet op de afdeling ingediend zijn uiterlijk op de laatste dag van de twaalfde maand volgend op de maand waarop de investeringen zijn aangevat, voor leasingverrichtingen 12 maand na het sluiten van het leasingcontract. Een aanvraag om ecologiesteun moet evenwel ingediend zijn vóór de start van de uitvoering van het investeringsproject. De minimumtermijn tussen twee aanvragen die betrekking hebben op dezelfde soort investeringen (gewone, ecologie- of zachte steun), waarvan de eerste gunstig werd beslist, moet minstens 12 maanden bedragen. De investeringen moeten beëindigd zijn binnen 24 maanden vanaf de registratiedatum van de aanvraag. Voor belangrijke projecten kan dat 36 maanden zijn. In uitzonderlijke gevallen kan die termijn extra verlengd worden.

Bijkomende inlichtingen Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid Markiesstraat 1 1000 Brussel Tel.: 02/553.35.11 Fax: 02/553.37.88 E-mail: economiesteun@vlaanderen.be

2.

INVESTERINGSMAATSCHAPPIJ VOOR VLAANDEREN (GIMV)

2.1 BUY-INS/OUTS en GROEIKAPITAAL

Subsidiewegwijzer 2003

28

Inhoud steunmaatregel Bij GIMV Corporate Investment spitsen wij ons toe op groeikapitaal en buy-out/buy-in financiering (MBO/MBI). Via groeikapitaal nemen wij minderheidsparticipaties waardoor de aandeelhoudersstructuur van de onderneming niet fundamenteel wijzigt. Bij MBO/MBI ontstaat daarentegen een nieuwe aandeelhoudersstructuur waarbij GIMV zelf de meerderheid van de onderneming kan verwerven. Via groeikapitaal verstrekken wij risicokapitaal aan ondernemingen die in veeleer traditionele sectoren actief zijn. Naast de kwaliteiten van het management, de track record en de bestaande groeiperspectieven vormen de innovatiekracht van de onderneming en haar capaciteit om in te spelen op markttendensen en -opportuniteiten onze voornaamste selectiecriteria. Wij zijn bereid de groei van de onderneming te ondersteunen, onafhankelijk van het stadium van de levenscyclus waarin ze zich bevindt, van de opstartfase tot de pre-IPO-fase. Daarbij wordt een minimale investering in één of meerdere fases beoogd van 2,5 miljoen euro. Begunstigden De financiering van een management buy-out/buy-in is vooral bedoeld voor middelgrote ondernemingen met een sterke marktpositie en/of groeimogelijkheden. Ondernemingen in deze doelgroep hebben een omzet van 25 tot 250 miljoen euro, zijn onderdeel van een groot concern of eigendom van privépersonen, en hebben een uitstekend management. Projecten Volgende projecten komen in aanmerking : - buy-in/buy-out; - versteviging van de financiële structuur; - financiële investeringen; - herschikking aandeelhouderschap; - participatie in een joint-venture; - uitbreiding van een onderneming; - expansieplannen; - nieuwe evolutie in traditionele sectoren. Diversen Vermits GIMV toetreedt tot het kapitaal, worden er in principe door GIMV geen zakelijke zekerheden vereist. Deze kunnen dan ook eventueel aangewend worden voor andere financieringsbronnen. GIMV wenst enkel betrokken te worden bij het algemeen beleid van de onderneming. Er is in geen enkel opzicht inmenging in het dagelijks beleid. In het geval van een buy-in of buy-out is de betrokkenheid van GIMV uiteraard veel groter. Bij het vastleggen van de modaliteiten van de financiering waakt GIMV er steeds over de liquiditeitspositie van de betrokken onderneming niet in gevaar te brengen. Aanvraagprocedure De onderneming moet eerst een dossier indienen bij GIMV. Dit dossier moet een duidelijk businessplan omvatten, waaruit de opzet van, de haalbaarheid en de motivatie voor de geplande projecten blijkt. GIMV beslist vervolgens of het dossier voor verder onderzoek in aanmerking komt. Het is mogelijk dat de volledige procedure, van de eerste contactname tot het ter beschikking stellen van de fondsen in een aantal maanden wordt doorlopen. Bijkomende inlichtingen

Subsidiewegwijzer 2003

29

GIMV - Corporate Investment Karel Oomsstraat 37 2018 Antwerpen Tel.: 03/290.21.32 Fax: 03/290.21.05 Website: www.gimv.be Het GIMV - Corporate Investment team bestaat uit de volgende personen: Guy Mampaey (GuyM@gimv.be), Kris Van Look (KrisVL@gimv.be), Alain Keppens (AlainK@gimv.be), Peter Kloeck (PeterK@gimv.be).

2.2 VENTURE CAPITAL 2.2.1 LIFE SCIENCES Inhoud steunmaatregel GIMV Life Sciences richt zich vanuit een langetermijnvisie op innovatieve biotechbedrijven die nieuwe producten met een grote toegevoegde waarde ontwikkelen voor groeimarkten. Dit is belangrijk omdat de biotechsector een sterk cyclisch karakter vertoont. Bijgevolg kan de periode tussen investering en potentiële exit vaak vrij lang, onvoorspelbaar en kapitaalsintensief zijn. Op gebied van management streven we naar een proactieve hands-by benadering: ons team draagt samen met het management en de co-investeerders van de betrokken participatie bij tot de waardecreatie binnen het bedrijf. Zo maximaliseren we samen het rendement op de investering. Alhoewel de portefeuille van GIMV Life Sciences relatief recent werd opgebouwd, zijn heel wat participaties al geëvolueerd naar een latere fase, inclusief pre-IPO en beursgenoteerde ondernemingen. De investeringen die zich momenteel nog in de zaaigeldfase of early stage bevinden, vertegenwoordigen de meest recente investeringen Ons team beoogt een gediversifieerde portefeuille. Dit zorgt niet alleen voor meer risicospreiding, wat belangrijk is in een volatiele sector als biotechnologie, maar ook voor stabielere returns. De participaties bestrijken een brede waaier van activiteiten met investeringen in bedrijven die actief zijn in onderzoek en ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen voor het centrale zenuwstelsel, tegen kanker, antivirale middelen, enz. Voorts hebben we ondernemingen in portefeuille die zich specialiseren in functioneel genoomonderzoek en optimalisatie van lead-stoffen, agrobiotechnologie, medische instrumenten, weefselgeneratie, celtherapie, structural proteomics, … Ook geografisch opteren we voor een uitgebalanceerde portefeuille met een ongeveer evenredige verdeling van het aantal investeringen tussen Europa en de Verenigde Staten. Begunstigden Hoewel de focus ligt bij ondernemingen in een vroeg stadium van ontwikkeling, staat een opportunistische benadering voorop waarbij investeringsdossiers in latere fases en zelfs beursgenoteerde bedrijven (vb. Private Investments in Public Equity, ook wel PIPE’s genoemd) niet uitgesloten worden. Belangrijkste parameters hierbij zijn de verhouding tussen de bereikte doelstellingen tegenover waardering en het perspectief op een aantrekkelijke exit binnen een redelijke termijn. Projecten Volgende projecten komen in aanmerking: - aanbieden van een innovatief product of dienst; - lancering en ontwikkeling van nieuwe technologieën, prototypes;

Subsidiewegwijzer 2003

30

-

innovatieproject waarbij bepaalde producten, productieprocessen of diensten ontwikkeld of gedemonstreerd worden, die een bepaald technologisch risico in zich dragen en waarvan de resultaten vrij snel commercialiseerbaar zijn; implementatie van innovatieve technologieën; starters in toekomstgerichte sectoren; nieuwe evolutie in traditionele sectoren.

Diversen Vermits GIMV toetreedt tot het kapitaal, worden er in principe door GIMV geen zakelijke zekerheden vereist. Deze kunnen dan ook eventueel aangewend worden voor andere financieringsbronnen. GIMV wenst enkel betrokken te worden bij het algemeen beleid van de onderneming. Er is in geen enkel opzicht inmenging in het dagelijks beleid. Bij het vastleggen van de modaliteiten van de financiering waakt GIMV er steeds over de liquiditeitspositie van de betrokken onderneming niet in gevaar te brengen. Aanvraagprocedure De onderneming moet eerst een dossier indienen bij GIMV. Dit dossier moet een duidelijk businessplan omvatten, waaruit de opzet van, de haalbaarheid en de motivatie voor de geplande projecten blijkt. GIMV beslist vervolgens of het dossier voor verder onderzoek in aanmerking komt. Het is mogelijk dat de volledige procedure, van de eerste contactname tot het ter beschikking stellen van de fondsen in een aantal maanden wordt doorlopen.

Bijkomende inlichtingen GIMV – Life Sciences Karel Oomsstraat 37 2018 Antwerpen Tel.: 03/290.21.58 Fax: 03/290.21.05 Website: www.gimv.be Het GIMV - Life Sciences team bestaat uit de volgende personen: Patrick Van Beneden (PatrickVB@gimv.be), Frank Bulens (FrankB@gimv.be), Dirk Veelaert (DirkVe@gimv.be), Jim Van heusden (JimVH@gimv.be).

2.2.2 INFORMATION & COMMUNICATION TECHNOLOGY Inhoud steunmaatregel Het is onze missie om de bevoorrechte Europese investeerder te zijn in jonge technologiebedrijven met internationale ambities die het potentieel hebben om uit te groeien tot een toonaangevend bedrijf in hun domein. Naast het feit dat we een sterke financiële partner zijn, onderscheiden wij ons voornamelijk door het creëren van toegevoegde waarde. Deze steunt op meer dan 20 jaar ervaring in de sector, een gedreven en ervaren team, een gerichte investeringsstrategie en ons netwerk van internationale partners.

Subsidiewegwijzer 2003

31

Wij streven ernaar om de bevoorrechte partner te zijn voor alle ondernemers die een innovatief en technologiegedreven bedrijf wensen uit te bouwen in een markt met aanzienlijk groeipotentieel. De beoogde investeringen hebben een initiële omvang van 2 tot 5 miljoen euro en over de hele levenscylcus van het bedrijf beschouwd, verwachten we een totale investering van 7 tot 10 miljoen euro. We trachten een lange-termijn partnership op te bouwen waar we als lead-investeerder een hands-with benadering hanteren. We hechten er veel belang aan actief betrokken te worden bij onze portfoliobedrijven. Daarbij willen we niet alleen een klankbord zijn voor nieuwe ideeën, maar willen we tevens rechtstreeks bijdragen tot het uitbouwen van strategische contacten, helpen bij moeilijke managementbeslissingen en de onderneming begeleiden doorheen het groeiproces en de verschillende financieringsrondes. Ons investeringsproces vereist dat ons ganse team een nieuwe investering goedkeurt. U kunt er dus steeds vanuit gaan dat niet één persoon maar een heel team achter het bedrijf staat. Of u dus nieuwe ideeën wil bespreken, nieuwe mensen wil aannemen of begeleiding wenst bij een strategische beslissing, u kan steeds rekenen op de zeer uitgebreide capaciteiten van ons hele team. Onze gerichte investeringsaanpak laat ons ook toe om terug te kunnen vallen op een uitgebreid netwerk van gevestigde industriële contacten die zeker kunnen bijdragen tot de groei van uw bedrijf. Een deel van deze sleutelfiguren maakt deel uit van onze Adviesraad of treden op als Venture Partner. Begunstigden We richten ons voornamelijk op jonge bedrijven die actief zijn in markten waar wij een degelijke kennis en een sterk uitgebouwd netwerk hebben, zoals e-Finance, Broadband and Wireless en e-Business. Projecten Volgende projecten komen in aanmerking: - aanbieden van een innovatief product of dienst; - lancering en ontwikkeling van nieuwe technologieën, prototypes; - innovatieproject waarbij bepaalde producten, productieprocessen of diensten ontwikkeld of gedemonstreerd worden, die een bepaald technologisch risico in zich dragen en waarvan de resultaten vrij snel commercialiseerbaar zijn; - implementatie van innovatieve technologieën; - starters in toekomstgerichte sectoren; - nieuwe evolutie in traditionele sectoren. Diversen Vermits GIMV toetreedt tot het kapitaal, worden er in principe door GIMV geen zakelijke zekerheden vereist. Deze kunnen dan ook eventueel aangewend worden voor andere financieringsbronnen. GIMV wenst enkel betrokken te worden bij het algemeen beleid van de onderneming. Er is in geen enkel opzicht inmenging in het dagelijks beleid. Bij het vastleggen van de modaliteiten van de financiering waakt GIMV er steeds over de liquiditeitspositie van de betrokken onderneming niet in gevaar te brengen. Aanvraagprocedure De onderneming moet eerst een dossier indienen bij GIMV. Dit dossier moet een duidelijk businessplan omvatten, waaruit de opzet van, de haalbaarheid en de motivatie voor de geplande projecten blijkt. GIMV beslist vervolgens of het dossier voor verder onderzoek in aanmerking komt. Het is mogelijk dat de volledige procedure, van de eerste contactname tot het ter beschikking stellen van de fondsen in een aantal maanden wordt doorlopen.

Subsidiewegwijzer 2003

32

Bijkomende inlichtingen GIMV – ICT Karel Oomsstraat 37 2018 Antwerpen Tel.: 03/290.21.55 Fax: 03/290.21.05 Website: www.gimv.be Het GIMV - ICT team bestaat uit de volgende personen: Alex Brabers (AlexB@gimv.be), Bart Diels (BartD@gimv.be), Eline Talboom (ElineT@gimv.be), Steven Coppens (StevenC@gimv.be), Rudi Severijns (RudiSe@gimv.be), Elderd Land (ElderdL@gimv.be), Marc Wachsmuth (MarcW@gimv.be).

2.3 BIOTECH FONDS VLAANDEREN Inhoud steunmaatregel Het Biotech Fonds Vlaanderen is opgericht door de Investeringsmaatschappij voor Vlaanderen (GIMV). De GIMV bevordert als verstrekker van risicodragend kapitaal de oprichting en groei van bedrijven. Het Biotech Fonds Vlaanderen wil de biotechnologie stimuleren door het verschaffen van risicokapitaal aan de betrokken ondernemingen. Het Fonds profileert zich als een financiële partner die minderheidsparticipaties neemt, rechtstreeks of onrechtstreeks in syndicaat met andere verschaffers van risicokapitaal. Begunstigden Het Biotech Fonds Vlaanderen richt zich naar bestaande en startende middelgrote en grote biotechbedrijven die gevestigd zijn of zich komen vestigen in het Vlaamse Gewest. Projecten Volgende projecten komen in aanmerking: - oprichten van een nieuw biotechbedrijf in Vlaanderen; - ontwikkeling biotechnologische producten door bestaande Vlaamse biotechbedrijven; - aantrekken van buitenlandse biotechnologische bedrijven die activiteiten in Vlaanderen wensen te ontplooien, onder andere voor de Europese markt; - ... Diversen Het Biotech Fonds Vlaanderen fungeert steeds als tijdelijke partner en heeft de intentie, na verloop van een aan de sector aangepaste termijn, uit te treden via een beursintroductie, een verkoop aan derden, enzovoort. Aanvraagprocedure De onderneming moet een businessplan indienen bij de GIMV, waaruit de opzet van en de motivatie voor de geplande projecten blijkt. De GIMV beslist dan of het dossier voor verder onderzoek in aanmerking komt. Het is mogelijk dat de hele procedure, van tekenen tot het ter beschikking stellen van de fondsen, in 2 maanden doorlopen wordt.

Subsidiewegwijzer 2003

33

Bijkomende inlichtingen GIMV - Investeringsmaatschappij voor Vlaanderen Patrick Van Beneden Karel Oomsstraat 37 2018 Antwerpen Tel.: 03/259.21.00 Fax: 03/238.41.93 E-mail: PatrickVB@gimv.be Website: http://www.gimv.com

3.

PARTICIPATIEFONDS

3.1 INSTAPLENING Inhoud steunmaatregel De instaplening heeft tot doel het eigen vermogen van de onderneming te versterken en voor haar zo de toegang te vereenvoudigen tot een hoofdlening bij een van de banken die samenwerken met het Participatiefonds. De lening is achtergesteld: in geval van samenloop met andere schuldeisers aanvaardt het Participatiefonds als laatste te worden terugbetaald. Begunstigden De lening richt zich tot zelfstandigen, vrije beroepen en KMO's die hun activiteit in hoofdberoep uitoefenen sinds minder dan één jaar. Diversen De door het Fonds toegekende lening is bestemd voor de financiering van materiële, immateriële en financiële investeringen, evenals voor de financiering van de behoefte aan bedrijfskapitaal die gepaard gaat met de start van de activiteit of de tenuitvoerlegging van het betrokken investeringsproject. Een belangrijke voorwaarde is dat voor investeringen waarvoor een aanvraag wordt ingediend, er nog geen bancair krediet ter beschikking werd gesteld. Of met andere woorden aanvragen die slaan op een herfinanciering van gedane investeringen, worden niet in aanmerking genomen. De duur bedraagt 5, 7 of 10 jaar, afhankelijk van de aard van het te financieren investeringsproject en mag niet langer zijn dan die van de door de kredietinstelling toegekende hoofdlening. De lening bedraagt maximum drie keer het bedrag van de persoonlijke inbreng (in speciën) van de aanvrager in het project, met een maximum van 125.000 euro. Het kapitaal wordt terugbetaald door middel van driemaandelijkse constante delgingen, na een vrijstellingsperiode voor de terugbetaling van het kapitaal. Intresten worden berekend op het schuldsaldo en zijn eveneens driemaandelijks betaalbaar. Een vrijstelling voor de terugbetaling van het kapitaal van 1 jaar wordt automatisch toegepast. Een bijkomende vrijstellingsperiode van 1 jaar kan worden toegestaan door het Fonds mits een verhoging van de verlaagde rentevoet.

Subsidiewegwijzer 2003

34

De lening gaat samen met een verlaagde rentevoet gedurende de eerste 2 jaar voor een lening op 5 jaar en gedurende de eerste 3 jaar voor de leningen op 7 en 10 jaar. Na de periode van verlaagde rentevoet wordt een voordelige vaste marktrentevoet toegepast. Het Participatiefonds stelt zich soepel op inzake het vragen van waarborgen. Bijkomende inlichtingen Participatiefonds de Lignestraat 1 1000 Brussel Tel.: 02/210.87.87 Fax: 02/210.87.79 E-mail: info@fonds.org Website: http://www.fonds.org

3.2 OVERDRACHTLENING Inhoud steunmaatregel De overdrachtlening is een variante van de instaplening. Ze is bestemd voor de gedeeltelijke financiering van de overname van een handelszaak of van de meerderheid van de aandelen van een KMO. Begunstigden De lening richt zich tot degenen die starten door een bestaande zaak met toekomstperspectieven over te nemen. Diversen De kenmerken en voorwaarden zijn identiek met de instaplening (cfr. supra).

Bijkomende inlichtingen Participatiefonds de Lignestraat 1 1000 Brussel Tel.: 02/210.87.87 Fax: 02/210.87.79 E-mail: info@fonds.org Website: http://www.fonds.org

3.3 PROGRESSLENING Inhoud steunmaatregel De progresslening heeft tot doel het eigen vermogen van de onderneming te versterken en voor haar zo de toegang te vereenvoudigen tot een hoofdlening bij een van de banken die samenwerken met het Participatiefonds.

Subsidiewegwijzer 2003

35

De lening is achtergesteld: in geval van samenloop met andere schuldeisers aanvaardt het Participatiefonds als laatste te worden terugbetaald. Begunstigden De lening richt zich tot zelfstandigen, vrije beroepen of KMO's die zo voordelig mogelijk wensen te voorzien in de financiering van een investeringsproject dat onontbeerlijk is voor hun ontwikkeling. Diversen De door het Fonds toegekende lening is bestemd voor de gedeeltelijke financiering van projecten die bestaan uit materiële, immateriële en financiële (inkoop van aandelen) investeringen, evenals voor de verhoging van de bedrijfskapitaalbehoeften ingevolge de opstart van het voorgestelde investeringsproject. Evenwel zijn uitgesloten: investeringen in immobiliën (aankoop gronden en/of gebouwen, bouw-, verbouwingen en andere werken). Worden wel voor een progresslening toegestaan: aanpassings- en verbouwingswerken aan een gebouw door de kredietaanvrager verworven sinds langer dan 5 jaar; aanpassings- en verbouwingswerken in het kader van de overname van een handelsfonds door de aanvrager zonder gelijktijdige verwerving van gebouwen; renovatie- en verbouwingswerken aan schepen. Een belangrijke voorwaarde is dat voor investeringen waarvoor een aanvraag wordt ingediend, er nog geen bancair krediet ter beschikking werd gesteld. Of met andere woorden: aanvragen die slaan op een herfinanciering van gedane investeringen, worden niet in aanmerking genomen. De duur bedraagt 5, 7 of 10 jaar, afhankelijk van de aard van het te financieren investeringsproject, en mag niet langer zijn dan die van de door de kredietinstelling toegekende hoofdlening. De lening bedraagt maximum drie keer het bedrag van de persoonlijke inbreng (in speciën) van de aanvrager in het project, met een maximum van 75.000 euro. Evenwel zal het bedrag van de tegemoetkoming door het Fonds bepaald worden door de 1/3/3-regel op de aanvaardbare investeringen: voor 1 euro geïnvesteerd door de kredietaanvrager, dient er een lening van minimum 3 euro door de bank te worden toegestaan, en beloopt de lening van het Participatiefonds 3 euro. Het kapitaal wordt terugbetaald door middel van driemaandelijkse constante delgingen, na een vrijstellingsperiode voor de terugbetaling van het kapitaal. Intresten worden berekend op het schuldsaldo en zijn driemaandelijks betaalbaar. Een vrijstelling voor de terugbetaling van het kapitaal van 1 jaar wordt automatisch toegepast. Een bijkomende vrijstellingsperiode van 1 jaar kan worden toegestaan door het Fonds mits een verhoging van de verlaagde rentevoet. De lening gaat samen met een verlaagde rentevoet gedurende de eerste 2 jaar voor een lening op 5 jaar en gedurende de eerste 3 jaar voor een lening op 7 of 10 jaar. Na de periode van verlaagde rentevoet wordt een voordelige vaste marktrentevoet toegepast. Bijkomende inlichtingen Participatiefonds de Lignestraat 1 1000 Brussel Tel.: 02/210.87.87 Fax: 02/210.87.79 E-mail: info@fonds.org Website: http://www.fonds.org

Subsidiewegwijzer 2003

36

3.4 STARTLENING EN PLAN ROSETTA VOOR ZELFSTANDIGEN Inhoud steunmaatregel Met de Startlening heeft het Participatiefonds als doel de werkloosheid te bestrijden door achtergestelde leningen tegen gunstige voorwaarden toe te staan aan niet-werkende werkzoekenden die een eigen activiteit willen opzetten. De achtergesteldheid van een lening betekent dat bij terugbetalingsproblemen waar samenloop is met andere schuldeisers, het Participatiefonds in beginsel pas aan de beurt komt nadat de overige schuldeisers betaald zijn. Het maximale bedrag dat met de Startlening kan ontleend worden, bedraagt 30.0001 euro. Begunstigden Deze lening richt zich tot de niet-werkende werkzoekende ingeschreven sinds ten minste 3 maand, de uitkeringsgerechtigde volledige werkloze of de begunstigde van een wachtuitkering of een bestaansminimum, die zich als zelfstandige in hoofdberoep wil vestigen of een onderneming wil oprichten. Zo komen bijvoorbeeld in aanmerking: zelfstandige worden en alleen werken; zelfstandige worden en met andere partners, al dan niet werkzoekenden, een vennootschap of feitelijke vereniging oprichten, waar hij/zij werkend vennoot worden; zelfstandige en werkend vennoot worden van een bestaande feitelijke vereniging of vennootschap. Projecten Volgende projecten komen in aanmerking: investeringen in materiële vaste activa; investeringen in immateriële vaste activa; oprichten van een onderneming; oprichten van een zelfstandige zaak. Diversen De duur van de Startlening bedraagt 10 jaar. De duur kan eventueel verlengd worden tot 13 jaar mits rechtvaardiging door de aanvrager, bijvoorbeeld op basis van de aard van de investeringen. Voor de terugbetaling van het kapitaal verleent het Participatiefonds een vrijstelling van 3 jaar. De intrestvoet is vast en bedraagt 4%. De intrestvoet kan de eerste twee jaren tot 3% teruggebracht worden indien de begunstigde de begeleiding, die hem in één van de erkende KMO-organisaties en steunpunten voor starters gratis aangeboden wordt, effectief volgt. De werkzoekende moet ten belope van een kwart van het bedrag van de achtergestelde lening 'eigen middelen' – hetzij uit persoonlijke middelen, hetzij via een lening – ter beschikking stellen voor de financiering van het betrokken investeringsproject. De activiteit mag niet gestart worden vooraleer de achtergestelde lening is toegekend. Een belangrijke voorwaarde is dat voor investeringen waarvoor een aanvraag wordt ingediend, er nog geen bancair krediet ter beschikking werd gesteld. Of met andere woorden: aanvragen die slaan op een herfinanciering van gedane investeringen, worden niet in aanmerking genomen. De Raad van Bestuur van het Participatiefonds beslist over de leningsaanvragen. Dit gebeurt onder meer op basis van volgende criteria:
1

Effectief plafond bepaald door de Raad van Bestuur binnen het absolute wettelijke plafond van 40.000 euro. Subsidiewegwijzer 2003 37

beroepsbekwaamheid en eerbaarheid van de aanvrager; technische, economische en financiële waarde van het project; de haalbaarheid van het project; leefbaarheid van de onderneming. Aanvraagprocedure Werkzoekenden die een Startlening willen aangaan, kunnen een aanvraag indienen bij een door het Participatiefonds erkende financiële instelling of bij een van de erkende instellingen gespecialiseerd in de startersbegeleiding. Deze laatsten verlenen facultatief en gratis een begeleiding gedurende 18 maand na de goedkeuring van de lening. Een lijst van de erkende financiële instellingen of van de erkende begeleidingsorganisaties kan bekomen worden bij het Participatiefonds. PLAN ROSETTA VOOR ZELFSTANDIGEN Werkzoekenden jonger dan 30 die nog geen zelfstandige activiteit uitgeoefend hebben, kunnen een beroep doen op het plan Rosetta voor zelfstandigen. De geïnteresseerde van wie het project goedgekeurd werd, wordt gedurende 3 tot 6 maand gratis bijgestaan door een steunpunt voor starters naar zijn keuze. Hij kan er advies over zijn activiteit, de administratieve stappen of de wenselijkheid van bijkomende vorming, en andere, bekomen. Als de jongere geen inkomen heeft, bekomt hij een maandelijkse onkostenvergoeding van 375 euro per maand (maximum 6 maand) om de voorbereidingsfase van zijn/haar project te overbruggen. Na afloop van de voorbereidingsfase kan hij een aanvraag voor een startlening indienen. De jonge starter heeft de mogelijkheid een lening van maximum 2.250 euro te bekomen om gedurende de eerste maanden van zijn activiteit wat meer ruimte te scheppen voor de voorziening in zijn levensonderhoud. Dit speciale deel van de startlening is renteloos en moet pas vanaf het zesde jaar terugbetaald worden. Na de toekenning van de startlening blijft hetzelfde steunpunt de starter gedurende 18 maand bijstaan met raad en advies.

Bijkomende inlichtingen Participatiefonds de Lignestraat 1 1000 Brussel Tel.: 02/210.87.87 Fax: 02/210.87.79 E-mail: info@fonds.org Website: http://www.fonds.org

3.5 SOLIDAIRE LENING Inhoud steunmaatregel Deze lening werd sinds 1997 ontwikkeld door de Koning Boudewijnstichting om het recht op economisch initiatief voor kansarmen te bevorderen. Thans wordt dit type lening, in samenwerking met de Koning Boudewijnstichting, door het Participatiefonds verspreid. De Solidaire lening richt zich tot personen die een eigen economische activiteit willen ontplooien maar moeilijkheden ondervinden om

Subsidiewegwijzer 2003

38

een startkapitaal te bekomen omwille van hun persoonlijke financiële toestand. Concreet gaat het om mensen die de sociale steun, een bestaansminimum of werkloosheidsvergoeding ontvangen of om asielzoekers die administratief in orde zijn. Om in aanmerking te komen voor een Solidaire lening moet de aanvrager zich als zelfstandige in hoofdberoep vestigen of een onderneming oprichten. Zo komen bijvoorbeeld in aanmerking: zelfstandige worden en alleen werken; zelfstandige worden en met andere partners, al dan niet werkzoekenden, een vennootschap of feitelijke vereniging oprichten, waar hij/zij werkend vennoot worden; zelfstandige en werkend vennoot worden van een bestaande feitelijke vereniging of vennootschap. Projecten De lening is bestemd voor de financiering van materiële, immateriële en financiële investeringen, evenals voor de financiering van de behoefte aan bedrijfskapitaal die gepaard gaat met de start van de activiteit. Diversen Het maximumbedrag van de lening bedraagt 12.000 euro. De duur van de lening bedraagt 4 jaar. De rentevoet is vast en bedraagt 3%. De terugbetaling gebeurt, na drie maand vrijstelling van aflossing, door middel van 45 gelijke maandelijkse schijven in kapitaal. De intresten worden berekend op het schuldsaldo, ze zijn degressief en moeten maandelijks worden terugbetaald. De lening is achtergesteld wat betekent dat bij terugbetalingsproblemen waar samenloop is met andere schuldeisers, het Participatiefonds in beginsel pas aan de beurt komt nadat de andere schuldeisers betaald zijn. Begeleiding: er is in een dubbele begeleiding voorzien: ten eerste voor het indienen van de aanvraag waarvoor beroep kan gedaan worden op een steunpunt voor starters (lijst te verkrijgen op aanvraag); ten tweede, eens de lening werd toegekend, voor het vervullen van de formaliteiten bij de start van de zelfstandige activiteit, het beheer in het algemeen en de praktische modaliteiten. De solidaire lening kan, mits voldaan werd aan een aantal voorwaarden, gecumuleerd worden met een startlening en/of een ‘50+’.

Bijkomende inlichtingen Participatiefonds de Lignestraat 1 1000 Brussel Tel.: 02/210.87.87 Fax: 02/210.87.79 E-mail: info@fonds.org Website: http://www.fonds.org

3.6 BUSINESS ANGEL+ Inhoud steunmaatregel

Subsidiewegwijzer 2003

39

In het kader van risicokapitaalverstrekking aan ondernemingen, waarbij informele private investeerders steeds vaker een rol spelen, beslisten het Participatiefonds en BeBAN, een nationale vereniging van 7 Business Angels netwerken, samen te werken. Aldus werd de ‘Business Angel+’ uitgewerkt. Deze lening kan worden verstrekt aan ondernemingen die gedeeltelijk via Business Angels-financiering hun kapitaalbehoefte invullen. De lening is achtergesteld: in geval van samenloop met andere schuldeisers aanvaardt het Participatiefonds als laatste te worden terugbetaald. Begunstigden De lening richt zich tot ondernemers waarvan de onderneming in oprichting is of in een strategische ontwikkelingsfase voor haar toekomstige activiteit is getreden, en geen toegang hebben tot het klassieke bankkrediet omwille van de vernieuwende of technologische aard van hun project, maar die daarentegen kunnen rekenen op de financiële begeleiding van één of meer Business Angels. Indien dit gepaard gaat met de oprichting van een onderneming, moet de aanvrager hierin over de meerderheid van de aandelen beschikken en het dagelijkse beheer waarnemen. Diversen De door het Participatiefonds toegekende lening is bestemd voor de financiering van materiële, immateriële en financiële investeringen, evenals voor de financiering van de behoefte aan bedrijfskapitaal die gepaard gaat met de start van de zaak. Het maximumbedrag van de lening is 125.000 euro. De tussenkomst van het Participatiefonds moet minstens 7.500 euro bedragen. De inbreng van de Business Angel(s) en van de oprichter(s)-ondernemer(s) gebeurt in principe in contanten. In totaal moet het bedrag van de inbreng van de Business Angel(s) en van de oprichter(s)ondernemer(s) groter dan of gelijk zijn aan de lening van het Participatiefonds. De tussenkomsten van de Business Angels die meetellen in de berekening mogen niet aan derden ontleend zijn en gebeuren in principe als volgestort kapitaal. Indien ze – gedeeltelijk – als voorschotten van vennoten verwezenlijkt worden, moeten ze achtergesteld zijn aan de lening van het Participatiefonds. De duur van de lening bedraagt 5, 7 of 10 jaar en is afhankelijk van de aard van de te financieren investering. Het kapitaal wordt terugbetaald door middel van driemaandelijkse constante aflossingen. De intresten worden berekend op het schuldsaldo en zijn eveneens driemaandelijks betaalbaar. Een vrijstelling van terugbetaling van het kapitaal wordt voor een periode van 1 tot 3 jaar toegestaan, volgens de aard van het project. Het Participatiefonds past zijn referentierentevoet voor de kredieten op 5, 7 of 10 jaar, met een extra marge van 1%, toe. De gevraagde waarborgen worden volgens de kenmerken van het voorgestelde project bepaald. De projecten worden voorgeselecteerd door het BAN (adressen te verkrijgen op aanvraag) dat ze aan eventueel geïnteresseerde Business Angels voorstelt. Het Participatiefonds treedt pas op wanneer de geplande samenwerking tussen de ondernemer en de Business Angel quasi afgerond is. Bijkomende inlichtingen Participatiefonds de Lignestraat 1 1000 Brussel Tel.: 02/210.87.87 Fax: 02/210.87.79

Subsidiewegwijzer 2003

40

E-mail: info@fonds.org Website: http://www.fonds.org

3.7 50+ Inhoud steunmaatregel - Begunstigden De ‘50+’-lening richt zich specifiek tot natuurlijke personen die minstens 50 jaar oud zijn en die zich als zelfstandige in hoofdberoep willen vestigen of een onderneming oprichten. Desgevallend dient de laatste zelfstandige activiteit in hoofdberoep bij de indiening van de aanvraag van meer dan 5 jaar geleden te zijn. De lening is achtergesteld: in geval van samenloop met andere schuldeisers aanvaardt het Participatiefonds als laatste te worden terugbetaald. Diversen De door het Participatiefonds toegekende lening is bestemd voor de financiering van materiële, immateriële en financiële investeringen, evenals voor de financiering van de behoefte aan bedrijfskapitaal die gepaard gaat met de start van de activiteit. De looptijd van de lening bedraagt 5 of 7 jaar en is afhankelijk van de aard van de te financieren investering. Het maximumbedrag van de lening is 37.500 euro. De tussenkomst van het Participatiefonds moet minstens 7.500 euro zijn. De starter moet een eigen inbreng realiseren die minstens 10% van de totale investering bedraagt. Een vrijstelling voor de terugbetaling van het kapitaal van 1 jaar wordt automatisch toegepast. Daarna wordt het kapitaal terugbetaald door middel van driemaandelijkse constante aflossingen. De intresten worden berekend op het schuldsaldo en zijn eveneens driemaandelijks betaalbaar. De eerste twee jaar wordt een rentevoet van 4% per jaar toegepast, nadien de beste marktrentevoet. Het Participatiefonds stelt zich soepel op inzake het vragen van waarborgen. De ‘50+’ kan bovendien gecombineerd worden met andere leningen van het Participatiefonds: Startlening, Instap-/Overdrachtlening, Solidaire lening.

Bijkomende inlichtingen Participatiefonds de Lignestraat 1 1000 Brussel Tel.: 02/210.87.87 Fax: 02/210.87.79 E-mail: info@fonds.org Website: http://www.fonds.org

Subsidiewegwijzer 2003

41

4.

WAARBORGFONDS

4.1 WAARBORGEN VAN BEROEPSKREDIETEN Inhoud steunmaatregel Het Vlaams Waarborgfonds heeft als doelstelling de toekenning van beroepskredieten aan personen en ondernemingen uit de KMO-sector te vergemakkelijken. Indien een onderneming bij het aanvragen van een krediet voor een investering niet over voldoende waarborgen beschikt, kan dit leiden tot een vermindering van het toegestane kredietbedrag of zelfs tot een weigering van het krediet. Het Vlaams Waarborgfonds heeft als opdracht, onder bepaalde voorwaarden, de ontoereikendheid van de waarborgen aangeboden door de ondernemingen die een krediet bij een financiële instelling aanvragen, aan te vullen. Het Fonds waarborgt ten overstaan van de kredietinstelling de terugbetaling in hoofdsom en intresten van het kredietgedeelte dat wordt gedekt. Aldus kan een krediet dat door een gebrek aan waarborgen zou geweigerd zijn, eventueel toch nog worden toegestaan met de tussenkomst van het Vlaams Waarborgfonds. Begunstigden De kredietnemers die in aanmerking komen zijn de startende en bestaande kleine ondernemingen uit de privé-sector, alsook de vrije beroepen en de zelfstandigen. Deze dienen wel gevestigd te zijn in het Vlaamse Gewest. Zijn uitgesloten als kredietnemers: landbouwondernemingen en vzw’s. Ook volgende sectoren komen niet in aanmerking: land- en tuinbouw, winning van delfstoffen, de financiële sector en distributie van gas, water en elektriciteit. Projecten Volgende projecten komen in aanmerking: - projecten die rechtstreeks bijdragen tot de oprichting, uitbreiding, omschakeling, heruitrusting en modernisering van de in aanmerking komende begunstigden; - rechtstreekse financiering van de investeringen in (on)gebouwde onroerende goederen, uitrusting, materieel of andere goederen, welke voor de verwezenlijking van de reeds vermelde projecten nodig zijn; - rechtstreekse financiering van immateriële investeringen zoals markt- en organisatiestudies, onderzoek naar prototypes en nieuwe producten, aankoop van licenties en brevetten, enzovoort; - samenstellen en wedersamenstellen van bedrijfskapitalen; - versteviging van de financiële structuur; - financiële investeringen (aankoop van of intekenen op aandelen of deelbewijzen). Diversen In aanmerking komende kredieten: - kredieten op korte termijn: rekening-courant, discontokredieten; - kredieten op lange termijn: . maximum 25 jaar: kredieten voor onroerende investeringen; . maximum 10 jaar: kredieten voor oprichting of overname van een handelszaak, voor de aankoop van materieel of uitrusting, voor de wedersamenstelling van bedrijfskapitaal na onroerende investering; . maximum 5 jaar: kredieten voor de wedersamenstelling van bedrijfskapitaal na roerende investering; . bankwaarborgen. Uitgesloten kredieten: - kredieten zonder beroepskarakter; - bepaalde vormen van bedrijfskapitaal; - de terugbetaling van kredieten met Waarborgfonds;

Subsidiewegwijzer 2003

42

-

de terugbetaling van schulden behalve: . een te duur krediet; . de vervanging van een ten onrechte toegestaan krediet op korte termijn door een krediet op lange termijn; . om een oud krediet terug te betalen teneinde een waarborg vrij te kunnen maken.

De aangevraagde kredieten moeten dienen om het beroep beter uit te oefenen of om de onderneming te laten groeien. De duur van het krediet mag niet langer zijn dan de bedrijfseconomische duur. Het maximum bedrag van het investeringsproject is 4.957.870,50 euro en behoudens afwijkingen toegestaan door de Vlaamse minister bevoegd voor economie wordt er slechts een waarborg verstrekt tot 619.733,81 euro (beperkt tot 75% van het kredietbedrag en beperkt tot 70% voor kredieten op korte termijn). De door het Vlaams Waarborgfonds afgeleverde waarborg is niet gratis. Zowel de begunstigde ondernemer als de kredietinstelling die het dossier heeft ingediend, betalen een premie naargelang de afgeleverde waarborg en de duur ervan. Voor kredieten op korte termijn bedraagt de jaarlijkse bijdrage 1% van het gewaarborgd bedrag. De kredietaanvrager betaalt de helft van die 1%, de kredietinstelling neemt de andere helft voor zijn rekening. Voor kredieten op lange termijn bedraagt de bijdrage het eerste jaar 0,75% van het gewaarborgd bedrag, plus 0,375% per bijkomend jaar. De kredietaanvrager betaalt twee derden van het bedrag. Die bijdrage wordt in één keer gestort bij de toekenning van het krediet. Het Comité van het Vlaams Waarborgfonds beslist over de waarborgaanvraag die door de kredietinstelling wordt ingediend. Bij de beoordeling van het dossier worden naast de traditionele waarborgen ook andere gunstige elementen in aanmerking genomen, zoals onder andere de beroepsbekwaamheid en de handelsfaam van de aanvrager, de leefbaarheid van de onderneming en de waarde van het voorgestelde project. In bepaalde gevallen kan de kredietinstelling zelf het Waarborgfonds verbinden. Als aan de voorwaarden voldaan is, kan de kredietinstelling zelf beslissen over de toekenning van de tussenkomst van het Waarborgfonds tot 123.946,76 euro en 50% van het kredietbedrag. Dit versnelt enerzijds duidelijk de afhandeling van een kredietdossier met Waarborgfonds. Anderzijds zal in geval van schade de waarborg slechts ingetrokken worden in geval van bewezen misbruiken of flagrante inbreuken tegen de normale gebruiken in het bankwezen, gezien de gezonde risicoverdeling ('automatische waarborg': de tussenkomst van het Waarborgfonds zal niet hoger kunnen zijn dan 50% van het uiteindelijk verlies van de kredietinstelling). Een jonge zelfstandige die jonger is dan 35 jaar en nog geen 2 jaar zelfstandig is, krijgt een korting op het bedrag van de premie en de mogelijkheid van 2 jaar vrijstelling van terugbetaling in kapitaal als bijkomende voordelen. Aanvraagprocedure De aanvragen tot waarborgen worden door de kredietinstelling bij het Beheerscomité van het Vlaams Waarborgfonds ingediend op een standaardformulier. Bij het formulier moet een standaardrapport worden gevoegd met de gegevens die nodig zijn voor het correct inschatten van het risico van de verrichting, zoals het financieringsplan, de resultaten van de laatste jaren, eventueel de te verwachten groei van de cashflow, gegevens over de financiële structuur, de technische, economische en financiële aspecten van het investeringsproject, enzovoort. Voor bedragen van meer dan 619.733,81 euro per begunstigde is een voorafgaande machtiging nodig van de Vlaamse minister bevoegd voor economie. Bijkomende inlichtingen Vlaams Waarborgfonds Rouppeplein 16 bus 8 1000 Brussel Tel.: 02/289.85.00 Fax: 02/289.85.51 E-mail: karla.fieremans@waarborgfonds.be

Subsidiewegwijzer 2003

43

4.2 WAARBORGEN VAN RISICOKAPITAAL Inhoud steunmaatregel Het Vlaams Waarborgfonds heeft als doelstelling de toekenning van beroepskredieten aan personen en ondernemingen uit de KMO-sector te vergemakkelijken. Deze doelstelling is verder uitgebreid tot het waarborgen van risicokapitaal. Dit risicokapitaal wordt door participatiemaatschappijen verstrekt onder de vorm van participaties en/of achtergestelde leningen (achtergestelde lening: bij terugbetalingsproblemen waar samenloop is met andere schuldeisers zullen de overige schuldeisers eerst betaald worden). De participatiemaatschappij alsook de onderneming waarvoor de waarborg gevraagd wordt, moeten voldoen aan een aantal voorwaarden om de waarborg te verkrijgen. De waarborg kan ook enkel verkregen en behouden worden voor zover er een aanwijsbare band is tussen doel en risicokapitaal. Begunstigden De begunstigden van deze steunmaatregel zijn startende en bestaande zelfstandigen, kleine en middelgrote ondernemingen uit de privé-sector. Deze dienen gevestigd te zijn in het Vlaamse Gewest. Een groot aantal sectoren en ondernemingstypes zijn uitgesloten. Voor de kleine ondernemingen zijn dat: - financiële sector; - verzekeringssector (inclusief expertisebureaus); - vastgoedsector (koop, verkoop, verhuring); - energiesector (water, gas, elektriciteit); - vrije beroepen en hun verenigingen; - professionele en interprofessionele organisaties; - land-, tuin- en bosbouw, boomkwekerijen, veeteelt, hydrocultuur, viskweek en -vangst, aqua- en aquicultuur, jacht; - sommige ondernemingen die behoren tot de sector recreatie of diensten aan personen: . drankgelegenheden die niet behoren tot een hotel of restaurant, alsmede frituren, snackbars, ijsen tearooms; . feestzalen die geen eigendom zijn van en niet uitgebaat worden door een restaurateur-traiteur; . inrichtingen voor vertoningen van films, toneel en andere spektakels, clubs, dranklokalen, dancings; . sportcentra en recreatiedomeinen; . videotheken; . lunaparken, verhuur van amusementsspelen en recreatievoorwerpen (bijvoorbeeld go-carts, plezierboten, strandstoelen, en dergelijke); . kermisreizigers; - kappers, schoonheidsinstituten en daarmee gelijkgestelden, alsmede de eraan verbonden verkoop van producten; - dierenverzorging, dierencrematoria en aanverwanten; - verhuring van parkeerplaatsen en bergplaatsen; - organiseren van tentoonstellingen, beurzen, congressen en seminaries, evenals de ruimten en accommodaties hiervoor ter beschikking gesteld; - exploitatie van benzinepompen en/of servicestations voor zover ze geen eigendom zijn van een zelfstandig ondernemer (carwash wordt wel aanvaard); - bejaardentehuizen, bewaarplaatsen voor kinderen, beschutte werkplaatsen, huwelijks- en relatiebureaus, detectivebureaus; - vzw’s; - klinische laboratoria of laboratoria voor medische analyses; - openbare besturen en verenigingen van openbare besturen; - zeescheepvaart en visserij; - kunstenaars en kunstgalerijen;

Subsidiewegwijzer 2003

44

-

alle instellingen waar vormen van praktisch en intellectueel onderwijs, scholing en onderricht gegeven worden, bijvoorbeeld autorijscholen, maneges, enzovoort; sectoren en subsectoren waarvoor er bijzondere EU-reglementeringen gelden, bijvoorbeeld staal, scheepsbouw, synthetische vezels, automobiel, enzovoort; ondernemingen met als activiteiten het inrichten van veilingen, markten, enzovoort; logiesverstrekkende bedrijven die niet voldoen aan de classificatievoorwaarden om een hotel, motel of pension te exploiteren; ondernemingen met als maatschappelijk doel het vrachttransport worden niet gesubsidieerd voor hun rollend materieel (uitzonderingen zijn mogelijk); ondernemingen die in hun productieproces één of meer zwartelijststoffen als actieve stof gebruiken.

Voor de middelgrote ondernemingen gelden volgende beperkingen: - zuivere overheids- en monopolieondernemingen; - ondernemingen waarvan het aandelenkapitaal rechtstreeks of onrechtstreeks voor meer dan 50% in handen is van de overheid (de Europese Commissie kan hierop uitzonderingen toestaan); - franchising en traditionele groot- en kleinhandel; - banken, kredietinstellingen, verzekeringsinstellingen, expertisebureaus; - professionele en interprofessionele organisaties; - vrije beroepen en hun verenigingen; - sport-, cultuur- en horecacentra, met uitzondering van verblijfs- en toeristisch-recreatieve investeringen; - bejaardentehuizen en kinderopvangcentra; - niet-industriële medische sector; - openbare besturen en verenigingen van openbare besturen; - landbouw, tuinbouw en veeteelt, ressorterend onder de steunregeling van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds; - vlees- en pluimveesector die niet voldoen aan de IVK-normen; - amusementsspelen, lunaparken, en dergelijke; - sectoren en subsectoren waarvoor er bijzondere EU-reglementeringen gelden, bijvoorbeeld staal, scheepsbouw, synthetische vezels, automobiel, enzovoort; - zuivere vastgoedactiviteit, tenzij het gaat om de patrimoniummaatschappij van een groep die enkel voor de eigen groep werkt; - onderwijs; - audiovisuele sector in sommige gevallen; - beschutte werkplaatsen. Projecten Volgende projecten komen in aanmerking: - starters in toekomstgerichte activiteiten of procédés; - overdracht van een familiale onderneming om familiaal gebonden opvolgingsproblemen te voorkomen; - versterking van eigen vermogen; - voorkoming delokalisatie; - doorvoering technologische vernieuwing met positieve invloed op toegevoegde waarde of op leefmilieu; - activiteiten in nieuwe sectoren; - nieuwe evoluties in traditionele sectoren; - uitbouw toekomstgerichte dienstensector; - uitbouw exportgerichte investeringen; - management buy-out/managment buy-in financiering; - ontwikkeling van activiteiten in de ecologische sector. Diversen Participatie: in principe onbeperkte tijdslimiet; minimum 74.368,06 euro per onderneming;

Subsidiewegwijzer 2003

45

bij waarborgverlening aan de participatie en/of aan de achtergestelde lening wordt de toegekende waarborg eerst aangerekend op de participatie; winstbewijzen komen niet in aanmerking. Achtergestelde lening: minimumduur 7 jaar; minimum 123.946,76 euro per onderneming; rentevoet minstens gelijk aan de Europese referentierentevoet lidstaat; terugbetaling hoofdsom in jaarlijkse, semestriële, trimestriële of maandelijkse schijven met 2 jaar franchise. Toepasselijk op beide financieringsvormen: minimum 123.946,76 euro per onderneming; maximum 991.574,10 euro per onderneming; geen meerderheid der aandelen verwerven na de investering; enkel het in contanten volstorte bedrag wordt gewaarborgd; gewaarborgd gedeelte per onderneming maximaal 495.787,05 euro; het percentage van de vergoedingen, uitgekeerd aan de verstrekkers van risicokapitaal, mag ten opzichte van het eigen vermogen en de achtergestelde leningen (inclusief niet-gewaarborgde deel) niet hoger zijn dan de rentevoet van OLO’s op 5 jaar + risicopremie van 2,5% tijdens de waarborgperiode; te allen tijde bepaling van extra voorwaarden door de Vlaamse regering voor inkoop eigen aandelen/portage-overeenkomsten en andere financiële technieken die het financieel risico van de participatiemaatschappij trachten te verkleinen. De waarborg geldt voor maximum 5 jaar, in werking tredend 6 maanden na de overeenkomst. De participatiemaatschappij dient een éénmalige bijdrage te betalen van 0,875% op het bedrag van het te waarborgen risicokapitaal. De onderneming draagt geen kosten. In geval van fiscale en/of sociale achterstallen en totdat deze achterstallen aangezuiverd zijn, heft het Vlaams Waarborgfonds de waarborg op, indien de participatiemaatschappij haar betrokkenheid niet aantoont en indien de onderneming niet doet wat binnen haar mogelijkheden ligt om de achterstallen weg te werken. Het Vlaams Waarborgfonds beslist over de waarborgtoekenning overeenkomstig haar intern werkingsreglement. Dit reglement houdt rekening met: de toekenningsvoorwaarden; de investeringscriteria; het ondernemings- en financieringsplan; het management; de voortgangsbewaking- en begeleidingswerkzaamheden; de vormen van controle en rapportering. Aanvraagprocedure De waarborgaanvraag wordt door de participatiemaatschappij bij het Vlaams Waarborgfonds ingediend conform een aanvraagformulier, welke algemene en financieel-economische inlichtingen verschaft betreffende het project, de onderneming en de participatiemaatschappij. De toekenning van de waarborg wordt vastgesteld door de ondertekening van het akkoord tot waarborgverlening.

Bijkomende inlichtingen Vlaams Waarborgfonds Rouppeplein 16 bus 8 1000 Brussel Tel.: 02/289.85.27 Fax: 02/289.85.51 E-mail: daniel.roels@waarborgfonds.be

Subsidiewegwijzer 2003

46

Subsidiewegwijzer 2003

47

DEEL II: FISCALE STEUN 1. INVESTERINGSAFTREK

Inhoud steunmaatregel De investeringsaftrek is een fiscale steunmaatregel van het ministerie van Financiën waardoor winst en baten worden vrijgesteld van belasting tot een bedrag dat gelijk is aan een percentage van bepaalde bedrijfsinvesteringen die uitgevoerd worden in een bepaald belastbaar tijdperk en die in België worden gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van de belastingplichtige. De investeringen die in aanmerking komen, zijn investeringen in materiële vaste activa die in nieuwe staat zijn, verkregen of tot stand gebracht, evenals investeringen in nieuwe immateriële vaste activa. In principe wordt de investeringsaftrek in eenmaal verleend. Bepaalde belastingplichtigen kunnen deze desgewenst spreiden. Begunstigden Deze steunmaatregel geldt voor nijverheids-, handels- en landbouwondernemingen, alsook voor vrije beroepen, ambten, posten en andere winstgevende bezigheden. De belastingplichtigen die worden belast op forfaitaire grondslagen van aanslag, waarbij de afschrijvingen forfaitair zijn ingecalculeerd, komen niet in aanmerking. Projecten Volgende projecten komen in aanmerking: - gewone investeringen in materiële en immateriële vaste activa; - investeringen in octrooien; - milieuvriendelijke investeringen voor onderzoek en ontwikkeling; - energiebesparende investeringen; - investeringen in materiële vaste activa met betrekking tot herbruikbare verpakkingen. Een aantal investeringen zijn evenwel uitgesloten. Diversen Het aftrekpercentage wordt toegepast op de aanschaffings- of beleggingswaarde van de investeringen die in aanmerking komen. Het basispercentage van de eenmalige investeringsaftrek voor het aanslagjaar 2003 bedraagt: - voor de natuurlijke personen: 3,5%; - voor de binnenlandse vennootschappen waarvan de aandelen voor meer dan de helft toebehoren aan één of meer natuurlijke personen die de meerderheid van het stemrecht vertegenwoordigen, en die geen deel uitmaken van een groep waartoe een erkend coördinatiecentrum behoort: 3% (de investeringsaftrek wordt enkel toegepast op de eerste schijf van 5 miljoen euro, geïndexeerd voor het aanslagjaar 2003 komt dit overeen met een schijf van 6.690.000 euro); - voor de andere vennootschappen: 0%. Wanneer het gaat om octrooien, energiebesparende investeringen en milieuvriendelijke investeringen voor onderzoek en ontwikkeling, dan geldt er een verhoogde eenmalige investeringsaftrek van 13,5% voor het aanslagjaar 2003. Dit is het geval zowel voor natuurlijke personen als voor vennootschappen. Belastingplichtigen die, op de eerste dag van het belastbaar tijdperk waarin de vaste activa zijn aangeschaft of tot stand gebracht, minder dan 20 werknemers tewerkstellen, kunnen kiezen voor een

Subsidiewegwijzer 2003

48

gespreide investeringsaftrek. Deze methode houdt in dat de aftrek wordt gespreid over de periode waarin de activa worden afgeschreven. Voor het aanslagjaar 2003 bedraagt de gespreide investeringsaftrek 10,5% van de afschrijvingen van de activa. Voor milieuvriendelijke investeringen voor onderzoek en ontwikkeling kan eveneens de gespreide investeringsaftrek worden toegepast, ongeacht het aantal werknemers. Deze aftrek bedraagt dan 20,5%. De investeringsaftrek voor herbruikbare verpakkingen bedraagt 3%. Indien de winst of de baten van het belastbaar tijdperk niet volstaan om de investeringsaftrek te kunnen toepassen, mag de niet verleende vrijstelling worden overgedragen naar volgende belastbare tijdperken. De aftrek van de overgedragen vrijstelling mag evenwel per belastbaar tijdperk niet meer bedragen dan 620.000 euro, (geïndexeerd voor het aanslagjaar 2003: 731.410 euro) of 25% van het totaal bedrag van de nog over te dragen vrijstelling indien deze meer dan 2.480.000 euro bedraagt (geïndexeerd voor het aanslagjaar 2003: 2.925.660 euro). Aanvraagprocedure De aftrek kan verkregen worden door het bijzondere formulier 276U in te vullen en bij de aangifte te voegen.

Bijkomende inlichtingen Ministerie van Financiën Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit Financietoren – bus 61 Kruidtuinlaan 50 1010 Brussel Tel.: 02/210.29.11 (algemeen nummer) - 02/210.23.65

2.

COORDINATIECENTRA

Inhoud steunmaatregel Het ministerie van Financiën geeft fiscale steun aan erkende coördinatiecentra onder de vorm van verschillende fiscale voordelen en vrijstellingen. De coördinatiecentra dienen wel aan een aantal voorwaarden te voldoen om erkend te worden. De fiscale voordelen en vrijstellingen worden aan de erkende coördinatiecentra verleend gedurende een periode van 10 jaar vanaf het belastbaar tijdperk waarin de aanvraag tot erkenning werd ingediend tot bij het verstrijken van het boekjaar dat afgesloten wordt tijdens het tiende kalenderjaar na dat waarin de aanvraag werd ingediend. De erkenning kan echter hernieuwd worden. Begunstigden Het statuut van coördinatiecentrum kan toegekend worden aan iedere vennootschap met rechtspersoonlijkheid die opgericht is hetzij als handelsvennootschap in één van de vormen bepaald in het Belgisch Wetboek van Koophandel, hetzij als Belgisch filiaal van een buitenlandse vennootschap. Een coördinatiecentrum kan niet worden opgericht door ondernemingen met een activiteit in de krediet-, bank-, of de verzekeringssector. Bovendien mag geen enkele bank of verzekeringsonderneming deel uitmaken van de groep waarvoor het erkende coördinatiecentrum activiteiten uitoefent.

Subsidiewegwijzer 2003

49

Diversen Voorwaarden om in aanmerking te komen voor erkenning: Het coördinatiecentrum mag uitsluitend de ontwikkeling en centralisering van bepaalde activiteiten ten behoeve van andere vennootschappen van de groep waarvan het coördinatiecentrum deel uitmaakt, tot doel hebben. De toegelaten activiteiten betreffen: publiciteit en marketing, informatieverzameling en -verstrekking en beheersbijstand, verzekering en risicobeheer, wetenschappelijk onderzoek, nietcommerciële betrekkingen met nationale en internationale overheden, werkzaamheden op het gebied van boekhouding, administratie en informatica, financiële verrichtingen en dekking van de risico's die voortvloeien uit de schommelingen van de wisselkoersen en intrestvoeten, inkoopactiviteiten en alle andere activiteiten die een voorbereidend of hulpverlenend karakter hebben voor de vennootschappen van de groep. Enkel grote groepen met een multinationaal karakter komen in aanmerking voor de oprichting van een coördinatiecentrum (een coördinatiecentrum moet immers deel uitmaken van een groep): het geconsolideerde bedrag van kapitaal en reserves bedraagt ten minste 24.000.000 euro; de geconsolideerde jaaromzet bedraagt ten minste 240.000.000 euro; het buitenlands eigen vermogen bedraagt ten minste 12.000.000 euro of 20% van het geconsolideerd eigen vermogen van de groep; sedert l januari van het tweede jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de erkenning werd aangevraagd, ononderbroken in het bezit zijn van dochtermaatschappijen in het buitenland (in ten minste vier verschillende landen); ten minste 120.000.000 euro of 20% van de totale geconsolideerde omzet in het buitenland verwezenlijken. Na verloop van twee jaar nadat het met zijn activiteiten is begonnen, moet het coördinatiecentrum in België ten minste het equivalent van tien voltijdse werknemers in dienst hebben. Een erkend coördinatiecentrum mag geen aandelen of andere maatschappelijke rechten bezitten. De hiernavolgende fiscale voordelen en vrijstellingen kunnen aan het coördinatiecentrum verleend worden: De belastbare winst van het coördinatiecentrum wordt vastgesteld door een bepaald percentage (in de regel 8%) toe te passen op de totale uitgaven en werkingskosten van het centrum, met uitsluiting van de personeelskosten en de financiële kosten. Hierbij mag het aldus vastgestelde inkomen niet lager zijn dan het totaal van de niet als beroepskost aftrekbare kosten en de abnormale of goedgunstige voordelen die aan het centrum worden verleend. Op het aldus verkregen bedrag wordt het normale tarief van de vennootschapsbelasting (39%) toegepast (zonder toepassing van de verminderde tarieven). In principe is geen roerende voorheffing verschuldigd op: dividenden uitgekeerd aan aandeelhouders; intresten te betalen aan schuldeisers (behalve de intresten betaald aan natuurlijke of rechtspersonen, onderworpen aan de personen- of rechtspersonenbelasting); vergoedingen die verschuldigd zijn ingevolge de concessie van immateriële roerende goederen. Het voordeel van de fictieve roerende voorheffing is enkel nog van toepassing op de intresten van financieringscontracten die vóór 24 juli 1991 werden gesloten en op dividenden die betrekking hebben op het maatschappelijk kapitaal dat werd aangewend voor de financiering van investeringen in uitvoering van overeenkomsten die vóór 24 juli 1991 werden gesloten. Deze inkomsten moeten evenwel worden verleend of toegekend uiterlijk tijdens het laatste belastbare tijdperk van de eerste erkenningsperiode van het coördinatiecentrum. Vrijstelling van onroerende voorheffing. Vrijstelling van het evenredig registratierecht.

De coördinatiecentra moeten een jaarlijkse taks van 10.000 euro per voltijdse werknemer betalen. Het totale bedrag van de taks is beperkt tot maximaal 100.000 euro per coördinatiecentrum. Het personeelsbestand op 1 januari van het belastingjaar vormt de basis voor de berekening van deze taks.

Subsidiewegwijzer 2003

50

Aanvraagprocedure De aanvragen tot erkenning of tot hernieuwing van de erkenning moeten schriftelijk ingediend worden bij de minister van Financiën en bij de minister van Economische Zaken en moeten volgende gegevens bevatten: een lijst en organisatieschema van de leden van de groep; de balansen en de geconsolideerde resultatenrekeningen van de groep; de geconsolideerde jaarlijkse omzet van de groep, evenals het eigen vermogen; stukken die toelaten het multinationaal karakter van de groep te verifiëren; de door het centrum gekozen rechtsvorm en benaming; een gedetailleerde beschrijving van de activiteiten van het coördinatiecentrum; het aantal personeelsleden dat het coördinatiecentrum binnen de eerste twee jaar zal tewerkstellen; de vergoedingsmodaliteiten van het coördinatiecentrum; met betrekking tot de hernieuwingsaanvragen, de datum waarop de eerste erkenning een einde neemt. Bijkomende inlichtingen Ministerie van Financiën Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit Centrale diensten Dienst van Voorafgaande Beslissingen Rijksadministratief centrum Financietoren – bus 57 Kruidtuinlaan 50 1010 Brussel Tel.: 02/210.29.11 – 02/210.40.94 - 02/210.23.81 Ministerie van Financiën Algemeen Secretariaat Cel 'Fiscaliteit van de buitenlandse investeringen' Leuvenseweg 38 1000 Brussel Tel.: 02/233.82.64 – 02/233.82.54

3.

DISTRIBUTIECENTRA

Inhoud steunmaatregel De steunmaatregel van het ministerie van Financiën in het kader van de distributiecentra bestaat uit het toekennen van een bijzonder aanslagstelsel dat er op neerkomt dat het centrum geacht zal worden geen abnormale of goedgunstige voordelen te verlenen aan de andere ondernemingen waarmee ze verbonden is, wanneer de vergoeding voor haar diensten in het totaal een bepaald niveau bereikt. Dit stelsel wordt in principe toegestaan voor een bepaalde periode, die eventueel kan worden verlengd. Begunstigden Het bijzondere belastingstelsel dat van toepassing is op de distributiecentra geldt enkel voor bestaande of op te richten ondernemingen die aan de vennootschapsbelasting of de belasting van nietinwoners/vennootschappen zijn onderworpen en die zich ertoe beperken bepaalde activiteiten uit te oefenen. Diversen

Subsidiewegwijzer 2003

51

Om in aanmerking te kunnen komen voor het bijzondere stelsel, moet een distributiecentrum er zich toe beperken de hiernavolgende distributieactiviteiten of een deel ervan uit te oefenen, uitsluitend ten voordele van de vennootschappen van de groep waartoe het centrum behoort: de aankoop van grond- en hulpstoffen, van gerede producten en handelsgoederen, in eigen naam of in naam en voor rekening van de vennootschappen van de groep waarvoor ze bestemd zijn (de goederen mogen slechts bij Belgische vennootschappen van de groep worden aangekocht, wanneer het gebeurt tegen een prijs die de verkoper toelaat een normale winstmarge te verwezenlijken. Onder het hierboven vermelde begrip 'vennootschappen van de groep' moet worden verstaan de verbonden vennootschappen, zoals bepaald in het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen); de opslag in België, het beheer en het verpakken van de goederen, binnen bepaalde beperkingen; het opnemen van bestellingen gedaan door niet-leden van de groep, alsmede het opmaken en versturen van orderbevestigingen zonder dat het distributiecentrum de bestellingen mag aanvaarden; de verkoop en/of het vervoer en de levering van de goederen aan de vennootschappen van de groep; het vervoer en de levering van de goederen aan niet-leden van de groep, voor rekening van de vennootschappen van de groep; het opmaken en verzenden van de verkoopfacturen (met dien verstande dat wat betreft de verkopen aan niet-leden van de groep, de facturen moeten worden opgemaakt op naam en voor rekening van de leden van de groep die de goederen bij het distributiecentrum hebben aangekocht; de betaling van die facturen aan niet-leden van de groep mag evenwel niet aan het distributiecentrum gebeuren); het vervullen van financiële-, bank-, BTW-, douane-, accijns- en administratieve formaliteiten met betrekking tot de voormelde activiteiten.

-

-

De winst van een distributiecentrum is gelijk aan het totale bedrag van de belastbare gereserveerde winst, de verworpen uitgaven en de uitgekeerde dividenden. Evenwel wordt aangenomen dat een distributiecentrum geacht wordt geen abnormale of goedgunstige voordelen, in de zin van artikel 26 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wegens onvoldoende omzetcijfer, te verlenen aan de vennootschappen van de groep waartoe het behoort, voor zover zijn omzetcijfer niet lager is dan het totaal van de volgende bedragen: - de aanschaffingsprijs van grond- en hulpstoffen, van gerede producten en handelsgoederen die tijdens het belastbaar tijdperk werden verkocht; de kostprijs van de diensten die, binnen het kader van de aan het distributiecentrum toegelaten activiteiten, door derden aan het centrum worden geleverd mits het gaat om diensten die rechtstreeks hadden kunnen worden gefactureerd aan de vennootschappen van de groep waartoe het centrum behoort en die door de verstrekker tegen een prijs met inbegrip van een normale winstmarge worden gefactureerd; 105% van de overige werkingskosten;

-

De aldus vastgestelde winst mag worden verminderd met de vrijgestelde en de niet-belastbare bestanddelen (bijvoorbeeld de investeringsaftrek). Op de belastbare winst worden de normale belastingtarieven toegepast. Aanvraagprocedure Om in aanmerking te komen voor de toekenning van het bijzondere aanslagstelsel dient, ofwel vóór de oprichting van het distributiecentrum, ofwel tijdens het boekjaar voorafgaand aan datgene waarvoor het distributiecentrum voor de eerste maal het stelsel wenst te genieten, een aanvraag ingediend te worden bij de dienst van Voorafgaande Beslissingen van het ministerie van Financiën.

Subsidiewegwijzer 2003

52

In deze aanvraag dient een exacte omschrijving gegeven te worden van alle activiteiten die het centrum verricht. Daarnaast moet de zetel van de vennootschap vermeld zijn, en kunnen eventueel de statuten bijgevoegd worden.

Bijkomende inlichtingen Ministerie van Financiën Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit Centrale diensten Dienst van Voorafgaande Beslissingen Rijksadministratief centrum Financietoren – bus 57 Kruidtuinlaan 50 1010 Brussel Tel.: 02/210.29.11 – 02/210.40.94 - 02/210.23.81

4.

DIENSTENCENTRA

Inhoud steunmaatregel De steunmaatregel van het ministerie van Financiën in het kader van de dienstencentra bestaat uit het toekennen van een bijzonder aanslagstelsel dat er op neerkomt dat het centrum geacht zal worden geen abnormale of goedgunstige voordelen te verlenen aan de andere ondernemingen waarmee ze verbonden is, wanneer de vergoeding voor haar diensten in het totaal een bepaald niveau bereikt. Dit stelsel wordt in principe toegestaan voor een bepaalde periode, die eventueel kan worden verlengd. Begunstigden Het bijzondere belastingstelsel dat van toepassing is op de dienstencentra geldt enkel voor bestaande of op te richten ondernemingen die aan de vennootschapsbelasting of de belasting van nietinwoners/vennootschappen zijn onderworpen en die zich ertoe beperken bepaalde activiteiten uit te oefenen. Diversen De activiteiten die voor de toelating in aanmerking kunnen komen, kunnen in vier grote categorieën worden ingedeeld: a) Werkzaamheden die van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulpwerkzaamheden hebben Kunnen bijvoorbeeld tot deze categorie van activiteiten behoren: - het beheer, ten voordele van een groep van luchtvaartmaatschappijen, van een gegevensbank die door de klanten afgelegde vliegafstanden bijhoudt; - de logistieke verrichtingen inherent aan de permanente beroepsvorming van het personeel van de vennootschappen van de groep; - het beheer van operationele communicatiestromen binnen of buiten de groep; - de centralisatie van aankopen van handelsgoederen verricht voor rekening van de vennootschappen van de groep; - de verrichtingen op het gebied van het wetenschappelijk onderzoek, voor zover zij van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulpwerkzaamheid hebben. b) Activiteiten inzake informatieverstrekking aan de klanten

Subsidiewegwijzer 2003

53

Tot deze categorie behoren de activiteiten die erin bestaan vragen van klanten te beantwoorden op het vlak van hulpverlening of inzake het verstrekken van inlichtingen betreffende de door de vennootschappen van de groep verkochte goederen of verstrekte diensten. c) Activiteiten die op een passieve wijze bijdragen tot verkoopverrichtingen Een passieve bijdrage impliceert dat het dienstencentrum over geen autonome beslissingsbevoegdheid beschikt en dat het dus uitsluitend in naam en voor rekening van de vennootschappen van de groep handelt. Het dienstencentrum draagt bijgevolg geen ondernemingsrisico. Bij wijze van voorbeeld kan het opnemen (of het bevestigen) van bestellingen gedaan door niet-leden van de groep worden aangehaald. In het onderhavige geval mag het dienstencentrum noch op enige wijze onderhandelen, noch de verkoop zelf aanvaarden, maar moet het een rol van een passieve tussenschakel vervullen. d) Activiteiten die een actieve tussenkomst in de verkopen impliceren Het kan gebeuren dat een dienstencentrum werkelijk optreedt als een tussenpersoon bij de verkoop van goederen of het leveren van diensten die door de vennootschappen van de groep worden aangeboden. In het onderhavige geval treedt het centrum in eigen naam op voor rekening van deze vennootschappen. Het centrum kan bijvoorbeeld bevoegd zijn om een bestelling te aanvaarden waarvan de voorwaarden voorafgaand werden vastgesteld. De aandacht wordt er op gevestigd dat zuivere commerciële activiteiten (directe verkoop, marketing, televerkoop, klantenwerving, enzovoort) alsmede elke tussenkomst in het productieproces als niet toegelaten activiteiten worden aangemerkt. Onafhankelijke ondernemingen, dit wil zeggen, diegene welke geen deel uitmaken van een groep verbonden vennootschappen, zijn uitgesloten van het bijzondere aanslagstelsel, zelfs wanneer hun benaming en hun uitgeoefende activiteiten gelijken op deze van een dienstencentrum. De winst van een dienstencentrum is gelijk aan het totale bedrag van de belastbare gereserveerde winst, de verworpen uitgaven en de uitgekeerde dividenden. Evenwel wordt aangenomen dat een dienstencentrum geacht wordt geen abnormale of goedgunstige voordelen in de zin van artikel 26 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wegens onvoldoende omzetcijfer, te verlenen aan de vennootschappen van de groep waartoe het behoort, voor zover zijn omzetcijfer niet lager is dan het totaal (A + B) waarbij: A: de werkingskosten betreffende activiteiten die geen actieve tussenkomst in de verkopen impliceren (activiteitencategorie a tot c), verhoogd met een bepaald percentage daarvan (Cost plus-methode); B: een bepaald percentage van de omvang van de verkopen waarvoor het centrum is tussengekomen in de hoedanigheid van actief tussenpersoon (activiteitencategorie d), (Resale minus-methode).

De voormelde Cost plus-methode bestaat erin 100% van de werkingskosten in aanmerking te nemen die met de desbetreffende activiteiten verband houden en hierop een bepaald percentage toe te passen. Dat percentage kan variëren van 5 tot 15%. De methode is van toepassing voor: - de werkzaamheden die van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulpwerkzaamheden hebben: richtpercentage = 5%; - de activiteiten inzake informatieverstrekking aan de klanten: richtpercentage = 10%; - de activiteiten die op een passieve wijze bijdragen tot verkoopverrichtingen: richtpercentage = 15%. De werkingskosten waarop die percentages van toepassing zijn, omvatten het totale bedrag van de kosten opgenomen onder de rekeningen 60 tot 64 van de Minimumindeling van het Algemeen Rekeningenstelsel (MAR). Evenwel kan worden aanvaard dat zonder een marge aan de vennootschappen van de groep worden doorgefactureerd of aangerekend: - de personeelskosten, die alle kosten van het personeel omvatten, zoals de toegekende bezoldigingen en de rechtstreekse sociale voordelen, de werkgeversbijdrage voor sociale zekerheid en de werkgeverspremies voor bovenwettelijke verzekeringen;

Subsidiewegwijzer 2003

54

-

de kostprijs van diensten die, binnen het kader van de aan het dienstencentrum toegelaten activiteiten, door derden aan het centrum worden geleverd, mits het gaat om diensten die rechtstreeks hadden kunnen worden gefactureerd aan de vennootschappen van de groep waartoe het centrum behoort en die door de verstrekker tegen een prijs met inbegrip van een normale winstmarge worden gefactureerd.

De voormelde Resale minus-methode is daarentegen uitsluitend voorbehouden voor de gevallen waarin het dienstencentrum activiteiten uitoefent die een actieve tussenkomst in de verkopen impliceren en strekt ertoe de minimale vergoeding vast te stellen die het centrum zich onder de vorm van een marge had moeten toekennen voor zijn activiteit als tussenpersoon in de verkoop van goederen of diensten voor rekening van de vennootschappen van de groep. Die vergoeding wordt bepaald door een bepaald percentage toe te passen op het uitgedrukte bedrag van de verkopen waarvoor het centrum als tussenpersoon is tussengekomen. Dit percentage wordt geval per geval vastgesteld in functie van de werkelijke aard van de bijdrage van het dienstencentrum, alsmede van het door dat centrum gedragen risico, zonder 5% te overtreffen. De aldus vastgestelde winst mag worden verminderd met de vrijgestelde en de niet belastbare bestanddelen (bijvoorbeeld de investeringsaftrek). Op de belastbare winst worden de normale belastingtarieven toegepast. Aanvraagprocedure Om in aanmerking te komen voor de toekenning van het bijzondere aanslagstelsel dient, ofwel vóór de oprichting van het dienstencentrum, ofwel tijdens het boekjaar voorafgaand aan datgene waarvoor het dienstencentrum voor de eerste maal het stelsel wenst te genieten, een aanvraag ingediend te worden bij de dienst van Voorafgaande Beslissingen van het ministerie van Financiën. In deze aanvraag dient een exacte omschrijving gegeven te worden van alle activiteiten die het centrum verricht. Daarnaast moet de zetel van de vennootschap vermeld zijn, en kunnen eventueel de statuten bijgevoegd worden. Wat betreft de activiteiten (inzonderheid die, welke een actieve tussenkomst in de verkopen impliceren) kan ter verantwoording van de vergoedingswijze voor de geleverde diensten eventueel een afschrift van de tussen het dienstencentrum en de vennootschappen van de groep gesloten overeenkomsten bijgevoegd worden. Ook een nauwkeurige toelichting betreffende de aard en omvang van de door het dienstencentrum gedragen risico’s kan nuttig zijn.

Bijkomende inlichtingen Ministerie van Financiën Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit Centrale diensten Dienst van Voorafgaande Beslissingen Rijksadministratief centrum Financietoren – bus 57 Kruidtuinlaan 50 1010 Brussel Tel.: 02/210.29.11 - 02/210.40.94 - 02/210.23.81

5. VRIJSTELLING VOOR BIJKOMEND PERSONEEL VOOR WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK EN UITVOER Inhoud steunmaatregel De vrijstelling voor bijkomend personeel voor wetenschappelijk onderzoek en uitvoer is een fiscale steunmaatregel van het ministerie van Financiën die voorziet in een vrijstelling van de belastbare winsten tot een bedrag van 10.000 euro, (geïndexeerd voor het aanslagjaar 2003: 11.800 euro) per bijkomende personeelseenheid die in België voltijds wordt tewerkgesteld voor bepaalde doeleinden.

Subsidiewegwijzer 2003

55

Begunstigden De vrijstelling is toepasselijk op de winst van landbouw-, nijverheids- en handelsondernemingen. Dit kunnen startende en bestaande kleine, middelgrote en grote ondernemingen zijn. De vrijstelling wordt niet toegekend voor personeel tewerkgesteld door natuurlijke personen die vrije beroepen, ambten, posten of andere winstgevende bezigheden uitoefenen. Projecten Volgende projecten komen in aanmerking: - aanwerving in het kader van wetenschappelijk onderzoek; - aanwerving in het kader van de uitbouw van het technologisch potentieel van de onderneming; - aanwerving van een diensthoofd voor de uitvoer; - aanwerving van een diensthoofd van de afdeling integrale kwaliteitszorg. Diversen Indien een voltijds diensthoofd van de onderneming wordt aangesteld als diensthoofd voor de uitvoer of als diensthoofd van de afdeling integrale kwaliteitszorg wordt eveneens een vrijstelling toegekend indien de onderneming binnen de 30 dagen die volgen op die aanstelling een nieuwe voltijdse werknemer aanwerft om de vrijgekomen betrekking in te nemen. Het bedrag van de vrijstelling wordt verhoogd tot 20.000 euro, (geïndexeerd voor het aanslagjaar 2003: 23.590 euro) wanneer de nieuw aangeworven persoon een hooggekwalificeerd onderzoeker is die in de onderneming in België wordt tewerkgesteld voor wetenschappelijk onderzoek. De vrijstelling wordt toegestaan in de belastingaangifte van het boekjaar waarin de bijkomende aanwervingen plaats hadden. Wanneer een personeelslid niet meer voor de voormelde doeleinden wordt tewerkgesteld, wordt het totale bedrag van de voorheen vrijgestelde winst verminderd ten belope van het vrijgestelde bedrag waarop deze persoon oorspronkelijk recht heeft gegeven, en wordt de winst of het verlies van het belastbare tijdperk waarin het personeel niet meer wordt tewerkgesteld vermeerderd of verminderd met dat bedrag. Het vrijgestelde bedrag of een deel daarvan dat ten gevolge van geen of onvoldoende inkomsten niet kan afgetrokken worden, mag niet overgedragen worden naar de volgende belastbare tijdperken. De vrijstelling voor bijkomend personeel voor wetenschappelijk onderzoek en voor uitvoer is niet cumuleerbaar met de vrijstelling voor bijkomend personeel voor ondernemingen met minder dan 11 werknemers. Aanvraagprocedure De aftrek is eenmalig en gebeurt naar aanleiding van de belastingaangifte waaraan een aantal bij koninklijk besluit vastgelegde bescheiden moeten worden toegevoegd. Bijkomende inlichtingen Ministerie van Financiën Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit Financietoren – bus 61 Kruidtuinlaan 50 1010 Brussel Tel.: 02/210.29.11 (algemeen nummer) - 02/210.23.65 Ministerie van Economische Zaken Bestuur Kwaliteit en Veiligheid

Subsidiewegwijzer 2003

56

Afdeling Kwaliteit - Dienst Accreditatie North Gate III (4de verdieping) Koning Albert II-laan 16 1000 Brussel Tel.: 02/206.47.30 Ministerie van Middenstand en Landbouw Bestuur van het KMO-beleid WTC-toren 3 (27ste verdieping) Simon Bolivarlaan 30 1000 Brussel Tel.: 02/208.32.11 Federale Diensten voor Wetenschappelijke, Technische en Culturele Aangelegenheden Dienst Productie en Analyse van Onderzoek- en Ontwikkelingsindicatoren Wetenschapsstraat 8 1000 Brussel Tel.: 02/238.36.70 Belgische Dienst voor Buitenlandse Handel Dienst Promotieacties WTC-toren 1, bus 36 Koning Albert II-laan 30 1000 Brussel Tel.: 02/206.35.11

6. {PRIVATE }{PRIVATE }VRIJSTELLING VOOR BIJKOMEND PERSONEEL VOOR ONDERNEMINGEN MET MINDER DAN 11 WERKNEMERS EN VOOR VRIJE BEROEPEN Inhoud steunmaatregel De vrijstelling voor bijkomend personeel voor ondernemingen met minder dan 11 werknemers en voor vrije beroepen is een fiscale steunmaatregel van het ministerie van Financiën. Inzake personenbelasting, vennootschapsbelasting en belasting van niet-inwoners kan een vrijstelling van 3.718,40 euro (te indexeren) worden verleend per in België bijkomend tewerkgestelde personeelseenheid waarvan het bruto dag- of uurloon niet hoger is dan een bij koninklijk besluit bepaald bedrag (respectievelijk 79,82 euro en 10,51 euro). Voor het aanslagjaar 2003 bedraagt de vrijstelling 4.390 euro. Begunstigden Deze steunmaatregel geldt voor nijverheids-, handels- en landbouwondernemingen die op 31 december 1997 of op het einde van het jaar waarin de exploitatie is aangevangen, als die aanvang op een latere datum valt, minder dan 11 werknemers tewerkstellen. Ook vrije beroepen, ambten, posten of andere winstgevende bezigheden komen in aanmerking voor deze fiscale steunverlening. Projecten Volgend project komt in aanmerking: - aanwerving van een bijkomende werknemer. Diversen De vrijstelling wordt slechts verleend op de winst of op de baten van de belastbare tijdperken die samenvallen met de jaren 1998, 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003 of, wanneer de boekhouding niet per kalenderjaar wordt gevoerd, met het eerste boekjaar dat wordt afgesloten respectievelijk na 31 december 1998, 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003.

Subsidiewegwijzer 2003

57

Het aantal in België bijkomend tewerkgestelde personeelseenheden wordt vastgesteld door het gemiddeld personeelsbestand tijdens de jaren 1998, 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003 respectievelijk te vergelijken met dat van de jaren 1997, 1998, 1999, 2000, 2001 en 2002. Er wordt geen rekening gehouden met de personeelsaangroei die het gevolg is van de overname van werknemers welke reeds vóór 1 januari 1998 waren aangeworven: - ofwel door een onderneming waarmee enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bestaat; - ofwel door een belastingplichtige waarvan de beroepswerkzaamheid geheel of gedeeltelijk wordt voortgezet. Indien het gemiddeld personeelsbestand tijdens het jaar volgend op de vrijstelling is verminderd ten opzichte van het jaar van vrijstelling wordt de voorheen verleende vrijstelling verminderd met 3.718,40 euro (te indexeren) per afgevloeid personeelslid. Dat bedrag wordt als winst of baten van het volgend belastbaar tijdperk beschouwd. Indien en in de mate dat de bijkomende tewerkstelling werd behouden door de werkgever die het personeel heeft overgenomen, is die vermindering in bepaalde gevallen evenwel niet van toepassing. Deze vrijstelling voor bijkomend personeel is niet cumuleerbaar met de vrijstelling voor bijkomend personeel voor wetenschappelijk onderzoek en uitvoer. Bijkomende inlichtingen Ministerie van Middenstand en Landbouw Informatieambtenaar Tel.: 02/208.45.21 Ministerie van Financiën Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit Financietoren – bus 61 Kruidtuinlaan 50 1010 Brussel Tel.: 02/210.29.11 (algemeen nummer) - 02/210.23.65

Subsidiewegwijzer 2003

58

DEEL III : STEUN BIJ AANWERVINGEN 1. PARAFISCALE MAATREGELEN

1.1 ACTIVAPLAN (BEVORDERING VAN DE TEWERKSTELLING VAN LANGDURIG WERKZOEKENDEN) Inhoud steunmaatregel Het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van langdurig werkzoekenden, kent een vermindering van de werkgeversbijdragen toe aan werkgevers van de privé-sector en van de openbare sector, voor de indienstneming van een of meer werkzoekenden die de gestelde voorwaarden vervullen. Hetzelfde koninklijk besluit stelt de voorwaarden vast waaronder de aangeworven werknemer eventueel een werkuitkering (activering van de werkloosheidsuitkering) kan verkrijgen. Deze vermindering geldt voor de indienstnemingen die plaatsvinden vanaf 1 januari 2002. Begunstigden Alle werkgevers, zowel van de privé-sector als van de openbare sector, komen in aanmerking voor deze maatregel. Zijn evenwel uitgesloten: - het Rijk, met uitzondering van de werknemers aangeworven in een doorstromingsprogramma in toepassing van het koninklijk besluit van 9 juni 1997; - de Gemeenschappen en Gewesten, met uitzondering van de werknemers aangeworven door onderwijsinstellingen en van de werknemers aangeworven in een doorstromingsprogramma in toepassing van het koninklijk besluit van 9 juni 1997; - de instellingen van openbaar nut en de openbare instellingen die van de hiervoor genoemde overheden afhangen met uitzondering van de werknemers aangeworven door onderwijsinstellingen en de werknemers aangeworven in een doorstromingsprogramma in toepassing van het koninklijk besluit van 9 juni 1997. Om de vermindering te genieten moet de werkgever zijn verplichtingen in het kader van startbaanovereenkomsten naleven. Projecten Het gaat om de werkzoekenden die in dienst worden genomen met een schriftelijke arbeidsovereenkomst van minstens 50% van een voltijdse betrekking. De werkzoekenden moeten behoren tot één van de volgende categorieën: 1) de werkzoekende die: - op het ogenblik van de indienstneming minder dan 45 jaar is; - op het ogenblik van de indienstneming werkzoekende is; - in de loop van de 18 kalendermaanden voorafgaand aan de maand van indienstneming werkzoekende is geweest gedurende minstens 312 dagen, gerekend in het zesdaagse stelsel. 2) de werkzoekende die: - op het ogenblik van de indienstneming minder dan 45 jaar is; - op het ogenblik van de indienstneming werkzoekende is; - in de loop van de 36 kalendermaanden voorafgaand aan de maand van indienstneming werkzoekende is geweest gedurende ten minste 624 dagen, gerekend in het zesdaagse stelsel. 3) de werkzoekende die: - op het ogenblik van de indienstneming minstens 45 jaar is; - op het ogenblik van de indienstneming werkzoekende is; - in de loop van de 9 kalendermaanden voorafgaand aan de maand van indienstneming werkzoekende is geweest gedurende ten minste 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel.

Subsidiewegwijzer 2003

59

4) werkzoekende die: - op het ogenblik van de indienstneming minstens dan 45 jaar is; - op het ogenblik van de indienstneming werkzoekende is; - in de loop van de 18 kalendermaanden voorafgaand aan de maand van indienstneming werkzoekende is geweest gedurende minstens 312 dagen of in de loop van de 36 kalendermaanden voorafgaand aan de maand van indienstneming gedurende ten minste 624 dagen, telkens gerekend in het zesdaagse stelsel. Diversen De vermindering bestaat in de vrijstelling van betaling van een percentage van de werkgeversbijdragen die betrekking hebben op de volgende regelingen: - rust- en overlevingspensioen der werknemers; - ziekte- en invaliditeitsverzekering; - werkloosheid, met inbegrip van de speciale bijdrage die de werkgevers slechts betalen indien zij op 30 juni van het voorgaande jaar minstens 10 werknemers tewerkstelden; - kinderbijslagen; - arbeidsongevallen; - beroepsziekten; - loonmatigingsbijdrage. De vermindering geldt niet voor de andere bijdragen, zoals de bijdragen voor jaarlijkse vakantie van de werklieden, de bijdrage voor het betaald educatief verlof, de bijdragen voor sluiting van ondernemingen, de bestaanszekerheidsbijdragen, ... Voor de werkzoekende van categorie 1, bedraagt de vermindering: - 75% voor het kwartaal van indiensttreding en de vier daaropvolgende kwartalen; - 50% voor de periode gaande van het vijfde kwartaal tot en met het achtste kwartaal dat volgt op het kwartaal van indiensttreding. Voor de werkzoekende van categorie 2, bedraagt de vermindering: - 100% voor het kwartaal van indiensttreding en de vier daaropvolgende kwartalen; - 75% voor de periode gaande van het vijfde kwartaal tot en met het achtste kwartaal dat volgt op het kwartaal van indiensttreding. Voor de werkzoekende van categorie 3, bedraagt de vermindering: - 75% voor het kwartaal van indiensttreding en de vier daaropvolgende kwartalen; - 50% voor de periode gaande van het vijfde kwartaal tot en met het twintigste kwartaal dat volgt op het kwartaal van indiensttreding. Voor de werkzoekende van categorie 4, bedraagt de vermindering: - 100% voor het kwartaal van indiensttreding en de vier daaropvolgende kwartalen; - 75% voor de periode gaande van het vijfde kwartaal tot en met het twintigste kwartaal dat volgt op het kwartaal van indiensttreding. Opmerking Wanneer een werkgever reeds van de voordelen van deze vermindering genoten heeft voor een werknemer en hij deze terug in dienst neemt binnen een periode van twaalf maanden na de beëindiging van de vorige arbeidsovereenkomst, worden voor de vaststelling van het percentage en de duur van de vermindering, beide tewerkstellingen als één tewerkstelling beschouwd. De periode gelegen tussen de arbeidsovereenkomsten verlengt de periode tijdens dewelke de voordelen worden toegekend, niet. Wanneer de werknemer recht heeft op een werkuitkering ten laste van de RVA, dan maakt deze werkuitkering deel uit van het brutoloon waarop de bijdragen voor sociale zekerheid (en de bedrijfsvoorheffing) worden berekend. De werkuitkering moet wel van het nettoloon worden afgetrokken. Toegestane cumulaties De vermindering is cumuleerbaar met de verminderingen in het kader van: - de arbeidsduurvermindering tot 38 uren per week; - de arbeidsduurvermindering onder de 38 uren per week;

Subsidiewegwijzer 2003

60

-

de instelling van de vierdagenweek; de vermindering van 10% in het kader van de startbaanovereenkomsten.

Aanvraagprocedure De werkzoekende die voldoen aan de voorwaarden voor de vermindering van bijdragen, kunnen bij het regionaal bureau van de RVA waarvan zij afhangen, een werkkaart bekomen als bewijs van deze hoedanigheid. Indien de werkzoekende op het ogenblik van zijn aanwerving niet in het bezit is van een geldige werkkaart, dan kan ook de werkgever de kaart aanvragen bij de RVA. De aanvraag die van de werkgever uitgaat zal enkel geldig zijn indien zij voor iedere werkzoekende afzonderlijk gebeurt, en wordt slechts aanvaard voorzover op die aanvraag de namen van de werkgever en van de werknemer vermeld zijn, alsook het domicilie van de werknemers, zijn identificatienummer voor de sociale zekerheid en de datum van zijn indiensttreding. De aanvraag van een werkkaart moet gebeuren bij het regionaal bureau van de RVA, uiterlijk de 30ste dag die volgt op de datum van indienstneming. De werkgever verliest het voordeel van de vermindering van bijdragen indien de termijn niet is geëerbiedigd. De werkkaart moet binnnen dezelfde termijn worden aangevraagd voor de aanwervingen die gebeuren bij het beëindigen van een startbaanovereenkomst. Opmerking De voordelen van het activaplan worden niet toegekend voor een werknemer die door dezelfde werkgever terug in dienst genomen wordt binnen een periode van twaalf maanden na de beëindiging van de vorige arbeidsovereenkomst die gesloten was voor een onbepaalde duur, wanneer de werkgever voor deze werknemer en voor deze tewerkstelling genoten heeft van de voordelen van het banenplan voor werkzoekende. Dit geldt evenwel niet voor de arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur die gesloten is in het kader van een doorstromingsprogramma in toepassing van het koninklijk besluit van 9 juni 1997.

Bijkomende inlichtingen Rijksdienst voor Sociale Zekerheid Informatiedienst Waterloolaan 76 1000 Brussel Tel.: 02/509.36.08 tot en met 36.13 Fax: 02/509.30.17 – 02/509.39.64 Website: http://www.rsz.fgov.be

1.2 STRUCTURELE VERMINDERING Inhoud steunmaatregel Vanaf het tweede kwartaal van 1999 is een nieuw systeem van bijdragevermindering van kracht. Dit systeem voert in feite een fusie door tussen de bijdragevermindering op de lage lonen en de Maribelvermindering. Aangezien de Maribel-vermindering niet geldig was voor bedienden en evenmin voor arbeiders van werkgevers die geen economische finaliteit hadden of die behoorden tot één van de zogenaamde sterke sectoren, begint het nieuwe systeem met een overgangsfase. Tijdens die fase is de vermindering kleiner voor werknemers die niet voor de Maribel-vermindering in aanmerking kwamen. Het verschil tussen

Subsidiewegwijzer 2003

61

beide categorieën zal geleidelijk opgeheven worden, en niet meer bestaan vanaf 2004. De vermindering is eveneens kleiner voor de werknemers die in aanmerking komen voor de Sociale Maribel. Begunstigden Alle werkgevers uit de privé-sector en de openbare sector kunnen in beginsel de vermindering genieten. Uit de afbakening van de werknemers die voor de vermindering in aanmerking komen, volgt echter dat de meeste bij de RSZ aangesloten openbare besturen en een aantal werkgevers uit de privé-sector het voordeel niet kunnen toepassen. Om voor de vermindering in aanmerking te komen, moet de werknemer vallen onder alle in de sociale zekerheid opgenomen regelingen. Voor de privé-sector komen dus onder andere niet in aanmerking: - de dienstboden; - de erkende leerlingen; - de industriële leerlingen; - de deeltijds leerplichtigen; - de stagiairs in opleiding tot ondernemingshoofd; - de betaalde sportbeoefenaars; - gelegenheidsarbeiders in de tuinbouw; - de geneesheren in opleiding tot specialist. De meeste statutaire en contractuele personeelsleden van de openbare sector vallen niet onder alle socialezekerheidsregelingen en komen bijgevolg niet voor de vermindering in aanmerking. De mogelijkheid om de vermindering toe te passen is bijgevolg alleen voorzien op de aangiften van die werkgevers uit de openbare sector die personeelsleden kunnen tewerkstellen die onder alle regelingen vallen (bijvoorbeeld kerkfabrieken, erkende maatschappijen voor het bouwen van goedkope woningen, polders en wateringen, bepaalde plaatselijke vervoersmaatschappijen,...). Projecten Volgend project komt in aanmerking: - tewerkstelling van werknemers. Diversen De berekening levert een forfaitair verminderingsbedrag op dat men in mindering mag brengen van de voor de werknemer verschuldigde werkgeversbijdragen voor: - de rust- en overlevingspensioenen voor werknemers; - de ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector geneeskundige verzorging; - de ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen; - de werkloosheid, enkel de bijdrage die door iedere werkgever verschuldigd is; - de kinderbijslagen; - de beroepsziekten; - de arbeidsongevallen. De vermindering heeft loonmatigingsbijdrage. eveneens betrekking op de verschillende componenten van de

De bijdrage voor werkloosheid die enkel verschuldigd is door de werkgevers die op 30 juni van het voorgaande jaar 10 of meer werknemers tewerkstelden (momenteel 1,60%), blijft verschuldigd. Dit systeem van bijdragevermindering is cumuleerbaar met: - de Sociale Maribel; - de bedrijfsplannen; - de vermindering ingevolge collectieve arbeidsduurvermindering; - de verminderingen voor vervangers van personen in loopbaanonderbreking en van halftijds bruggepensioneerden; - de vermindering in het kader van de vierdagenweek;

Subsidiewegwijzer 2003

62

-

de vermindering toegekend voor gesubsidieerde contractuelen.

Aanvraagprocedure Men vult de vereiste rubrieken van de kwartaalaangifte in.

Bijkomende inlichtingen Rijksdienst voor Sociale Zekerheid Informatiedienst Waterloolaan 76 1000 Brussel Tel.: 02/509.36.08 tot en met 36.13 Fax: 02/509.30.17 – 02/509.39.64 Website: http://www.rsz.fgov.be

1.3 BEVORDERING VAN DE TEWERKSTELLING IN DE NON-PROFITSECTOR (SOCIALE MARIBEL) Inhoud steunmaatregel Een koninklijk besluit van 18 juli 2002 regelt een nieuw systeem van bijdragevermindering, hoofdzakelijk voor de non-profitsector. De betrokken werkgevers hebben recht op een forfaitaire vermindering voor iedere werknemer die tijdens het kwartaal ten minste 50 % presteert (22 % voor de sector van de beschutte werkplaatsen) van het aantal arbeidsdagen of arbeidsuren van een voltijdse betrekking. Het bedrag van de vermindering wordt door de RSZ zelf berekend en doorgestort aan de daartoe opgerichte sociale fondsen. De werkgever moet evenwel met de vermindering sociale maribel rekening houden om het maximumbedrag te bepalen dat nog in aanmerking komt voor eventuele andere verminderingen die hij nog kan toepassen. Begunstigden De maatregel betreft werkgevers die voor hun aangegeven werknemers ressorteren onder de volgende paritaire comités: - Paritair Subcomité voor de privé-ziekenhuizen; - Paritair Subcomité voor de gezondheidsinrichtingen en -diensten; - Paritair Comité voor de diensten voor gezins- en bejaardenhulp; - Paritair Subcomité voor de diensten voor gezins- en bejaardenhulp van de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Duitstalige Gemeenschap; - Paritair Subcomité voor de diensten voor gezins- en bejaardenhulp van de Vlaamse Gemeenschap; - Paritair Comité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen en -diensten; - Paritair Subcomité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen van de Vlaamse Gemeenschap; - Paritair Subcomité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen van de Franse Gemeenschap; - Paritair Comité voor de beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen; - Paritair Comité voor de socio-culturele sector. Het toepassingsgebied van de maatregel omvat ook enkele werkgevers die behoren tot de openbare sector. Projecten De werkgever heeft recht op de vermindering voor iedere werknemer die voor het kwartaal ten minste 50% van het aantal arbeidsdagen of arbeidsuren presteert, voorzien in de betreffende sector voor een

Subsidiewegwijzer 2003

63

voltijdse betrekking. In afwijking daarop is voor de sector der beschutte werkplaatsen een minimum van 22% vereist. Diversen Bedrag van de vermindering Voor de meeste betrokken werkgevers bedraagt de vermindering per rechtgevende werknemer 288,18 euro. De werkgevers voor wie een afwijkend bedrag van toepassing is, zijn daarvan op de hoogte. Nazicht van het effect op de bijkomende tewerkstelling De opbrengst van de sociale maribel moet worden omgezet in bijkomende tewerkstelling en verhoging van het arbeidsvolume. Voor precieze inlichtingen over de manier waarop zal worden nagezien of aan deze voorwaarde is voldaan, kunt u zich wenden tot de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Toegelaten cumulaties Per werknemer die het recht opent op de sociale maribel, moet het totaal bedrag van werkgeversbijdragen dat voor de andere verminderingen beschikbaar is, vooraf verminderd worden met het forfaitaire bedrag van de sociale maribel. Voor de meeste werkgevers is dit forfaitair bedrag per werknemer vastgesteld op 288,18 euro. De werkgevers voor wie een afwijkend bedrag geldt, zijn daarvan op de hoogte. Aanvraagprocedure De werkgevers moeten niets in hun aangifte vermelden. De RSZ berekent zelf het bedrag van de vermindering. De werkgevers die behoren tot het paritair subcomité 305.02 (gezondheidszorgen andere dan ziekenhuizen), moeten bij het invullen van hun aangifte verplicht een verdere onderverdeling van het paritair subcomité gebruiken.

Bijkomende inlichtingen Rijksdienst voor Sociale Zekerheid Waterloolaan 76 1000 Brussel Tel.: 02/509.31.11 Fax : 02/509.39.64 Website: http://www.rsz.fgov.be

1.4 VERMINDERING VAN DE WERKNEMERSBIJDRAGEN VOOR WERKNEMERS MET LAGE LONEN Inhoud steunmaatregel Van 1 januari 2000 tot 31 december 2003 wordt een systeem van vermindering van de werknemersbijdragen van kracht, dat tot doel heeft werknemers met een laag loon een groter nettoloon te garanderen, zonder daarbij het brutoloon te verhogen. Begunstigden

Subsidiewegwijzer 2003

64

Het gaat om de werknemers van de privé-sector en van de openbare sector die een werknemersbijdrage van 13,07% verschuldigd zijn. Voor de privé-sector komen dus onder andere niet in aanmerking: - erkende leerlingen; - de industriële leerlingen; - de leerlingen met een inschakelingsovereenkomst; - deeltijds leerplichtigen; - de stagiairs in opleiding tot ondernemingshoofd; - de geneesheren in opleiding tot specialist. De meeste statutaire personeelsleden van de openbare sector komen dus evenmin voor de vermindering in aanmerking. Projecten Volgende projecten komen in aanmerking: - tewerkstelling van werknemers met lage lonen; - … Diversen De vermindering bestaat uit een forfaitair bedrag dat geleidelijk vermindert naarmate het loon groter wordt. De werkgever brengt het bedrag in mindering van de normale werknemersbijdragen (13,07% van het brutoloon) bij de betaling van het loon. Indien het loon wordt betaald volgens een andere periodiciteit dan de maandelijkse, berekent de werkgever de vermindering bij de laatste betaling die op de kalendermaand betrekking heeft. In dat geval is de berekening gebaseerd op de dagen en de lonen die op die kalendermaand betrekking hebben. Voor werknemers die binnen de maand met opeenvolgende overeenkomsten werken, wordt het verminderingsbedrag verrekend aan het einde van iedere overeenkomst of bij iedere betaling die betrekking heeft op die overeenkomsten. Men berekent de vermindering voor iedere werknemer apart. Deze berekening omvat drie stappen: - eerst bepaalt men het refertemaandloon van de werknemer; - op basis van dat refertemaandloon bepaalt met het basisbedrag van de vermindering; - ten slotte stelt men het verminderingsbedrag vast door het basisbedrag te corrigeren bij onvolledige prestaties en bij deeltijdse werknemers. Per werknemer mag het totaal van de vermindering niet meer bedragen dan 981,66 euro per kalenderjaar vanaf 2001. Bijkomende inlichtingen Rijksdienst voor Sociale Zekerheid Informatiedienst Waterloolaan 76 1000 Brussel Tel.: 02/509.36.08 tot en met 36.13 Fax: 02/509.39.64 Website: http://www.rsz.fgov.be

Subsidiewegwijzer 2003

65

1.5 AANWERVING VAN WERKEN EN LEREN) Inhoud steunmaatregel

SOMMIGE

CATEGORIEEN

JONGEREN

(ALTERNEREND

Het koninklijk besluit nummer 495 van 31/12/86 betreffende de invoering van het stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding beoogt de inschakeling van jongeren tussen 18 en 25 jaar in het beroepsleven te bevorderen. De werkgevers die deze jongeren in het kader van dit stelsel in dienst nemen, kunnen - onder bepaalde voorwaarden - een gedeeltelijke vrijstelling van de werkgeversbijdragen bekomen. Bepaalde deeltijds leerplichtigen en bepaalde leerlingen kunnen eveneens recht op het voordeel openen. De overeenkomst werk-opleiding bestaat hoofdzakelijk uit het afsluiten van twee overeenkomsten met bepaalde jonge werkzoekenden van ouder dan 18 jaar of niet meer leerplichtig, en jonger dan 25 jaar. Het betreft een arbeidsovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd en een overeenkomst werkopleiding. Het afsluiten van die overeenkomsten biedt de betrokken jongeren de mogelijkheid om, tijdens een gedeelte van hun tewerkstelling, een opleiding te volgen die rechtstreeks verband houdt met de functie die zij uitoefenen in het kader van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Begunstigden De vrijstelling van de werkgeversbijdragen in het kader van een alternerende tewerkstelling en opleiding van jongeren tussen 18 en 25 jaar kan bekomen worden door elke startende of bestaande onderneming. Er zijn geen activiteitensectoren of ondernemingstypes uitgesloten. Ook overheidsdiensten kunnen overeenkomsten werk-opleiding sluiten. Projecten Volgende projecten komen in aanmerking: - aanwerving van een deeltijds leerplichtige; - aanwerving van een jongere tussen 18 en 25 jaar die niet over een diploma hoger onderwijs beschikt; - … Diversen Gedeeltelijke vrijstelling van patronale bijdragen bij de aanwerving van een jongere in het kader van een aantal formules waarbij werk en opleiding worden gecombineerd. jongeren tussen 18 en 25 jaar: de betrokken werknemer is tussen 18 en 25 jaar en beschikt niet over een opleiding hoger onderwijs. Hij moet aangeworven worden in het kader van een deeltijdse arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur en een overeenkomst werk-opleiding. Het afsluiten van die overeenkomsten biedt de betrokken jongeren de mogelijkheid om, naast hun tewerkstelling, nog een opleiding te volgen die rechtstreeks verband houdt met de functie die zij uitoefenen in het kader van de deeltijdse arbeidsovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd. De opleiding duurt ten minste 240 uren per jaar en dient gespreid te worden over minstens één jaar en hoogstens drie jaar. De lijst met de toegelaten opleidingscategorieën kunt u bekomen op onderstaand adres. deeltijds leerplichtigen: voor de aanwerving van een deeltijds leerplichtige in het kader van een arbeidsovereenkomst kan - onder bepaalde voorwaarden - een vrijstelling van werkgeversbijdragen worden toegekend. De vermindering geldt enkel op de lonen die betrekking hebben op de periode waarin de werknemer aan de deeltijdse leerplicht onderworpen is. Zij is echter niet van toepassing in sectoren of beroepen waarvoor het industrieel leerlingenwezen georganiseerd is. leerlingen: binnen bepaalde voorwaarden kan men de vermindering van de werkgeversbijdragen krijgen voor de personen die verbonden zijn door een bepaalde leerovereenkomst - hetzij een leerovereenkomst afgesloten overeenkomstig de voorwaarden bepaald bij de reglementering betreffende de voortdurende vorming van de middenstand, hetzij een industrieel leercontract. De vermindering wordt toegekend voor de duur van de periode die gedekt is door de leerovereenkomst.

-

-

Subsidiewegwijzer 2003

66

Een overeenkomst werk-opleiding kan eveneens worden gecombineerd met een startbaanovereenkomst. Leerovereenkomsten en arbeidsovereenkomsten met deeltijds leerplichtigen kunnen onder bepaalde voorwaarden (uitbreiding doelgroepen startbaanmaatregel) gecombineerd worden met een startbaanovereenkomst.

Bijkomende inlichtingen Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid Administratie van de Werkgelegenheid Directie inschakeling van jongeren in het arbeidsproces Belliardstraat 51 1040 Brussel Tel.: 02/233.48.77 – 02/233.47.03 Fax: 02/233.48.55

1.6 AANWERVING VAN EEN EERSTE, TWEEDE EN DERDE WERKNEMER (PLUS-EENTWEE-DRIE-PLAN) Inhoud steunmaatregel Het Plus-Eén-Twee-Drie-Plan verleent een vermindering van de werkgeversbijdragen aan bepaalde werkgevers van de privé-sector, die een eerste, tweede of derde werknemer aanwerven die aan de gestelde voorwaarden voldoet. De vermindering loopt over een periode van maximum 13 kwartalen. Als zij zich aansluiten bij een erkend sociaal secretariaat kunnen deze werkgevers ook een tussenkomst bekomen in de administratiekosten voor hun eerste werknemer. Het Plus-Eén-Plan werd uitgebreid voor werkgevers van de privé-sector die binnen bepaalde voorwaarden een tweede of derde werknemer aanwerven. Deze vermindering loopt over een periode van maximum 13 kwartalen voor de tweede werknemer en voor een periode van maximum 9 kwartalen voor de derde werknemer. Begunstigden Alle werkgevers uit de privé-sector die gevestigd zijn in het Vlaamse Gewest komen voor het Plus-EénPlan, Plus-Twee-Plan of Plus-Drie-Plan in aanmerking. Dus ook vzw's, beoefenaars van een vrij beroep en zelfstandigen. Voor het Plus-Eén-Plan geldt de voorwaarde dat de werkgever sedert 12 maanden niet aan de sociale zekerheid onderworpen mag zijn geweest, tenzij dit zo was wegens de tewerkstelling van een dienstbode, leerling een stagiair in het kader van de vorming tot ondernemingshoofd of een gelegenheidsarbeider. Projecten Volgende werkzoekenden komen in aanmerking als eerste, tweede of derde werknemer: - aanwerving van een uitkeringsgerechtigde volledige werkloze; - aanwerving van een niet-uitkeringsgerechtigde volledig werkloze die sedert meer dan één jaar bij de VDAB (of een andere gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling) als werkzoekende is ingeschreven; - aanwerving van een gewezen leerling van minder dan 30 jaar die een leertijd heeft beëindigd en aan de voorwaarden voldoet om recht te hebben op een werkloosheidsuitkering met uitzondering van deze die op de wachttijd betrekking heeft; - aanwerving van een bij de VDAB (of een andere gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling) als werkzoekende ingeschreven volledig werkloze die gedurende de twee jaar voor de indienstneming

Subsidiewegwijzer 2003

67

-

-

ten minste één jaar als zelfstandige (en niet als helper) aan het statuut der zelfstandigen onderworpen is geweest; aanwerving van een werkzoekende die gedurende ten minste zes maanden ingeschreven is als werkzoekende bij de VDAB (of een andere gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling) en op het ogenblik van de indienstneming het bestaansminimum geniet; aanwerving van een werkzoekende persoon met een handicap die bij een Gemeenschaps- of Gewestfonds voor sociale integratie van personen met een handicap is ingeschreven; aanwerving van een werkzoekende die, na vrijwillig deeltijds te hebben gewerkt, volledig werkloos is en zonder onderbreking werkloosheidsuitkeringen heeft genoten gedurende 18 maanden of gedurende 12 maanden die aan de indienstneming voorafgaan indien hij ten minste 40 jaar oud is; aanwerving van een werkzoekende die op het ogenblik van de indienstneming sedert ten minste zes maanden ingeschreven bij de VDAB (of een andere gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling) en op het ogenblik van de indienstneming de financiële bijstand geniet en welbepaalde voorwaarden vervult; een werknemer die bij dezelfde werkgever gedurende minstens 3 maanden als uitzendkracht tewerkgesteld is geweest in de loop van de 12 maanden voorafgaand aan de indienstneming; de werkzoekenden waarvan het recht op uitkeringen wegens langdurige werkloosheid geschorst werd in toepassing van de werkloosheidsreglementering; de herintreders op de arbeidsmarkt die gelijktijdig bepaalde voorwaarden vervullen; de werkzoekende die tijdens een inschakelingsparcours in dienst wordt genomen of binnen de 3 maand na het beëindigen van dit inschakelingsparcours.

Diversen De nieuwe werkgever kan noch de bijdragevermindering, noch de tussenkomst in de administratiekosten wegens aansluiting bij een erkend sociaal secretariaat genieten, voor de nieuwe werknemer die een werknemer vervangt die in de loop van de twaalf kalendermaanden voorafgaand aan de indienstneming in dezelfde technische bedrijfseenheid werkzaam is geweest. De nieuwe werkgever die twee halftijdse werknemers aanwerft, kan voor hen eveneens de vermindering genieten. Het is niet vereist dat beide op hetzelfde moment worden aangeworven, maar het moet wel degelijk gaan om halftijdse tewerkstellingen. Ook indien zij niet op hetzelfde moment in dienst treden, begint de verminderingsperiode voor beiden te lopen op het moment dat de eerste in dienst treedt. Bedrag van de vermindering Noteer dat noch de vermindering zelf, noch de tussenkomst in de administratiekosten bij aansluiting bij een erkend sociaal secretariaat, eindigen wanneer de rechtgevende werknemer ontslagen wordt of uit dienst gaat vóór het einde van de verminderingsperiode. De voordelen gelden ook voor de vervanger van de rechtgevende werknemer, voorzover deze vervanger eveneens aan de gestelde voorwaarden voldoet en wordt aangeworven met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De vervanging moet plaatsvinden binnen de drie maanden na het einde van de dienstbetrekking van de eerste werknemer. Indien de werkgever echter bewijst dat hij vruchteloos geprobeerd heeft binnen deze termijn een vervanger aan te werven, kan deze termijn verlengd worden met drie maanden na beslissing van het Beheerscomité van de RSZ. De werkgever moet daartoe een schriftelijk verzoek indienen en daarbij alle nuttige bewijsstukken voegen. Bij vervanging eindigt de verminderingsperiode automatisch op de datum waarop de vermindering zou stoppen indien de eerste werknemer niet werd vervangen. Bedrag De vermindering voor de eerste werknemer loopt over een periode van 13 opeenvolgende kwartalen, dit wil zeggen het kwartaal van indiensttreding en de 12 kwartalen die daarop volgen. De vermindering bestaat uit een vrijstelling van de werkgeversbijdragen voor de volgende regelingen: - de rust- en overlevingspensioenen voor werknemers; - de ziekte- en invaliditeitsverzekering (sector geneeskundige verzorging en sector uitkeringen);

Subsidiewegwijzer 2003

68

-

de werkloosheid, zowel de bijdrage die door iedere werkgever verschuldigd is als de bijzondere bijdrage die alleen verschuldigd is door de werkgever die op 30 juni van het voorgaande jaar minstens tien werknemers tewerkstelde; de kinderbijslagen; de beroepsziekten; de arbeidsongevallen; de loonmatigingsbijdrage.

Blijven onder andere verschuldigd, de werkgeversbijdragen voor de regeling van de jaarlijkse vakantie van de handarbeiders, de werkgeversbijdragen voor het betaald educatief, voor het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen, en (indien verschuldigd) voor bestaanszekerheid. Voor een eerste werknemer bedraagt deze vermindering van de werkgeversbijdragen op: - 100% voor het kwartaal van indiensttreding en de vier daaropvolgende kwartalen; - 75% voor het vijfde tot het achtste kwartaal volgend op het kwartaal van indienstneming; - 50% voor het negende tot het twaalfde kwartaal volgend op het kwartaal van indienstneming. Voor de tweede werknemer bedraagt de vermindering: - 75% voor het kwartaal van indiensttreding en de vier daaropvolgende kwartalen; - 50% voor het vijfde tot het achtste kwartaal volgend op het kwartaal van indienstneming; - 25% voor het negende tot het twaalfde kwartaal volgend op het kwartaal van indienstneming. Voor de derde werknemer bedraagt de vermindering: - 50% voor het kwartaal van indiensttreding en de vier daaropvolgende kwartalen; - 25% voor het vijfde tot het achtste kwartaal volgend op het kwartaal van indienstneming. Indien een werknemer ontslagen wordt tijdens de periode waarin de werkgever voor hem de bijdragevermindering toepast, en hij recht heeft op een verbrekingsvergoeding, mag de vermindering op deze vergoeding niet worden toegepast. Aansluiting bij een erkend sociaal secretariaat Wanneer de nieuwe werkgever zich aansluit bij een erkend sociaal secretariaat voor werkgevers, komt de RSZ tussen in de administratiekosten die voor de eerste werknemer aan dit secretariaat verschuldigd zijn. Indien de werkgever twee halftijdse werknemers aanwerft, gebeurt de tussenkomst in de administratiekosten voor beide werknemers. Het bedrag van deze tussenkomst beloopt 12,15 euro voor elke kalendermaand van de periode waarvoor de werkgever de bijdragevermindering geniet. De RSZ stort het bedrag rechtstreeks bij het betrokken secretariaat. Te vervullen formaliteiten Men vult de vereiste rubrieken van de kwartaalaangifte in. Bij de eerste aangifte voegt men het (de) vereiste attest(en) om aan te tonen dat de werknemer behoort tot een rechtgevende categorie. Indien het getuigschrift door de RVA moet worden afgeleverd, dan moet dit getuigschrift aangevraagd worden ten laatste de 30ste dag volgend op de dag van het begin van de tewerkstelling bij het bevoegde werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. De wet bepaalt dat de werkgever die de vermindering wil toepassen, bij de RSZ het bewijs moet aanbrengen dat de nieuw aangeworven werknemer aan de gestelde voorwaarden voldoet. De werkgever wordt dan ook ten sterkste aangeraden zich vóór de aanwerving een attest te laten voorleggen. Toegestane cumulaties Deze vermindering mag met geen enkele andere vermindering van socialezekerheidsbijdragen worden gecumuleerd. Zij mag evenmin worden samengevoegd met de tewerkstellingspremies en tussenkomst in de aansluiting bij een erkend sociaal secretariaat ingevolge artikel 1, d) en 11 van de wet van 4 augustus 1978 betreffende de economische heroriëntering.

Subsidiewegwijzer 2003

69

Bijkomende inlichtingen Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid Directie Arbeidsmarkt Belliardstraat 51 1040 Brussel Tel.: 02/233.48.63 - 47.17 - 46.81 Fax: 02/233.46.75 Rijksdienst voor Sociale Zekerheid Informatiedienst Waterloolaan 76 1000 Brussel Tel.: 02/509.36.08 tot en met 36.13 Fax: 02/509.39.64 Website: http://www.rsz.fgov.be

1.7 VERMINDERING BRUGPENSIOEN Inhoud steunmaatregel

VAN

DE

WERKGEVERSBIJDRAGEN

VOOR

HALFTIJDS

De wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor tewerkstelling, regelt een vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid bij de vervanging, binnen bepaalde voorwaarden, van de werknemer die opteert voor het halftijds brugpensioen. Deze vermindering heeft betrekking op de vervangers die in dienst treden vanaf 9 januari 1996. Begunstigden Het zijn de werkgevers die, in toepassing van een collectieve arbeidsovereenkomst die voorziet in invoering van een stelsel van halftijds brugpensioen zoals bedoeld in de CAO nr. 55 gesloten in Nationale Arbeidsraad op 13 juli 1993 (algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van november 1993), overgaan tot de vervanging van een oudere werknemer bedoeld in artikel 46 van wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen. de de 17 de

Zijn echter uitgesloten, de werkgevers die hun verplichting om een bepaald aantal jongeren in dienst te nemen met een startbaanovereenkomst (verplichting opgelegd door de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid), niet hebben nageleefd. Projecten De als vervanger aangeworven personen moeten volledig uitkeringsgerechtigde werklozen zijn die uitkeringen genieten voor alle dagen van de week. De werknemers die in dienst treden in het kader van een programma voor wedertewerkstelling, zoals bedoeld in artikel 6, §1, IX, 2° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, komen evenwel niet in aanmerking voor de vermindering. Diversen De vermindering bestaat in de vrijstelling van betaling van een percentage van de werkgeversbijdragen die betrekking hebben op de volgende regelingen:

Subsidiewegwijzer 2003

70

-

rust- en overlevingspensioen der werknemers; ziekte- en invaliditeitsverzekering (sector der uitkeringen en sector der geneeskundige verzorging); werkloosheid, met inbegrip van de speciale bijdrage die de werkgevers slechts betalen indien zij op 30 juni van het voorgaande jaar (voor nieuwe werkgevers op de laatste dag van het eerste kwartaal waarvoor zij een aangifte bij de RSZ moeten verrichten), minstens 10 werknemers tewerkstelden; kinderbijslagen; arbeidsongevallen; beroepsziekten; loonmatigingsbijdrage.

De vermindering geldt dus niet voor de andere bijdragen, zoals de bijdragen voor jaarlijkse vakantie van de werklieden, de bijdrage voor het betaald educatief verlof, de bijdragen voor sluiting van ondernemingen, de bestaanszekerheidsbijdragen, enzovoort. Voor de deeltijds tewerkgestelde vervangers, bedraagt de vermindering: - 50 % voor het kwartaal van indiensttreding en de vier daaropvolgende kwartalen; - 25 % voor de periode van het vijfde kwartaal tot en met het achtste kwartaal dat volgt op het kwartaal van indiensttreding. Voor deeltijds tewerkgestelde vervangers, aangeworven in de periode van 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 door een werkgever die op 30 juni van het jaar voorafgaand aan de aanwerving van de vervanger minder dan 50 werknemers tewerkstelde, bedraagt de vermindering: - 75 % voor het kwartaal van indiensttreding en de vier daaropvolgende kwartalen; - 50 % voor de periode van het vijfde kwartaal tot en met het achtste kwartaal dat volgt op het kwartaal van indiensttreding. Voor de voltijds tewerkgestelde vervangers, bedraagt de vermindering: - 25 % voor het kwartaal van indiensttreding en de vier daaropvolgende kwartalen. Voor de werklieden worden de hiervoor genoemde percentages toegepast op de bijdragen die voor hen worden berekend op hun brutoloon verhoogd met 8%. Toegestane cumulaties De bijdragevermindering voor vervangers van personen met halftijds brugpensioen mag men voor dezelfde werknemer niet cumuleren met een andere bijdragevermindering, met uitzondering van de structurele vermindering. Deze vermindering mag men voor dezelfde werknemer evenmin cumuleren met het voordeel toegekend in het kader van het koninklijk besluit van 21 januari 1987 houdende nieuwe maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector en van afdeling 5 van hoofdstuk II van het koninklijk besluit nr. 25 van 24 maart 1982 tot opzetting van een programma ter bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector. Aanvraagprocedure Men vult de nodige rubrieken van de kwartaalaangifte in. De werkgever die deze vermindering vraagt, moet aan het gewestelijk werkloosheidsbureau van de RVA dat bevoegd is voor de bruggepensioneerde in hoofde van wie de vervanger aanleiding geeft tot bijdragevermindering, alle gegevens meedelen die nodig zijn voor het toezicht op de correcte toepassing van deze maatregel. Deze mededeling gebeurt met een officieel attest, uitgereikt door dat bureau. De RVA zal de meegedeelde gegevens overmaken aan de RSZ; de werkgever moet dus geen attesten naar de RSZ sturen. Bijkomende inlichtingen Rijksdienst voor Sociale Zekerheid Informatiedienst

Subsidiewegwijzer 2003

71

Waterloolaan 76 1000 Brussel Tel.: 02/509.36.08 tot en met 36.13 Fax: 02/509.39.64 Website: http://www.rsz.fgov.be

1.8 VERMINDERING VAN DE WERKGEVERSBIJDRAGEN ARBEIDSDUURVERMINDERING TOT 38 UREN PER WEEK Inhoud steunmaatregel

VOOR

De wet van 10 augustus 2001 betreffende de verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven, voert in haar hoofdstuk II een systeem in van forfaitaire vermindering van socialezekerheidsbijdragen. Het systeem is van toepassing op de werkgevers van wie werknemers vóór 1 januari 2003 overschakelen naar een arbeidsduur van 38 uren per week indien die arbeidsduur op 31 december 2000 nog 39 uren per week bedroeg. Begunstigden Het betreft de werkgevers van wie de werknemers onder het toepassingsgebied vallen van hoofdstuk III, afdeling II, van de arbeidswet van 16 maart 1971. Het gaat dus in hoofdzaak om de werkgevers van de private sector. Projecten Het gaat om voltijdse werknemers van wie de wekelijkse arbeidsduur op 31 december 2000 nog 39 uren bedroeg en die vóór 1 januari 2003 overschakelen naar een arbeidsduur van 38 uren per week. De overschakeling moet gebeuren in het kader van een vóór 1 januari 2003 gesloten collectieve arbeidsovereenkomst, of bij gebrek daaraan in het kader van een arbeidsreglement dat van kracht is op dezelfde datum. De overgang naar 38 uren per week is onomkeerbaar. Diversen De vermindering is forfaitair. Zij heeft betrekking op de basiswerkgeversbijdragen en wordt in één keer toegekend, per werknemer, in de loop van het kwartaal dat volgt op de omschakeling naar 38 uren per week. De vermindering geldt voor alle werknemers (van de betrokken werknemerscategorie) die in dienst zijn op de laatste dag van het kwartaal van toekenning. Uitzonderlijk kan de vermindering in een ander kwartaal, namelijk het vierde kwartaal 2001 worden toegekend, indien de arbeidsduurvermindering inging tussen 1 januari en 30 juni 2001. Voorwaarde is dan wel dat de collectieve arbeidsovereenkomst werd afgesloten na 1 januari 2001 en dat het arbeidsreglement na diezelfde datum werd aangepast. In functie van de datum waarop de omschakeling naar 38 uren ingaat, bedraagt de vermindering: - 148,74 euro wanneer de vermindering van de arbeidsduur in werking treedt tussen 1 januari 2001 en 30 september 2001; - 123,95 euro wanneer de vermindering van de arbeidsduur in werking treedt tijdens het vierde kwartaal 2001; - 100 euro wanneer de vermindering van de arbeidsduur in werking treedt tijdens het eerste kwartaal 2002; - 75 euro wanneer de vermindering van de arbeidsduur in werking treedt tijdens het tweede kwartaal 2002; - 50 euro wanneer de vermindering van de arbeidsduur in werking treedt tijdens het derde kwartaal 2002; - 25 euro wanneer de vermindering van de arbeidsduur in werking treedt tijdens het vierde kwartaal 2002.

Subsidiewegwijzer 2003

72

De vermindering van de arbeidsduur kan ook in verschillende keren gebeuren. Indien de overgang van 39 naar 38 uren per week in meerdere etappes gebeurt, bijvoorbeeld van 39 uren via 38,5 uren naar 38 uren per week, krijgt de werkgever de vermindering in het kwartaal dat volgt op de omschakeling naar 38 uren per week. Indien de omschakeling naar 38 uren per week op verschillende tijdstippen gebeurt voor verschillende personeelscategorieën, zal ook de vermindering worden toegekend in functie van het kwartaal waarin die bepaalde personeelscategorie omschakelt naar 38 uren per week. De toekenning van de vermindering is voorlopig. Zij wordt definitief indien vaststaat dat de werkgever alle voorwaarden voor de toekenning vervult. Toegestane cumulaties De bijdragevermindering in het kader van de arbeidsduurvermindering tot 38 uren per week mag men cumuleren met alle andere verminderingen van socialezekerheidsbijdragen. De vermindering mag evenwel niet groter zijn dan het bedrag aan basiswerkgeversbijdragen dat voor een bepaalde werknemer verschuldigd is. Aanvraagprocedure De werkgevers op wie een collectieve arbeidsovereenkomst toepasselijk is, afgesloten tussen 1 januari 2001 en 30 juni 2001, die een stelsel van arbeidsduurvermindering voorziet dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een wijziging van het arbeidsreglement toegepast in de periode gelegen tussen deze twee data, moeten in een kennisgeving aan de Inspectie van de Sociale Wetten (volgens het model gepubliceerd als bijlage II bij het ministerieel besluit van 1 oktober 2001) één van de volgende inlichtingen meedelen: - ofwel de datum van deze collectieve arbeidsovereenkomst en het bevoegde paritair orgaan wanneer het gaat om een collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten in de schoot van een paritair orgaan; - ofwel het registratienummer toegekend door de griffie van de administratie van de Collectieve Arbeidsbetrekkingen bij de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg wanneer het gaat om een collectieve arbeidsovereenkomst die buiten een paritair orgaan werd afgesloten. In alle andere gevallen moet de werkgever aan de Inspectie van de Sociale Wetten de wijziging van het arbeidsreglement meedelen waardoor de arbeidsduurvermindering werd ingevoerd (volgens het model gepubliceerd als bijlage I bij het reeds vermelde ministerieel besluit van 1 oktober 2001). De Inspectie van de Sociale Wetten deelt vervolgens schriftelijk het registratienummer van het arbeidsreglement aan de werkgever mee. De datum van inwerkingtreding van de arbeidsduurvermindering tot 38 uur per week mag niet voorafgaan aan de datum waarop het registratienummer, toegekend door de Inspectie van de Sociale Wetten, aan de werkgever wordt meegedeeld. De werkgever vult de gepaste rubrieken van de aangifte in.

Bijkomende inlichtingen Rijksdienst voor Sociale Zekerheid Informatiedienst Waterloolaan 76 1000 Brussel Tel.: 02/509.36.08 tot en met 36.13 Fax: 02/509.39.64 Website: http://www.rsz.fgov.be

1.9 VERMINDERING VAN DE WERKGEVERSBIJDRAGEN ARBEIDSDUURVERMINDERING ONDER DE 38 UREN PER WEEK

VOOR

Subsidiewegwijzer 2003

73

Inhoud steunmaatregel De wet van 10 augustus 2001 betreffende de verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven, voert in haar hoofdstuk III een systeem in van forfaitaire vermindering van socialezekerheidsbijdragen voor de werkgevers van wie de werknemers overschakelen naar een gemiddelde arbeidsduur van minder dan 38 uren per week. De overschakeling moet gebeuren in het kader van een arbeidsreglementswijziging, geregistreerd door de Inspectie van de Sociale Wetten, die een effectieve arbeidsduurvermindering als gevolg heeft van minstens 1 uur onder de 38 uur per week. Begunstigden Het betreft de werkgevers van wie de werknemers onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités of onder het toepassingsgebied van de wet van 21 maart 1991 houdende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. Samengevat zijn dit de werkgevers uit de private sector en de autonome overheidsbedrijven. De werkgever kan de arbeidsduurvermindering invoeren voor al zijn personeel of enkel voor (een) bepaalde categorie(ën) van werknemers (voorbeeld: enkel arbeiders, 45-plussers, ...). Projecten Het gaat om voltijdse werknemers, alsook om deeltijdse werknemers van wie de arbeidsduur niet wordt verminderd, maar van wie enkel het loon wordt aangepast ingevolge de arbeidsduurvermindering. Deeltijdse werknemers die op enigerlei wijze een effectieve arbeidsduurvermindering krijgen (in aantal uren per week of via compensatiedagen), komen niet in aanmerking voor deze vermindering. Diversen De vermindering is forfaitair. Zij bestaat enerzijds uit een éénmalige vermindering en anderzijds uit een opvolgingsvermindering. Beide worden toegepast op de basiswerkgeversbijdragen van de rechtgevende werknemer. De toekenning van de vermindering is voorlopig. Zij wordt definitief indien vaststaat dat de werkgever alle voorwaarden voor de toekenning vervult. - De eenmalige vermindering De eenmalige vermindering bedraagt 800 euro per volledig uur arbeidsduurvermindering onder de 38 uur per week en wordt ofwel in één keer toegekend ofwel gespreid over 4 kwartalen van telkens 200 euro. De vermindering geldt voor alle werknemers (van de betrokken werknemerscategorie) die tewerkgesteld zijn op de laatste dag van het kwartaal van toekenning van de vermindering. De vermindering wordt toegekend in het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de arbeidsduur werd verminderd of in de vier kwartalen die volgen op het kwartaal waarin de arbeidsduur werd verminderd als ze in schijven wordt verrekend. De maatregel is in voege vanaf 1 oktober 2001. De werkgever die na 30 september 2001 een arbeidsduurvermindering heeft ingevoerd kan dus ten vroegste aanspraak maken op de eenmalige vermindering bij zijn aangifte van het eerste kwartaal 2002. Wanneer in stapjes van minder dan één uur de arbeidsduur wordt verminderd heeft de werkgever geen recht op de eenmalige vermindering en dus ook niet op de opvolgingsvermindering. Indien tussen 1 januari 2001 en 30 september 2001 een CAO werd afgesloten (op het niveau van de sector of op bedrijfsniveau) die een arbeidsreglementswijziging tot gevolg heeft gehad die binnen deze periode van toepassing werd, dan wordt de invoering van de arbeidsduurvermindering geacht te hebben plaatsgevonden in de loop van het vierde kwartaal 2001 en kan de vermindering in het eerste kwartaal 2002 worden aangevraagd. De opvolgingsvermindering

Subsidiewegwijzer 2003

74

De opvolgingsvermindering is afhankelijk van de gemiddelde arbeidsduur per week die bereikt wordt, zij bedraagt: . 62,50 euro wanneer de arbeidsduur tot 37 uur per week wordt verminderd; . 100 euro wanneer de arbeidsduur tot 36 uur per week wordt verminderd; . 150 euro wanneer de arbeidsduur tot 35 uur per week wordt verminderd. De opvolgingsvermindering kan enkel worden toegekend wanneer binnen de gedefinieerde werknemerscategorie een arbeidsduurvermindering is ingevoerd waarvoor minstens één werknemer de eenmalige vermindering heeft verkregen. De opvolgingsvermindering kan worden aangevraagd vanaf het derde kwartaal volgend op het kwartaal waarin voor deze categorie de eenmalige vermindering werd toegekend. De vermindering wordt toegekend voor de werknemers van de betreffende categorie die op het einde van het kwartaal waarvoor de vermindering wordt gevraagd bij de werkgever tewerkgesteld zijn. Zij geldt voor een periode van 10 jaar te rekenen vanaf de eerste toekenning van de opvolgingsvermindering voor een werknemer van de categorie en in zoverre de arbeidsduurvermindering wordt ingevoerd vóór 1 april 2006. Voltijdse werknemers die in dienst komen na de toekenning van de eenmalige vermindering voor de betreffende categorie, alsook deeltijdse werknemers die na het kwartaal waarin de eenmalige vermindering wordt toegekend, voltijds gaan werken, hebben geen recht op de eenmalige vermindering maar wel op de opvolgingsvermindering als ze tot een categorie behoren die daarvoor in aanmerking komt. Vervangers van werknemers die de eenmalige vermindering ontvingen komen ook in aanmerking voor de opvolgingsvermindering. Voor de deeltijdse werknemers van wie het loon moet worden aangepast ingevolge de arbeidsduurvermindering en die op geen enkele wijze hun arbeidsduur verminderen, worden de eenmalige vermindering en de opvolgingsvermindering proportioneel berekend. Toegestane cumulaties De bijdragevermindering in het kader van de arbeidsduurvermindering onder de 38 uur per week mag men cumuleren met alle andere verminderingen van socialezekerheidsbijdragen. De vermindering mag evenwel niet groter zijn dan het bedrag aan basiswerkgeversbijdragen dat voor een bepaalde werknemer verschuldigd is. Aanvraagprocedure De werkgevers op wie een collectieve arbeidsovereenkomst toepasselijk is, afgesloten tussen 1 januari 2001 en 30 september 2001, die een stelsel van arbeidsduurvermindering voorziet dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een wijziging van het arbeidsreglement toegepast in de periode gelegen tussen deze twee data, moeten in een kennisgeving aan de Inspectie van de Sociale Wetten (volgens het model gepubliceerd als bijlage II bij het ministerieel besluit van 1 oktober 2001) één van de volgende inlichtingen meedelen: - ofwel de datum van deze collectieve arbeidsovereenkomst en het bevoegde paritair orgaan wanneer het gaat om een collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten in de schoot van een paritair orgaan; - ofwel het registratienummer toegekend door de griffie van de administratie van de Collectieve Arbeidsbetrekkingen bij de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg wanneer het gaat om een collectieve arbeidsovereenkomst die buiten een paritair orgaan werd afgesloten. In alle andere gevallen moet de werkgever aan de Inspectie van de Sociale Wetten de wijziging van het arbeidsreglement meedelen waardoor de arbeidsduurvermindering werd ingevoerd (volgens het model gepubliceerd als bijlage I bij hetzelfde ministerieel besluit van 1 oktober 2001). De Inspectie van de Sociale Wetten deelt vervolgens schriftelijk het registratienummer van het arbeidsreglement aan de werkgever mee. De datum van inwerkingtreding van de arbeidsduurvermindering mag niet voorafgaan aan de datum waarop het registratienummer, toegekend door de Inspectie van de Sociale Wetten, aan de werkgever wordt meegedeeld.

Subsidiewegwijzer 2003

75

De werkgever moet kiezen of hij de vermindering in één maal wenst in rekening te brengen of gespreid in gelijke delen over vier kwartalen. Eens hij een keuze heeft gemaakt is deze definitief. Indien de betrokken werknemer uit dienst zou treden vóór de vier schijven zijn verrekend, dan kan de werkgever geen aanspraak meer maken op het resterende bedrag. Wanneer hij bij dezelfde werkgever blijft maar overstapt naar een andere werknemerscategorie, kunnen de resterende schijven nog in mindering worden gebracht van zijn werkgeversbijdragen. De werkgever vult de gepaste rubrieken van de aangifte in.

Bijkomende inlichtingen Rijksdienst voor Sociale Zekerheid Informatiedienst Waterloolaan 76 1000 Brussel Tel.: 02/509.36.08 tot en met 36.13 Fax: 02/509.39.64 Website: http://www.rsz.fgov.be

1.10 VERMINDERING VAN DE WERKGEVERSBIJDRAGEN VOOR VIERDAGENWEEK (2002) Inhoud steunmaatregel De wet van 10 augustus 2001 betreffende de verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven, voert in haar hoofdstuk III een systeem in van forfaitaire vermindering van socialezekerheidsbijdragen voor de werkgevers van wie de werknemers overschakelen naar een vierdagenweek. Onder vierdagenweek moet men de regeling verstaan waarbij de wekelijkse arbeidsduur gespreid wordt over vier arbeidsdagen per week of over vijf arbeidsdagen waarvan drie volledige en twee halve dagen. De overschakeling moet gebeuren in het kader van een arbeidsreglementswijziging, geregistreerd door de Inspectie van de Sociale Wetten. Begunstigden Het betreft de werkgevers van wie de werknemers onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités of onder het toepassingsgebied van de wet van 21 maart 1991 houdende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. Samengevat zijn dit de werkgevers uit de private sector en de autonome overheidsbedrijven. De werkgever kan de vierdagenweek invoeren voor al zijn personeel of enkel voor (een) bepaalde categorie(ën) van werknemers (voorbeeld: enkel arbeiders, 45-plussers, ...). Projecten Enkel voltijdse werknemers die in het systeem van de vierdagenweek zijn gestapt en die in dienst zijn op de laatste dag van het kwartaal waarin de forfaitaire vermindering wordt toegekend, komen in aanmerking. Voltijdse werknemers die in dienst komen na toekenning van de vermindering voor de betreffende werkgeverscategorie, alsook deeltijdse werknemers die voltijds gaan werken na het kwartaal van toekenning, hebben geen recht op de vermindering. Diversen

Subsidiewegwijzer 2003

76

De vermindering is forfaitair. Zij bestaat uit een éénmalige vermindering van 400 euro eventueel te spreiden over 4 kwartalen van telkens 100 euro. De vermindering geldt voor alle werknemers (van de betrokken werknemerscategorie) die tewerkgesteld zijn op de laatste dag van het kwartaal van toekenning. De vermindering wordt toegekend in het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de vierdagenweek in de onderneming werd ingevoerd of in de vier kwartalen die volgen op het kwartaal waarin de vierdagenweek in de onderneming werd ingevoerd als ze in schijven wordt verrekend. De maatregel is in voege vanaf 1 oktober 2001. De werkgever die na 30 september 2001 de vierdagenweek heeft ingevoerd kan dus ten vroegste aanspraak maken op de eenmalige verminderingspremie bij de aangifte van het eerste kwartaal 2002. De vermindering wordt toegepast op de basiswerkgeversbijdragen van de rechtgevende werknemer. De toekenning van de vermindering is voorlopig. Zij wordt definitief indien vaststaat dat de werkgever alle voorwaarden voor de toekenning vervult. Toegestane cumulaties De bijdragevermindering in het kader van de vierdagenweek mag men cumuleren met alle andere verminderingen van socialezekerheidsbijdragen. De vermindering mag evenwel niet groter zijn dan het bedrag aan basiswerkgeversbijdragen dat voor een bepaalde werknemer verschuldigd is. Aanvraagprocedure De werkgever moet aan de Inspectie van de Sociale Wetten de wijziging van het arbeidsreglement meedelen waardoor de vierdagenweek werd ingevoerd (volgens het model gepubliceerd als bijlage I bij het ministerieel besluit van 1 oktober 2001). De Inspectie van de Sociale Wetten deelt vervolgens schriftelijk het registratienummer van het arbeidsreglement aan de werkgever mee. De datum van inwerkingtreding van de vierdagenweek mag niet voorafgaan aan de datum waarop het registratienummer, toegekend door de Inspectie van de Sociale Wetten, aan de werkgever wordt meegedeeld. De werkgever moet kiezen of hij de vermindering in één maal wenst in rekening te brengen of gespreid in gelijke delen over vier kwartalen. Eens hij een keuze heeft gemaakt is deze definitief. Indien de betrokken werknemer uit dienst zou treden vóór de vier schijven zijn verrekend, dan kan de werkgever geen aanspraak meer maken op het resterende bedrag. Wanneer hij bij dezelfde werkgever blijft, maar overstapt naar een andere werknemerscategorie, kunnen de resterende schijven nog in mindering worden gebracht van zijn werkgeversbijdragen. De werkgever vult de gepaste rubrieken van de aangifte in.

Bijkomende inlichtingen Rijksdienst voor Sociale Zekerheid Informatiedienst Waterloolaan 76 1000 Brussel Tel.: 02/509.36.08 tot en met 36.13 Fax: 02/509.39.64 Website: http://www.rsz.fgov.be

2.

FINANCIELE MAATREGELEN

Subsidiewegwijzer 2003

77

2.1 STARTBANEN Inhoud steunmaatregel De wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, regelt de verplichting jongeren aan te werven met een startbaanovereenkomst. Deze startbaanovereenkomst bezorgt jongeren een baan en/of een bijkomende opleiding zodat ze zich een plaats kunnen verwerven op de arbeidsmarkt binnen de zes maanden nadat ze de school hebben verlaten. Begunstigden De jongeren die in aanmerking komen voor een startbaanovereenkomst moeten behoren tot een van onderstaande categorieën A, B of C. Categorie A: iedereen die, net vóór zijn aanwerving: - niet meer onderworpen is aan de leerplicht, meer bepaald in principe ouder dan 18 jaar is; - minder dan 25 jaar oud is; - sedert minder dan zes maanden, hetzij geen lessen meer volgt in het voltijds of deeltijds onderwijs, hetzij niet meer deelneemt aan een inschakelingsparcours. Categorie B: iedereen die, net vóór zijn aanwerving: - werkzoekende is; - minder dan 25 jaar oud is. Categorie C: iedereen die, net vóór zijn aanwerving: - werkzoekende is; - minder dan 30 jaar oud is. De startbaanovereenkomst is in de eerste plaats voor de jongeren van categorie A; de jongeren van categorie B komen pas in aanmerking bij een tekort aan jongeren in categorie A; de jongeren van categorie C komen pas in aanmerking bij een tekort aan jongeren van categorieën A en B. Projecten Diverse types startbaanovereenkomsten: een startbaanovereenkomst omvat een arbeidsovereenkomst, een alternerende opleiding of een leerovereenkomst: - arbeidsovereenkomst, meer bepaald een minstens halftijdse arbeidsovereenkomst die wordt gesloten tussen een jongere en een openbare of private werkgever voor onbepaalde duur of voor bepaalde duur waarvan de 12 eerste maanden bestaan uit een startbaanovereenkomst; - alternerende opleiding, meer bepaald een deeltijdse arbeidsovereenkomst, minstens halftijds, die wordt gesloten tussen een jongere en een openbare of private werkgever voor een periode van ten minste 12 maanden en ten hoogste 24 maanden, op voorwaarde dat de jongere tijdens die periode een erkende opleiding volgt of een opleiding die wordt georganiseerd door de voor de beroepsopleiding bevoegde gewestelijke en/of gemeenschapsdienst of een opleiding volgt in het kader van de vorming voor zelfstandigen en KMO's. - leerovereenkomst, meer bepaald een leerovereenkomst voor werknemersberoepen, een leerovereenkomst in de vorming voor zelfstandigen en KMO's, … De maximale duur van een startbaanovereenkomst 'alternerende opleiding' en 'leerovereenkomst' kan 36 maanden zijn wanneer die gepaard gaat met een en dezelfde opleiding van 36 maanden. Diversen Er werden voor de toepassing van de wet drie categorieën van werkgevers die verplicht zijn een overeenkomst te sluiten, vastgelegd:

Subsidiewegwijzer 2003

78

de openbare werkgevers, met name alle publiekrechtelijke rechtspersonen met uitzondering van de intercommunales met commerciële of industriële activiteiten, openbare kredietinstellingen en autonome overheidsbedrijven; de werkgevers uit de private sector, met name alle natuurlijke of privaatrechtelijke rechtspersonen alsook de intercommunales met industriële of commerciële activiteiten, de openbare kredietinstellingen en de autonome overheidsbedrijven; de werkgevers uit de private sector behorend tot de non-profitsector die beschouwd worden als openbare werkgevers, behalve voor wat betreft de tenuitvoerlegging van globale projecten. De verplichting voor de werkgevers om jongeren in dienst te nemen de werkgevers uit de private sector: individuele verplichting: de werkgevers uit de private sector die ten minste 50 werknemers in dienst hebben, moeten een aantal nieuwe werknemers (meer bepaald jongeren die aangenomen worden in het kader van een startbaanovereenkomst) tewerkstellen a rato van 3% van hun personeelsbestand (nieuwe werknemers niet inbegrepen) gedurende het tweede kwartaal van het voorafgaande jaar; collectieve verplichting: de werkgevers uit de private sector dienen allen samen en ongeacht het aantal werknemers dat elk afzonderlijk tewerkstelt, nieuwe werknemers in dienst te nemen a rato van 1% van het globale personeelsbestand (nieuwe werknemers niet inbegrepen) van diegenen onder hen die gedurende het tweede kwartaal van het voorafgaande jaar ten minste 50 werknemers in voltijdse equivalenten tewerkstelden; vrijstelling voor werkgevers die zich in moeilijkheden bevinden: de werkgevers uit de private sector die zich in moeilijkheden bevinden kunnen door de minister van Tewerkstelling en Arbeid geheel of voor een gedeelte vrijgesteld worden van de verplichtingen inzake de startbaanovereenkomst; vrijstellingen voor werkgevers die bijkomende banen creëren: de werkgevers die zich door een overeenkomst met de minister van Tewerkstelling en Arbeid ertoe verbinden voltijdse bijkomende banen te creëren, in de vorm van een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur, die worden toegekend aan jongeren die in aanmerking komen voor een startbaanovereenkomst, kunnen door de minister geheel of gedeeltelijk worden vrijgesteld van de verplichting tot indienstneming van nieuwe werknemers indien zij voldoen aan bepaalde voorwaarden; vrijstellingen voor werkgevers van een sector die een behoorlijke inspanning doet voor de tewerkstelling van jongeren, waarbij een inschakelingsparcours van toepassing is: de private werkgevers uit een sector die een collectieve arbeidsovereenkomst die voorziet in een inspanning van ten minste 0,15% gesloten heeft voor de periode van 1 januari 2001 tot 31 december 2002, kunnen geheel of gedeeltelijk vrijgesteld worden van de verplichting om nieuwe werknemers aan te werven indien zij gebonden zijn door een collectieve arbeidsovereenkomst om jongeren aan te werven waarbij een inschakelingsparcours van toepassing is of indien zij een overeenkomst gesloten hebben met de VDAB met het oog op de opleiding of tewerkstelling van jongeren die een inschakelingsparcours genieten. De vrijstelling zal slechts worden toegekend wanneer er geen negatieve gevolgen zijn voor de werkgelegenheid; bijzonder stelsel voor de seizoenbedrijven. de openbare en private werkgevers uit de non-profitsector: met uitzondering van het onderwijs, moeten de openbare werkgevers en de private werkgevers van de non-profitsector een aantal nieuwe werknemers tewerkstellen a rato van 1,5% van hun personeelsbestand gedurende het tweede kwartaal van het voorafgaande jaar, in voltijdse equivalenten, indien het personeelsbestand ten minste 50 personeelsleden telt. De onderwijssector is vrijgesteld van deze verplichting. Vermindering van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid voor het aannemen van laaggeschoolde jongeren Voor elke nieuwe werknemer komen de werkgevers voor een structurele vermindering van de lasten in aanmerking. De openbare en private werkgevers die in het kader van een startbaanovereenkomst bijkomend laaggeschoolde jongeren voor ten minste één jaar minstens halftijds aanwerven, genieten per voltijds tewerkgestelde jongere een vermindering van de werkgeversbijdrage voor sociale zekerheid van 495,79 euro per trimester, op voorwaarde dat zij nieuwe werknemers tewerkstellen ten belope van 3% van het

Subsidiewegwijzer 2003

79

personeelsbestand berekend in voltijdse equivalenten tijdens het tweede trimester van het voorgaande jaar. Boven een tewerkstelling van 3% jongeren ten opzichte van hun personeelsbestand berekend in voltijdse equivalenten tijdens het tweede trimester van het voorafgaande jaar, genieten de werkgevers een vermindering van de werkgeversbijdrag voor sociale zekerheid van 1115,52 euro per trimester, per bijkomende voltijdse tewerkgestelde laaggeschoolde jongere van het gedeelte 3% tot 5%. De werkgevers die 5% of meer jongeren aanwerven op vrijwillige basis, genieten een vermindering van 1115,52 euro per trimester voor alle aangeworven laaggeschoolde jongeren.

Bijkomende inlichtingen Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid Administratie van de Werkgelegenheid Directie inschakeling van jongeren in het arbeidsproces Belliardstraat 51 1040 Brussel Tel.: 02/233.46.79 – 02/233.46.58 Fax: 02/233.48.55

2.2 AANWERVING VAN EX-STARTBANEN Inhoud steunmaatregel Vermindering voor de werkgever die een jonge werknemer in dienst houdt op het einde van de overeenkomst. Begunstigden De werkgevers die op het einde van een startbaanovereenkomst een nieuwe werknemer aannemen met een schriftelijke arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur genieten een vermindering van 10% op de verschuldigde werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid. Die vermindering wordt toegestaan tijdens het jaar volgend op de startbaanovereenkomst, op voorwaarde dat de aanwerving van die werknemer leidt tot een nettotoename van het personeelsbestand en dat de werkgever voldoet aan al zijn verplichtingen inzake startbaanovereenkomsten. Projecten Volgende projecten komen in aanmerking: na een startbaanovereenkomst van ten minste 12 maanden een vermindering van 75% van de lasten gedurende de vier eerste trimesters en van 50% gedurende de vier volgende trimesters; na een startbaanovereenkomst van ten minste 24 maanden een vermindering van 100% van de lasten gedurende de vier eerste trimesters en van 75% gedurende de vier volgende trimesters.

Bijkomende inlichtingen Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid Administratie van de Werkgelegenheid Directie inschakeling van jongeren in het arbeidsproces Belliardstraat 51

Subsidiewegwijzer 2003

80

1040 Brussel Tel.: 02/233.46.79 – 02/233.46.58 Fax: 02/233.48.55

2.3 AANMOEDIGINGSPREMIES IN DE PRIVE-SECTOR Inhoud steunmaatregel Met ingang van 1 januari 2002 werd het bestaande stelsel van de aanmoedigingspremies bij arbeidsduurvermindering of loopbaanonderbreking hervormd en werd de aanmoedigingspremie bij opleidingskrediet, zorgkrediet en in ondernemingen in moeilijkheden of in herstructurering ingevoerd (besluit van de Vlaamse regering van 1 maart 2002, B.S. van 20 maart 2002). Sinds 1 januari 2002 is bovendien de vervangingsplicht afgeschaft. Het nieuwe premiestelsel vormt een aanvulling op de nieuwe federale regeling inzake tijdskrediet (CAO nr. 77 bis van 19 december 2001); het tijdskrediet vervangt vanaf 1 januari 2002 de vroegere loopbaanonderbreking. Begunstigden De hier beschreven maatregelen zijn van toepassing op de werknemers tewerkgesteld in de privé-sector in het Vlaamse Gewest. Voor de werknemers uit de Vlaamse sociale profitsector (besluit van de Vlaamse regering van 3 mei 2002) en de personeelsleden van de Vlaamse openbare sector en het Nederlandstalig onderwijs (besluit van de Vlaamse regering van 22 september 1998) bestaat een analoog stelsel van aanmoedigingspremies. Projecten De toekenning van de hierna vermelde aanmoedigingspremies wordt afhankelijk gemaakt van het afsluiten van sectorakkoorden (op sectorniveau) of van bedrijfsakkoorden of toetredingsakten (op ondernemingsniveau) waarin gestipuleerd moet worden tot welke maatregel(en) de betrokken sector of onderneming zal toetreden. 2.3.1 OPLEIDINGSKREDIET Wat De werknemer die een tijdskrediet opneemt om een opleiding te volgen. Duur De werknemer heeft recht op maximum twee jaar opleidingskrediet gedurende zijn volledige beroepsloopbaan. Werknemers met een loopbaananciënniteit van minstens 20 jaar krijgen 6 maanden extra opleidingskrediet. De aanmoedigingspremie kan voor de volledige periode van de opleiding worden toegekend indien het gaat om tweedekansonderwijs of om een opleiding die toegang geeft tot de uitoefening van een knelpuntberoep. Bedrag. De aanmoedigingspremie bedraagt maandelijks 150, 100 of 50 euro bruto naargelang het gaat om een volledige of gedeeltelijke onderbreking van de beroepsloopbaan. De alleenstaande werknemer, al dan niet met kinderen ten laste, krijgt maandelijks een extra premie van 37 euro. 2.3.2 ZORGKREDIET Wat

Subsidiewegwijzer 2003

81

De werknemer die een tijdskrediet of thematisch verlof (ouderschapsverlof, verlof voor medische bijstand, palliatief verlof) opneemt om zorg te verlenen aan een kind ten laste geboren of geadopteerd na 1/1/1998 (of na 1 januari 1994 voor kinderen die een handicap hebben van minstens 66%), een moeder/vader ouder dan 70 jaar, een zwaar ziek gezins- of familielid of een persoon die ongeneeslijk ziek is. Duur. De werknemer heeft recht op maximum één jaar zorgkrediet gedurende zijn volledige beroepsloopbaan. De werknemer krijgt drie maanden extra zorgkrediet per kind ten laste geboren of geadopteerd na 1/1/1998 (of na 1 januari 1994 voor kinderen die een handicap hebben van minstens 66%). Bedrag De aanmoedigingspremie bedraagt maandelijks 150, 100 of 50 euro bruto naargelang het gaat om een volledige of gedeeltelijke onderbreking van de loopbaan. De alleenstaande werknemer, al dan niet met kinderen ten laste, krijgt maandelijks een extra premie van 37 euro. 2.3.3 STEUN AAN WERKNEMERS VAN ONDERNEMINGEN IN MOEILIJKHEDEN OF IN HERSTRUCTURERING Wat De werknemer, tewerkgesteld in een onderneming in moeilijkheden of in herstructurering, die zijn arbeidsduur vermindert met ten minste 10% van de voltijdse arbeidsregeling en na vermindering nog minstens halftijds werkt. De onderneming moet een federaal attest van erkenning als onderneming in moeilijkheden of in herstructurering bekomen hebben, ofwel moet de onderneming een herstructureringsplan kunnen voorleggen. Deze aanmoedigingspremie mag niet gecumuleerd worden met de onderbrekingsuitkering van de RVA. Duur De werknemer van een onderneming in moeilijkheden of in herstructurering kan de premie maximum twee jaar toegekend krijgen gedurende zijn beroepsloopbaan. Bedrag De aanmoedigingspremie bedraagt maandelijks 125, 75 of 50 euro bruto naargelang de arbeidstijd wordt verminderd met 50%, 20% of tussen 10 en 20% van de voltijdse arbeidsregeling. 2.3.4 SUPPLETIEVE REGELING Wat De werknemer die werkt in een sector of onderneming waar geen sectorakkoord, bedrijfsakkoord of toetredingsakte inzake de aanmoedigingspremies is afgesloten, en die ofwel een tijdskrediet opneemt om tweedekansonderwijs te volgen, ofwel een thematisch verlof opneemt in het kader van het zorgkrediet. Duur Idem als bij opleidingskrediet/zorgkrediet. Bedrag Idem als bij opleidingskrediet/zorgkrediet. Aanvraagprocedure De werknemer moet zijn aanvraag voor de aanmoedigingspremie indienen gedurende de periode van het tijdskrediet of de verminderde arbeidsduur. De premie kan maximum drie maanden, voorafgaand aan de maand van de aanvraag, met terugwerkende kracht worden toegekend. Uitbetaling De aanmoedigingspremies worden door de administratie maandelijks uitbetaald en zijn bovendien geïndexeerd.

Subsidiewegwijzer 2003

82

Bijkomende inlichtingen De infobrochure en het aanvraagformulier te verkrijgen bij: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Tewerkstelling Cel Aanmoedigingspremies Markiesstraat 1 1000 Brussel Tel.: 070/345.000 E-mail: aanmoedigingspremie@vlaanderen.be Website: http://www.vlaanderen.be/werk

2.4 TEGEMOETKOMING BIJ DE AANWERVING VAN PERSONEN MET EEN HANDICAP Inhoud steunmaatregel Werkgevers die personen met een handicap tewerkstellen kunnen - onder bepaalde voorwaarden - in het kader van de toepassing van CAO-26 een loonsubsidie krijgen. In de mate dat het rendement van de werknemers lager ligt dan het normale kan de werkgever gemachtigd zijn een percentage (max 50%) van het loon, de RSZ-bijdragen en de premie arbeidsongevallen, verminderd met andere tewerkstellingsbevorderende subsidies, terugvorderen bij het Vlaams Fonds. Daarnaast kan een tussenkomst worden bekomen in de kosten voor de aanpassing van een arbeidspost, de kosten van arbeidsgereedschap en -kleding. Begunstigden Elke onderneming kan een tegemoetkoming ontvangen bij de aanwerving van een persoon met een handicap in het normaal economisch circuit. Deze maatregel is niet van toepassing in openbare besturen. Uiteraard moet de onderneming wel gevestigd zijn in het Vlaamse Gewest. Projecten Aanwerving van een persoon met een handicap die beschikt over een gunstige beslissing inzake bijstand op het gebied van hulp bij tewerkstelling op de algemene arbeidsmarkt. Diversen De werkgever die een persoon met een handicap tewerkstelt, betaalt het normaal loon volledig uit aan de werknemer. Hij zal een deel hiervan (de financiële tegemoetkoming) recupereren van het Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap. De subsidie wordt niet toegekend aan de werkgever die een valide werknemer vervangt of ontslaat voor de tewerkstelling van een gehandicapte of als de werkgever niet voldoet aan de wettelijke verplichtingen als werkgever. De vroegere maatregel om lange wachttijden van de uitkeringen op te vangen door middel van een voorschottenregeling is per 1 januari 1999 opgeheven. Aanvraagprocedure

Subsidiewegwijzer 2003

83

Zodra de werkgever iemand in dienst neemt die beschikt over een gunstige beslissing inzake bijstand op het gebied van hulp bij tewerkstelling op de algemene arbeidsmarkt van het Vlaams Fonds, moet de werkgever een aanvraag tot machtiging indienen bij de sociale inspectie waaronder zijn bedrijf ressorteert. De sociale inspectie bepaalt het rendementsverlies (maximum 50%). Dit rendementsverlies wordt jaarlijks opnieuw vastgesteld en resulteert telkens in een nieuwe machtiging. De werkgever betaalt het normaal loon volledig aan de werknemer, maar recupereert de financiële tegemoetkoming van het Vlaams Fonds. Daarvoor dient de werkgever op het einde van iedere maand een prestatiestaat in bij de provinciale afdeling van het Vlaams Fonds, die vervolgens de loonsubsidie uitbetaalt.

Bijkomende inlichtingen Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap Sterrenkundelaan 30 1210 Brussel Tel.: 02/225.84.11 Fax: 02/225.84.05

2.5 INSCHAKELINGSPREMIE Inhoud steunmaatregel Werkgevers die een persoon met een handicap tewerkstellen, kunnen een inschakelingspremie krijgen (als alternatief voor CAO-26) die overeenstemt met een terugbetaling van 30% van het referteloon voor de bedrijfssector waartoe het bedrijf behoort, verhoogd met de patronale lasten en verminderd met andere tewerkstellingsbevorderende subsidies. Daarnaast kan een tussenkomst worden bekomen in de kosten voor de aanpassing van een arbeidspost, de kosten van arbeidsgereedschap en -kleding. Begunstigden Elke werkgever uit de privé-sector kan een tegemoetkoming ontvangen bij de aanwerving van een persoon met een handicap. De persoon met een handicap moet verblijven in het toepassingsgebied van de Vlaamse Gemeenschap. Projecten Aanwerving van een persoon met een handicap, die beschikt over een gunstige beslissing inzake bijstand op het gebied van hulp bij tewerkstelling op de algemene arbeidsmarkt. Diversen De persoon met een handicap moet ingeschreven zijn bij het Vlaams Fonds en toelating hebben tot het gebruik van 'Bijstand bij opleiding en werk op de open arbeidsmarkt'. Deze toelating geeft toegang tot meerdere formules die kunnen helpen bij de integratie in het werkmilieu, waaronder de toekenning van een inschakelingspremie aan de werkgever. De toekenning van de inschakelingspremie is niet beperkt in tijd. De toekenning blijft lopen tot het einde van de tewerkstelling. De aanvraag tot uitbetaling en de bewijsstukken worden ingediend bij de provinciale afdeling van het Vlaams Fonds waar de tewerkgestelde persoon met een handicap woont. Deze aanvraag wordt ingediend

Subsidiewegwijzer 2003

84

binnen de veertien dagen na afloop van het kwartaal, het Vlaams Fonds keert de inschakelingspremie uit aan het bedrijf binnen de 45 dagen.

Bijkomende inlichtingen Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap Sterrenkundelaan 30 1210 Brussel Tel.: 02/225.84.11 Fax: 02/225.84.05

Subsidiewegwijzer 2003

85

DEEL IV : STEUN BIJ OPLEIDINGEN 1. VLAAMSE DIENST VOOR ARBEIDSBEMIDDELING EN BEROEPSOPLEIDING (VDAB)

1.1 COLLECTIEVE OPLEIDINGEN IN EIGEN BEHEER OF IN SAMENWERKING MET DERDEN Inhoud steunmaatregel De Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) organiseert een aantal beroepsopleidingen waar ondernemingen steun voor kunnen ontvangen. Eén van die opleidingen is de collectieve opleiding in eigen beheer of in samenwerking met derden. Deze opleidingen kunnen volledig met eigen middelen of met medewerking van derden georganiseerd worden voor werkzoekenden en voor werknemers. Voor de opleidingen voor werkzoekenden en werknemers op eigen verzoek wordt een overeenkomst afgesloten tussen de cursist en de VDAB. De werkzoekende kan de opleiding gratis volgen. Voor werknemersopleidingen op eigen verzoek dient een remgeld betaald te worden. Voor de opleidingen voor werknemers op vraag van de werkgever wordt een overeenkomst opgemaakt tussen de VDAB en de werkgever, waarbij de kostprijs van de opleiding wordt vastgelegd. Begunstigden De collectieve opleidingen in eigen beheer of in samenwerking met derden zijn er voor alle kleine, middelgrote en grote ondernemingen, dus zowel voor de bestaande als voor de starters. Enkel beoefenaars van een vrij beroep en zelfstandigen komen niet in aanmerking voor deze collectieve opleidingen. Er zijn geen uitgesloten sectoren. Uiteraard moeten de ondernemingen gevestigd zijn in het Vlaamse Gewest. Projecten Volgende projecten komen in aanmerking: - opleiding van werknemers; - opleiding van werkzoekenden; - opleiding van risicowerknemers die ten laatste twee jaar na de aanwerving worden opgeleid; - opleiding van werknemers die behoren tot een onderneming in moeilijkheden of herstructurering; - opleiding van werknemers die met (collectief of individueel) ontslag bedreigd zijn; - opleiding van laaggeschoolde en langdurige werklozen in gewone economische bedrijven; - opleiding voor uitkeringsgerechtigde werklozen in beroepen waarvoor er geen arbeidskrachten beschikbaar zijn; - opleiding van (recent) ontslagen werknemers; - opleiding van laaggeschoolde personen bedreigd met langdurige werkloosheid (minder dan hoger secundair onderwijs of geen derde graad beroepsonderwijs); - opleiding van laaggeschoolde jonge werkzoekenden (minder dan hoger secundair onderwijs of geen derde graad beroepsonderwijs); - opleiding van personen bedreigd met uitsluiting van de arbeidsmarkt (personen met een handicap, migranten, zeer langdurige werklozen, bestaansminimumtrekkers en niet-gedomicilieerden, exgedetineerden, politieke vluchtelingen wiens aanvraag tot erkenning ontvankelijk werd verklaard en beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt); - opleiding - tewerkstelling van jongeren van 18 tot 25 jaar; - opleiding in beroepen en functies waarvoor er een tekort bestaat op de arbeidsmarkt; - opleiding van vrouwen in het kader van het gelijke-kansen-beleid (herintredende vrouwen, werkloze vrouwen met geringe beroepskwalificaties); - opleidingen ter bevordering van de integratie van een persoon met een handicap in het arbeidsproces (personen met een handicap);

Subsidiewegwijzer 2003

86

-

opleidingen gericht op de toepassing van telematica, informatica en logistiek; opleidingen gericht op het algemeen bedrijfsbeheer, het management en de organisatie van de onderneming; andere opleidingsinitiatieven.

Diversen Bij opleidingen op vraag van de werkgever zijn een aantal vrijstellingsmaatregelen voor betaling van de opleidingskosten voorzien. Deze gelden voor risicowerknemers die de opleiding starten binnen de zes maanden na de indienstneming, werknemers die met werkloosheid bedreigd zijn, werkgevers met maximum 25 werknemers in dienst of werknemers die medisch ongeschikt zijn. Aanvraagprocedure De aanvragen voor vrijstelling van betaling van de opleidingskosten worden gericht aan het plaatselijk klantencentrum van de VDAB die de opleiding verzorgt. Bijkomende inlichtingen VDAB – Training en Opleiding Keizerslaan 11 1000 Brussel Tel.: 02/506.29.20 Fax: 02/506.29.52

1.2 OPLEIDING IN EEN ERKEND CENTRUM Inhoud steunmaatregel De Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) organiseert een aantal beroepsopleidingen waar ondernemingen steun voor kunnen ontvangen. Eén van die opleidingen is de opleiding in een erkend centrum. Deze opleidingen worden georganiseerd voor werknemers en werkzoekenden in centra die opgericht zijn op initiatief van ondernemingen, groeperingen van ondernemingen of openbare besturen. Deze centra worden jaarlijks erkend door de Vlaams minister van Tewerkstelling op advies van het beheerscomité van de VDAB. Op dit ogenblik zijn er twee erkende centra: - Centrum voor Opleiding Bij- en Omscholing voor de Textiel- en Breigoednijverheid (COBOT); - Vervolmakingscentrum voor Lassers (VCL). Begunstigden De opleidingen in een erkend centrum zijn er voor alle kleine, middelgrote en grote ondernemingen, dus zowel voor de bestaande als voor de starters. Enkel beoefenaars van een vrij beroep en zelfstandigen komen niet in aanmerking voor de opleiding in een erkend centrum. Er zijn geen uitgesloten sectoren, op uitzondering van onderwijs en openbare besturen en defensie. Het spreekt voor zich dat de ondernemingen gevestigd moeten zijn in het Vlaamse Gewest. Projecten Volgende projecten komen in aanmerking: - opleiding van werknemers;

Subsidiewegwijzer 2003

87

-

-

opleiding van werkzoekenden; opleiding van risicowerknemers die ten laatste twee jaar na de aanwerving worden opgeleid; opleiding van werknemers die behoren tot een onderneming in moeilijkheden of herstructurering; opleiding van werknemers die met (collectief of individueel) ontslag bedreigd zijn; opleiding van laaggeschoolde en langdurige werklozen in gewone economische bedrijven; opleiding voor uitkeringsgerechtigde werklozen in beroepen waarvoor er geen arbeidskrachten beschikbaar zijn; opleiding van (recent) ontslagen werknemers; opleiding van laaggeschoolde personen bedreigd met langdurige werkloosheid (minder dan hoger secundair onderwijs of geen derde graad beroepsonderwijs); opleiding van laaggeschoolde jonge werkzoekenden (minder dan hoger secundair onderwijs of geen derde graad beroepsonderwijs); opleiding van personen bedreigd met uitsluiting van de arbeidsmarkt (personen met een handicap, migranten, zeer langdurige werklozen, bestaansminimumtrekkers en niet-gedomicilieerden, exgedetineerden, politieke vluchtelingen wiens aanvraag tot erkenning ontvankelijk werd verklaard en beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt); opleiding van uitkeringsgerechtigde werklozen in beroepen waarvoor er geen arbeidskrachten beschikbaar zijn; opleiding van vrouwen in het kader van het gelijke-kansen-beleid (herintredende vrouwen, werkloze vrouwen met geringe beroepskwalificaties); opleiding ter bevordering van de integratie van een persoon met een handicap in het arbeidsproces (personen met een handicap); ….

Diversen De VDAB komt tussen in het loon van de instructeur (a rato van het loon van een VDAB-instructeur) en in het productieverlies van de werknemers (a rato van het gewaarborgd minimum maandloon overeenkomstig CAO nummer 43bis). Bijkomende inlichtingen VDAB – Training en Opleiding Keizerslaan 11 1000 Brussel Tel.: 02/506.29.20 Fax: 02/506.29.52

1.3 INDIVIDUELE BEROEPSOPLEIDING IN DE ONDERNEMING Inhoud steunmaatregel De Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) organiseert een aantal beroepsopleidingen waar ondernemingen steun voor kunnen ontvangen. Eén van die opleidingen is de individuele beroepsopleiding in de onderneming. Deze opleiding is een vorm van opleiding die in principe gereserveerd blijft voor beroepen waarvoor er geen arbeidskrachten beschikbaar zijn en waarvoor geen beroepsopleidingscentra van de VDAB opgericht zijn. Een individuele opleiding kan afgesloten worden met het oog op de aanpassing en de vervolmaking van de beroepsbekwaamheden van een werkloze of met het oog op het aanleren van een beroep aan een werkloze om die toe te laten na afloop van de opleiding door de onderneming aangeworven te worden.

Subsidiewegwijzer 2003

88

Iedereen kan een individuele beroepsopleiding in de onderneming volgen. Er zijn geen specifieke doelgroepen. Begunstigden Kleine, middelgrote en grote ondernemingen (starters en niet-starters), vzw's en administratieve overheden kunnen een individuele opleiding in de onderneming organiseren. Alle ondernemingen moeten gevestigd zijn in het Vlaamse Gewest. Projecten Volgende projecten komen in aanmerking: - opleiding voor uitkeringsgerechtigde werklozen in beroepen waarvoor er geen arbeidskrachten beschikbaar zijn; - opleiding van werkzoekenden; - opleiding in beroepen en functies waarvoor er een tekort bestaat op de arbeidsmarkt; - opleiding van laaggeschoolde en langdurige werklozen in gewone economische bedrijven; - opleiding van laaggeschoolde personen bedreigd met langdurige werkloosheid (minder dan hoger secundair onderwijs of geen derde graad beroepsonderwijs); - opleiding van personen bedreigd met uitsluiting van de arbeidsmarkt (personen met een handicap, migranten, zeer langdurige werklozen, bestaansminimumtrekkers en niet-gedomicilieerden, exgedetineerden, politiek vluchtelingen wiens aanvraag tot erkenning ontvankelijk werd verklaard en beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt); - opleiding van vrouwen in het kader van het gelijke-kansen-beleid (herintredende vrouwen, werkloze vrouwen met geringe beroepskwalificaties); - … Diversen De opleidingsduur bedraagt minimum 1 en maximum 6 maand en wordt vastgelegd op basis van een gedetailleerd opleidingsprogramma dat in gemeenschappelijk overleg tussen de onderneming en het lokaal klantencentrum van de VDAB wordt vastgelegd, rekening houdend met de geschooldheid van de cursist. Dit programma wordt aan het contract gehecht. Na advies van het subregionaal tewerkstellingscomité kan, omwille van de pedagogische noodzaak, de duurtijd vastgelegd worden tot maximum 12 maanden voor een laaggeschoolde en tevens langdurige uitkeringsgerechtigde werkloze. Tijdens de opleiding ontvangt de cursist, naast zijn werkloosheidsuitkeringen of leefloon vanwege de VDAB een productiviteitspremie die progressief is. Het bedrag van de premie wordt vastgelegd op basis van de duurtijd van de opleiding en van het 'normaal loon' dat voor het aangeleerde beroep is vastgelegd. Deze premie wordt uitgedrukt als een percentage van het verschil tussen het normale loon in het beroep en de uitkering waar de cursist recht op heeft uit hoofde van werkloosheid of leefloon. Indien de cursist geen uitkering geniet uit hoofde van werkloosheid of leefloon wordt het bedrag van de productiviteitspremie uitgedrukt als een percentage van het verschil tussen het normaal loon in het beroep en een compensatievergoeding. Deze compensatievergoeding is ten laste van de VDAB en kan worden verminderd met het bedrag van een andere financiële tussenkomst toegekend door de federale of de Vlaamse overheid in het kader van opleiding. De hoogte van de compensatievergoeding bedraagt 9,60 euro per dag in een regime van de zesdagenweek. Het bedrag kan worden gewijzigd door de Vlaamse regering na advies van het beheerscomité. De onderneming is aan de VDAB maandelijks een bedrag verschuldigd volgens een percentage van het verschil tussen het normale loon in het beroep en de gemiddelde werkloosheidsuitkering. De gemiddelde werkloosheidsuitkering wordt door het beheerscomité vastgelegd voor een volledig kalenderjaar. De werkgever verbindt er zich toe de cursist, die in de onderneming een beroepsopleiding heeft gevolgd, onmiddellijk na het einde van de opleiding in het aangeleerd beroep in loondienst te werk te stellen met een contract van onbepaalde duur en voor een duur ten minste gelijk aan de duur van de opleiding.

Subsidiewegwijzer 2003

89

Bijkomende inlichtingen VDAB – Training en Opleiding Keizerslaan 11 1000 Brussel Tel.: 02/506.29.20 Fax: 02/506.29.52

1.4 INDIVIDUELE BEROEPSOPLEIDING IN EEN ONDERWIJSINRICHTING Inhoud steunmaatregel De Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) organiseert een aantal beroepsopleidingen waar ondernemingen steun voor kunnen ontvangen. Eén van die opleidingen is de individuele beroepsopleiding in een onderwijsinrichting. Deze opleiding is voorbehouden voor beroepen en functies waarvoor de opleidingsmogelijkheden in eigen beheer door de VDAB onbestaande of onvoldoende zijn. Daarbij moet het gaan om kwalificaties waarvoor een structureel tekort bestaat op de arbeidsmarkt. Deze kwalificaties worden jaarlijks vastgelegd in een limitatieve lijst opgesteld door het college van leidende ambtenaren. Momenteel bevat de lijst de volgende kwalificatie: verpleegkundige (niveau A1 en A2). Begunstigden Deze opleidingen worden verstrekt in een door de openbare besturen opgerichte, erkende of gesubsidieerde inrichting voor onderwijs. Deze onderwijsinrichtingen moeten gevestigd zijn in het Vlaamse Gewest. Projecten Volgende projecten komen in aanmerking: - opleiding in beroepen en functies waarvoor er een tekort bestaat op de arbeidsmarkt; - opleiding voor uitkeringsgerechtigde werklozen in beroepen waarvoor er geen arbeidskrachten beschikbaar zijn; - opleiding van werkzoekende; - opleiding in beroepen en functies waarvoor er een tekort bestaat op de arbeidsmarkt; - opleiding van laaggeschoolde en langdurige werklozen in gewone economische bedrijven; - opleiding van laaggeschoolde personen bedreigd met langdurige werkloosheid (minder dan hoger secundair onderwijs of geen derde graad beroepsonderwijs); - opleiding van laaggeschoolde jonge werkzoekenden (minder dan hoger secundair onderwijs of geen derde graad beroepsonderwijs); - opleiding van personen bedreigd met uitsluiting van de arbeidsmarkt (personen met een handicap, migranten, zeer langdurige werklozen, bestaansminimumtrekkers en niet-gedomicilieerden, exgedetineerden, politiek vluchtelingen wiens aanvraag tot erkenning ontvankelijk werd verklaard en beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt); - opleiding van vrouwen in het kader van het gelijke-kansen-beleid (herintredende vrouwen, werkloze vrouwen met geringe beroepskwalificaties); - … Diversen De cursist die een individuele beroepsopleiding in een onderwijsinrichting volgt en tot één van de volgende doelgroepen behoort: uitkeringsgerechtigde werkloze, niet-uitkeringsgerechtigde werkzoekende en leefloontrekker. Een schoolverlater in wachttijd komt hiervoor niet in aanmerking. De

Subsidiewegwijzer 2003

90

uitkeringsgerechtigde werkloze moet minimum 22 jaar zijn of de studies in het dagonderwijs minimum 2 jaar beëindigd hebben. Bovendien geeft het Sociaal Fonds van de privé-ziekenhuizen voor de opleiding tot verpleegkundige aan de cursisten (verpleger of verpleegster) een aantal financiële voordelen indien voldaan wordt aan bepaalde voorwaarden.

Bijkomende inlichtingen VDAB – Training en Opleiding Keizerslaan 11 1000 Brussel Tel.: 02/506.29.20 Fax: 02/506.29.52

2.

OVEREENKOMSTEN WERK-OPLEIDING

Inhoud steunmaatregel De overeenkomsten werk-opleiding beogen de inschakeling van mindergeschoolde jongeren van 18 tot 25 jaar in het beroepsleven. De werkgever sluit hiertoe een specifieke overeenkomst werk-opleiding, bestaande uit twee delen: - een gewone arbeidsovereenkomst van bepaalde of onbepaalde duur die voorziet in minimaal halftijdse arbeidsprestaties. De arbeidsduur van de overeenkomst, verminderd met de duur van de opleiding, mag op jaarbasis de voltijdse arbeidsduur niet overschrijden; - een overeenkomst werk-opleiding waarin de rechten en verplichtingen inzake het luik opleiding worden vastgelegd. De opleiding moet minstens 240 uren per jaar bedragen. De opleiding moet direct of indirect in verband staan met de functie die door de jongere wordt uitgeoefend in uitvoering van de arbeidsovereenkomst. De werkgevers die jongeren tewerkstellen in het kader van dergelijke overeenkomsten genieten vermindering van de bijdragen voor sociale zekerheid. Begunstigden Alle ondernemingen, ook overheidsdiensten, komen in aanmerking voor een overeenkomst werkopleiding. Projecten Volgende projecten komen in aanmerking: - opleiding-tewerkstelling van jongeren van 18 tot 25 jaar; - aanwerving van een jongere tussen 18 en 25 jaar die niet over een diploma hoger onderwijs beschikt; - … Een overeenkomst werk-opleiding kan worden gecombineerd met een startbaanovereenkomst.

Bijkomende inlichtingen Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid

Subsidiewegwijzer 2003

91

Administratie van de Werkgelegenheid Directie inschakeling van jongeren in het arbeidsproces Belliardstraat 51 1040 Brussel Tel.: 02/233.47.16 – 02/233.48.77 Fax: 02/233.48.55

3.

SECTORALE VORMINGSPREMIES

Inhoud steunmaatregel Cevora is het vormingscentrum van het ANPCB (Aanvullend Nationaal Paritair Comité voor Bedienden), beter gekend als Paritair Comité 218. Cevora organiseert kosteloze opleidingen voor bedienden en werkzoekenden en kent ook opleidingspremies toe aan werkgevers die hun bedienden opleiden. Begunstigden De bedrijven en bedienden van de sector 218. Elke werkgever die tot het ANPCB behoort kan een premie aanvragen voor een opleiding die hij voor zijn bedienden van 45 jaar of ouder organiseert. Bovendien kunnen er ook premies worden aangevraagd voor bedienden jonger dan 45 jaar op voorwaarde dat de onderneming een opleidingsplan heeft laten registreren in het kader van de sectorale CAO van 15 mei 2003. Projecten Alle opleidingen komen in aanmerking (zowel binnen als buiten de werkuren, binnen en buiten het bedrijf). Wel moeten zij voldoen aan twee voorwaarden: - rechtstreeks verband houden met de functie van de bedienden; - niet volledig bedrijfseigen zijn: ze mogen bijvoorbeeld niet gaan over het bedrijf zelf of over een specifiek product van het bedrijf. Leveranciersopleidingen komen dus evenmin in aanmerking. Opleidingen die mede door Cevora worden georganiseerd komen uiteraard niet in aanmerking voor een financiële tussenkomst, gratis opleidingen evenmin. Opleidingen waarbij gebruik wordt gemaakt van alternatieve leermethoden zoals CD-Rom, afstandsleren, … komen in aanmerking voor subsidiëring voor zover er een controleerbaar registratiesysteem voorhanden is. Cevora kent een forfaitair bedrag toe per dag per persoon (of per halve dag/avond per persoon). Voor taalopleidingen worden aparte tussenkomsten berekend. Werknemers + 45 jaar Per dag Per halve Taaldag opleidingen Registratie opleidingsplan € 80,00 Geen registratie opleidingsplan € 40,00 € 14,00/uur € 40,00 € 20,00 € 7,00/uur Werknemers – 45 jaar Per halve Taaldag opleidingen

Per dag

€ 40.00

€ 20,00

€ 7,00/uur

Subsidiewegwijzer 2003

92

Op deze algemene regel bestaat er één uitzondering: voor opleidingen die buiten de werktijd doorgaan met een externe docent is de forfaitaire tussenkomst vanwege Cevora beperkt tot het inschrijvingsgeld. Daarenboven is er per opleiding een bijkomend plafond ingesteld van 371,84 euro. Indien er een opleidingsplan geregistreerd werd in het kader van de CAO, dan bedraagt dit bijkomend plafond 743,69 euro en dit enkel voor werknemers die 45 jaar of ouder zijn. De limiet per bedrijf is vastgesteld op twee maal de jaarbijdrage van het bedrijf aan het Sociaal Fonds van de sector (0,20% van de loonmassa) met een minimum van 5.000 euro. Diversen Cevora biedt ook andere diensten aan, waaronder: - kosteloze opleidingen voor bedienden (meer dan 150 opleidingsthema’s); - kosteloze opleidingen voor opleidingsverantwoordelijken, trainers en begeleiders; - gratis begeleidingsprogramma voor ontslagen bedienden; - kosteloze opleidingen voor werkzoekenden; - industrieel Leerlingwezen; - opleidingssteun voor individuele bedienden; - prijsreducties bij vormingsinstellingen; - informatie over het bestaand opleidingsaanbod; - studies en analyses rond vorming en tewerkstelling.

Bijkomende inlichtingen CEVORA E. Plaskylaan 144 1030 Brussel Tel.: 02/734.62.11 Fax: 02/734.52.32 E-mail: info@cevora.be Website: http://www.cevora.be

4. PROJECTEN TER STIMULERING VAN DE EVENREDIGE ARBEIDSDEELNAME EN DIVERSITEIT IN ONDERNEMINGEN (DIVERSITEITSPLANNEN, INSTROOMPROJECTEN, JOBROTATIESPROJECT, …) Inhoud steunmaatregel Een centraal uitgangspunt van het Vlaams werkgelegenheidsbeleid is meer dan ooit de idee van evenredige arbeidsparticipatie. De doelstelling is het aanbieden van kansen aan groepen die mede omwille van stereotypen, vooroordelen en discriminatie geconfronteerd worden met uitsluiting op (delen van) de arbeidsmarkt. Het streven is een personeelsbeleid in ondernemingen te ontwikkelen dat waardering van verschil als uitgangspunt neemt. De werkzaamheidsgraad van kansengroepen verhogen en op termijn hun evenredige arbeidsdeelname realiseren is het doel. Om deze doelstellingen te realiseren wordt er gewerkt aan de hand van concrete actieplannen en instrumenten ter introductie van een Human Resources-beleid voor kansengroepen. Vanaf 1999 hebben de Subregionale Tewerkstellingscomités (STC) de doelstelling om innovatieve projecten op te starten om vraag en aanbod op de arbeidsmarkt dichter bij elkaar te brengen, in het bijzonder daar waar het de integratie van kansengroepen in de reguliere economie betreft. In 1999 werd een eerste begin gemaakt om via de positieve actieplannen in ondernemingen en instellingen het concept

Subsidiewegwijzer 2003

93

'management van diversiteit' te implementeren in het personeelsbeleid. Dit gebeurt inmiddels via een geïntegreerde benadering van evenredige participatie voor alle kansengroepen. Deze aanpak past binnen het kader van de Europese werkgelegenheidsrichtsnoeren en de vertaling ervan in het jaarlijkse 'Vlaams actieplan Europese werkgelegenheidsrichtsnoeren'. Daarnaast hebben de STC’s sedert 1999 meerdere innovatieve projecten opgestart om tegemoet te komen aan knelpuntvacatures, opleidingsbehoeften van werknemers, enzovoort. Dit heeft zich vertaald in verschillende projecten zoals het methodiek-project Kompas, het project Jobcoaching, waarin de STC’s hun ervaringen bundelen met het oog op verspreiding naar reguliere actoren. Onder de nieuwe noemer VESOC-actieplan 'Diversiteit en evenredige arbeidsdeelname' worden de klassieke mogelijkheden voor ondernemingen, STC's (subregionale tewerkstellingscomités) en sectoren verruimd. Gaf men in de eerste uitgave van de actieplannen prioritaire aandacht aan de kansengroep alloc htonen, momenteel is er sprake van een geïntegreerde benadering van de kansengroepen die in het VESOC worden vastgelegd. Actieplannen in ondernemingen richten zich naar één of meerdere van de volgende kansengroepen: allochtonen, vrouwen, arbeidsgehandicapten, ouderen. De projectinstrumenten die daarvoor ontwikkeld werden, zijn in grote lijnen de volgende: instroomprojecten en leereilanden waarbij kansengroepen naar knelpuntberoepen in bedrijven worden toegeleid, waarbij zij de nodige technische en persoonsgerichte vorming en begeleiding krijgen en het doel is te komen tot duurzame aanwerving; jobrotatieprojecten en taaksplitsingprojecten waarbij personen uit kansengroepen al dan niet tijdelijk in een bedrijf worden aangenomen en al lerend op de werkvloer breder en duurzaam inzetbaar worden; diversiteitsacties waarbij opleiding en integratie van nieuwe en al aanwezige werknemers uit kansengroepen in een bedrijf gekoppeld worden aan het introduceren van een op diversiteit gericht beleid van aanwerving, onthaal en opleiding en ruimer Human Resources-beleid. Voor het introduceren en bestendigen van diversiteit in ondernemingen geeft de Vlaamse regering de mogelijkheid tot subsidiëring van goede actieplannen. Voor aanvragen in dit kader kunt u terecht bij het STC van uw regio (http://www.stcvl.be). Om als beste praktijk voor subsidie in aanmerking te komen, moeten de ondernemingen een geïntegreerd actieplan indienen waarin meerdere kansengroepen aan bod komen. Begunstigden Bestaande of startende kleine, middelgrote en grote ondernemingen kunnen aankloppen voor ondersteuning en begeleiding van diversiteitsprojecten. Maar ook andere sectoren komen in aanmerking, zoals de non-profit-sector die aan kandidaat-werknemers contracten kunnen aanbieden die beschouwd worden als tewerkstelling in het normaal economisch circuit. Aanvraagprocedure Aanvragen tot het starten van een actieplan in het kader van diversiteit en evenredige arbeidsdeelname dienen voorgelegd te worden aan het STC van de regio waar de betreffende onderneming is gelegen. Hiervoor kan men contact opnemen met de projectontwikkelaars van het STC.

Bijkomende inlichtingen Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Administratie Werkgelegenheid STC-coördinatieteam Markiesstraat 1 1000 Brussel Tel.: 02/553 43 33 Fax: 02/553 40 10 Website: http://www.stcvl.be

Subsidiewegwijzer 2003

94

5.

VLAAMS INSTITUUT VOOR HET ZELFSTANDIG ONDERNEMEN (VIZO)

5.1 VORMING 5.1.1 VIZO - LEERTIJD Inhoud steunmaatregel Het Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen (VIZO) werd door de Vlaamse overheid opgericht met als doel het zelfstandig ondernemen te bevorderen door vorming en begeleiding. De vorming van zelfstandigen en KMO's gebeurt in de 16 VIZO-centra (22 lesplaatsen). Er zijn drie niveaus van opleiding te onderscheiden: de leertijd, de ondernemersopleiding en de voortgezette vorming. De leertijd is de initiële beroepsopleiding voor leerjongeren vanaf 15-16 jaar die via een leerovereenkomst met een ondernemingshoofd-opleider een basis verwerven om als medewerker in het bedrijf te functioneren. De leertijd omvat een praktische opleiding in een bedrijf of bij een zelfstandige gedurende 4 dagen per week en 1 dag theoretische opleiding in een VIZO-centrum. Met het getuigschrift leertijd voldoet men voor de meeste gereglementeerde beroepen aan de vestigingsvoorwaarden inzake beroepskennis. Begunstigden Zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen komen in aanmerking voor het begeleiden van een leerjongere. Het ondernemingshoofd-opleider moet aan de volgende voorwaarden voldoen: - 25 jaar geworden zijn en ten minste 5 jaar beroepspraktijk hebben, waarvan 2 jaar als ondernemingshoofd (23 jaar voor wie een diploma ondernemersopleiding heeft); - in orde zijn met het handelsregister en de vestigingswet; - waarborgen bieden dat hij een degelijke praktijkopleiding kan en wil geven; - zich aansluiten bij een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk en zorgen voor een arbeidsongevallenverzekering. Projecten Volgend project komt in aanmerking: - leerovereenkomst of leerverbintenis voor jongeren (al dan niet leerplichtig); - … Diversen Het ondernemingshoofd-opleider geeft een leervergoeding aan de leerjongere. Voor jongeren onder 18 jaar bedraagt deze 247,42 euro voor het eerste jaar, 329,90 euro voor het tweede jaar en 409,02 euro voor het derde jaar. Voor leerjongeren boven de 18 jaar zijn de bedragen respectievelijk 329,90 euro, 371,15 en 409,02 euro per maand. Deze bedragen worden elk jaar aan de index aangepast. De erkende leerovereenkomsten vallen gedeeltelijk onder de toepassing van de sociale zekerheid. Alleen de regelingen betreffende de jaarlijkse vakantie, de arbeidsongevallen en de beroepsziekten zijn van toepassing op de leerlingen.

Bijkomende inlichtingen Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen Afdeling POB-Vorming Kanselarijstraat 19 1000 Brussel Tel.: 02/227.63.93 Fax: 02/227.63.91

Subsidiewegwijzer 2003

95

E-mail: info@vizo.be Website: http://www.vizo.be

5.1.2 VIZO - ONDERNEMERSOPLEIDING Inhoud steunmaatregel De ondernemersopleiding is een twee- of driejarige opleiding voor (jong-)volwassenen die zich willen voorbereiden op de uitoefening van een zelfstandig beroep. De ondernemersopleiding bestaat uit cursussen bedrijfsbeheer of bedrijfsmanagement die de toekomstige bedrijfsleider voorbereiden op het beleid van een KMO en de cursussen beroepskennis die het werk van de zelfstandige in een theoretisch kader plaatsen. De beroepskennis heeft betrekking op een 300-tal beroepen. De ondernemersopleiding kan ook gekoppeld worden aan een stageovereenkomst. Het ondernemingshoofd-opleider kan op die manier een toekomstig werknemer vormen. Steeds meer ondernemersopleidingen worden aangeboden onder de vorm van een modulair ondernemerstrajcect dat korter of langer kan zijn in functie van reeds verworven voorkennis. Begunstigden Zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen komen in aanmerking voor deze opleidingen. Bijna alle sectoren komen in aanmerking. Via de opleiding voldoen de kandidaat-zelfstandigen aan de reglementeringen die noodzakelijk zijn om zich voor bepaalde beroepen te vestigen (vestigingswet, programmawet). Voor de stageovereenkomst dient het ondernemingshoofd-opleider aan dezelfde voorwaarden te voldoen als voor de leerovereenkomst (cfr. 5.1.1 Vizo-Leertijd). Projecten Volgende projecten komen in aanmerking: - opleiding van kandidaat zelfstandigen en ondernemers; - opleiding van startende zelfstandigen en ondernemers; - opleiding gericht op beroepskennis; - opleidingen gericht op de toepassing van de telematica, informatica en logistiek; - opleidingen gericht op het algemeen bedrijfsbeheer, het management en de organisatie van de onderneming; - opleidingen in het kader van de binnenvaart; - aanwerving van een jongere zonder beroepservaring als stagiair; - … Diversen In het kader van de cursussen bedrijfsbeheer kunnen cursussen 'Bedrijfsmanagement voor KMO' georganiseerd worden. Deze cursus richt zich tot de bedrijfsleiders en leidinggevenden met een hogere vooropleiding. Er worden ook versnelde cursussen bedrijfsbeheer georganiseerd in het kader van de programmawet van 10 februari 1998 inzake de bevordering van het ondernemerschap. De stageovereenkomst vormt een praktische opleiding in een onderneming gekoppeld aan de theoretische opleiding in een VIZO-centrum. Bij deze overeenkomst betaalt het ondernemingshoofdopleider een stagevergoeding. Voor een stagiair met onvoldoende vooropleiding is dat 409,02 euro (+ kinderbijslag) voor het eerste jaar, 581,09 euro voor het tweede jaar en 686,74 euro voor het derde jaar. Voor stagiairs met voldoende vooropleiding zijn de bedragen respectievelijk 581,09 euro, 686,74 en 686,74 euro. De cursisten-stagiairs vallen gedeeltelijk onder de toepassing van de sociale zekerheid.

Subsidiewegwijzer 2003

96

Bijkomende inlichtingen Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen Afdeling POB-Vorming Kanselarijstraat 19 1000 Brussel Tel.: 02/227.63.93 Fax: 02/227.63.91 E-mail: info@vizo.be Website: http://www.vizo.be

5.1.3 VIZO - VOORTGEZETTE VORMING Inhoud steunmaatregel Onder de noemer voortgezette vorming realiseren de VIZO-centra, de organisaties van zelfstandigen en KMO's en de beroepsorganisaties een brede waaier van verdere opleidings- en vormingsinitiatieven. Een initiatief onder de noemer voortgezette vorming is de 'vervolmaking' onder de vorm van studiedagen en seminaries met als doel de beroepswaarde van de deelnemers te verhogen en zich aan de technische, economische en sociale evolutie aan te passen. Daarnaast is er de 'bijscholing' die de deelnemers een grondige kennis van technieken wil bijbrengen of hun kennis inzake mogelijke problemen binnen de onderneming wil bijschaven. De VIZO-centra organiseren eveneens taalcursussen die de deelnemers een bedrijfseconomisch taalgebruik bijbrengen. Begunstigden Zowel zelfstandigen als kleine en middelgrote ondernemingen en hun naaste medewerkers komen in aanmerking voor betoelaagde opleidingen in de voortgezette vorming. Projecten Volgende projecten komen in aanmerking: - opleiding van werknemers, naaste medewerkers; - opleidingsprogramma's internationale economische relaties of exportaangelegenheden; - opleidingen gericht op de toepassing van de telematica, informatica en logistiek; - opleidingen gericht op het algemeen bedrijfsbeheer, het management en de organisatie van de onderneming; - opleidingen gericht op verbetering marktinzicht; - opleidingen gericht op kostprijsverbetering, prijsvorming; - andere opleidingsinitiatieven; - … Bijkomende inlichtingen Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen Afdeling POB-Vorming Kanselarijstraat 19 1000 Brussel Tel.: 02/227.63.93 Fax: 02/227.63.91 E-mail: info@vizo.be Website: http://www.vizo.be

Subsidiewegwijzer 2003

97

5.2 VORMGEVING Inhoud steunmaatregel Het Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen (VIZO) werd door de Vlaamse overheid opgericht met onder andere als doel de promotie van de hedendaagse toegepast kunst (keramiek, textiel, glas, meubelen, juwelen,…), grafische en industriële vormgeving in Vlaanderen. Deze promotie gebeurt via: - toelagen voor projecten die op artistiek, educatief of commercieel vlak stimulansen bieden aan de vormgeving in Vlaanderen; - deelname aan binnen- en buitenlandse interieurbeurzen; - publicatie van het tijdschrift Kwintessens; - organisatie van tentoonstellingen in de eigen galerie van het VIZO en elders; - organisatie van workshops en symposia; - … Bovendien staat de dienst vormgeving in voor: - advies aan individuele ontwerpers in het starten van hun ateliers; - informatie aan buitenlandse organisaties en kunstenaars om hun weg te vinden in de hedendaagse ontwerperswereld in Vlaanderen; - … Begunstigden Jaarlijks organiseert het VIZO een Lente- en Herfstselectie die openstaan voor alle afgestudeerde ontwerpers in Vlaanderen. Een externe, deskundige jury selecteert de ontwerpers op basis van criteria als authenticiteit, eigentijds en technisch perfect afgewerkt. De ontwerpers die geselecteerd zijn, kunnen in aanmerking komen voor deelname aan de promotionele activiteiten van de dienst Vormgeving. Ook de organisatoren van initiatieven rond Vlaamse vormgeving kunnen in aanmerking komen voor steun.

Bijkomende inlichtingen Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen Dienst Vormgeving Kanselarijstraat 19 1000 Brussel Tel.: 02/227.49.60 Fax: 02/217.46.12 E-mail: info@vizo.be Website: http://www.vizo.be

5.3 EIGEN BEDRIJFSADVISEURS Inhoud steunmaatregel Het VIZO, het Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen, is sinds 1991 uitgegroeid tot de draaischijf voor de bevordering en optimalisering van kwalitatief ondernemerschap op het vlak van

Subsidiewegwijzer 2003

98

opleiding, vormgeving en bedrijfsadvies. De VIZO-bedrijfsadviseurs informeren de (kandidaat-) ondernemers en wijzen hen op de kansen en bedreigingen van hun ondernemersproject. De VIZObedrijfsadviseurs kunnen de haalbaarheid van een nieuw project of een reeds bestaand project nagaan, de onderneming doorlichten, samen met de ondernemer de optimale weg uitstippelen, ... Begunstigden Kandidaat-, startende of gevestigde zelfstandigen en ondernemers van KMO's komen in aanmerking. Projecten (Kandidaat-)ondernemers krijgen informatie op maat en gratis vakkundige uitleg over de administratieve formaliteiten. Adviezen zoals het verlenen van advies en het uitvoeren van studies ter verbetering van het management en de organisatie van de onderneming en specifiek voor startende ondernemers: haalbaarheidsstudie, marktevaluatie, advies en hulp bij het opstellen van een ondernemingsplan en opvolging tijdens de startperiode, worden door de VIZO-bedrijfsadviseurs verstrekt tegen betaling. Starters en ondernemers met maximaal 10 werknemers betalen 37 euro in 2003 per halve dag advies. Dankzij de tussenkomst van de Vlaamse overheid krijgen starters (0 tot 5 jaar) 6 halve dagen gratis advies. Ondernemers met meer dan 10 werknemers betalen 90 euro in 2003. Deze tarieven worden jaarlijks geïndexeerd. Aanvraagprocedure Men kan ons contacteren voor gratis vakkundige uitleg over alle administratieve formaliteiten, het aanvragen van de gratis brochure 'starten met je eigen zaak', voor informatie of advies op maat.

Bijkomende inlichtingen Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen POB-Bedrijfsadvies Kanselarijstraat 19 1000 Brussel Tel.: 02/227.49.32 Fax: 02/227.63.91 E-mail: bedrijfsadvies@vizo.be Website: http://www.vizo.be

5.4 MATRIX-ADVIESNETWERK VOOR ONDERNEMERS Inhoud steunmaatregel Matrix-adviesnetwerk voor ondernemers, wil KMO en adviseur dichter bij elkaar brengen. Daartoe worden ondersteuningsinitiatieven ontwikkeld die zich zowel naar de KMO, als naar de KMO-adviseur richten. Begunstigden Enerzijds alle KMO-adviseurs, al dan niet door het VIZO erkend, pas van start gegaan of met ervaring; anderzijds alle KMO-bedrijfsleiders. Projecten Voor de KMO-adviseur

Subsidiewegwijzer 2003

99

Op basis van een onderzoek naar de behoeften aan ondersteuning van KMO-adviseurs worden verschillende initiatieven ontwikkeld. Voor een volledig en bijgewerkt overzicht: www.KMOLOKET.be. Trainingsmodules: . advies- en begeleidingsvaardigheden voor de startende KMO-adviseur: wil de startende adviseur inzicht geven in de functie en eigenheid van advies aan KMO's, de diverse adviesrollen en de competenties van een adviseur, het adviesproces en het effectief leren adviseren in elke fase; . coaching van KMO-bedrijfsleiders: wil het inzicht in het coachingproces en coachingvaardigheden verhogen; . geïntegreerd programma advies- en begeleidingsvaardigheden: kennis en kunde van advies- en begeleidingsvaardigheden vergroten en grondig verdiepen op een interactieve en ervaringsgerichte wijze; . oriëntatiemodule: richt zich op mensen die overwegen om een carrièrewissel te maken naar het vak van adviseur, helpt hen beslissen al dan niet de stap te zetten naar de adviesverlening. Adviseurs waarin werkervaringen besproken worden met de bedoeling daaruit te leren. Matrix-café: tussen pot en pint kennismaken met collega-adviseurs. Matrix-netwerkdag: jaarlijkse middag waar KMO-adviseurs elkaar op een gestructureerde manier leren kennen en actief aan netwerking kunnen doen.

-

Voor de KMO De brochure 'Werken met KMO-adviseurs', met praktische tips en info over de omgang met een adviseur. Deze brochure wil een gids en kompas zijn voor bedrijfsleiders in hun zoektocht in de ondoorzichtige wereld van het externe advies en helpt bij het uitbouwen van een effectieve en zinvolle samenwerking met een externe adviseur. Het Vademecum van KMO-adviseurs: dit Vademecum omvat van elke KMO-adviseur die zich bij het VIZO aanmeldde een voorstellingsfiche. De erop vermelde informatie: specialisaties, referenties, contact- en andere gegevens stellen de KMO-bedrijfsleider in staat gerichter een adviseur te kiezen. Het Vademecum is raadpleegbaar op www.KMOLOKET.be. Regionale informatiesessies www.KMOLOKET.be. over de nieuwe regeling rond adviescheques. Meer info:

Bijkomende inlichtingen Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen Matrix-adviesnetwerk voor ondernemers Kanselarijstraat 19 1000 Brussel Tel.: 02/227.49.32 Fax: 02/227.63.91 E-mail: bedrijfsadvies@vizo.be Website: http://www.vizo.be en www.KMOLOKET.be

6.

BEDRIJFSOPLEIDING VOOR PERSONEN MET EEN HANDICAP

Subsidiewegwijzer 2003

100

Inhoud steunmaatregel Een onderneming die een bedrijfsopleiding organiseert ter bevordering van de integratie van een persoon met een handicap in het arbeidsproces kan – onder bepaalde voorwaarden – steun genieten van het Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap. Deze steun kan de vorm aannemen van een loonsubsidie, een terugbetaling van patronale zekerheidsbijdrage, van verplaatsingskosten, van de aankoopposten van didactisch materiaal en van de kosten van de aanpassing van de arbeidspost. De persoon met een handicap ontvangt een vergoeding ter vervanging van het loon van het Vlaams Fonds + de eventuele verplaatsingskosten, de werkgever verzekert de persoon voor arbeidsongevallen, betaalt de RSZ-bijdrage en vordert beide terug van het Vlaams Fonds. Begunstigden Elk bedrijf kan een opleiding organiseren die het personen met een handicap gemakkelijker maakt zich te integreren in het arbeidsproces. Er zijn slechts twee uitzonderingen: openbare besturen en defensie en onderwijs. De werkgever moet in het Vlaamse Gewest gevestigd zijn. Hij moet bovendien een persoon met een handicap tewerkstellen die minstens achttien jaar oud is en niet meer schoolplichtig of schoolgaand is. De persoon met een handicap moet werkloosheidssteun of een uitkering van de mutualiteit ontvangen. Projecten De opleiding van een persoon met een handicap die beschikt over een gunstige beslissing inzake bijstand op het gebied van hulp bij tewerkstelling op de algemene arbeidsmarkt. Diversen De bedrijfsopleiding moet door het Fonds goedgekeurd worden, anders is ze niet rechtsgeldig. De goedkeuring wordt door het Fonds ingetrokken als blijkt dat één van de partijen haar verplichtingen niet meer nakomt of wanneer gemerkt wordt - in de loop van de opleiding - dat de persoon met een handicap de nodige geschiktheid niet heeft om de opleiding te blijven volgen of met gunstig resultaat te beëindigen. De bedrijfsopleiding duurt meestal 6 tot 12 maanden. Verlenging kan aangevraagd worden wanneer het afgesproken leerprogramma niet afgewerkt is. Aanvraagprocedure Een onderneming die geïnteresseerd is, moet een brief richten naar de provinciale afdeling van het Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap waarin de onderneming gevestigd is. In de brief moet een duidelijke omschrijving van de taak van de persoon met een handicap gevoegd worden.

Bijkomende inlichtingen Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap Sterrenkundelaan 30 1210 Brussel Tel.: 02/225.84.11 Fax: 02/225.84.05

Subsidiewegwijzer 2003

101

7.

PETERSCHAPSPROJECTEN

Inhoud steunmaatregel Peterschapsprojecten zijn projecten waarbij groepen van kleine ondernemingen begeleid worden door kaderleden of bedrijfsleiders (peters) van grotere bedrijven. Deze begeleiding vindt plaats aan de hand van regelmatige (gemiddeld eenmaal per maand) collectieve bijeenkomsten en contactdagen. Naast dit basispakket kunnen er nog aanvullende en individuele begeleidingen plaatsvinden. Het project is erop gericht de bedrijfsvoering van de kleine ondernemingen te professionaliseren door ervaringsuitwisseling, en dat in alle domeinen van de bedrijfsvoering. Begunstigden Elke organisatie die een interprofessionele band heeft met het bedrijfsleven in het beoogde werkingsgebied en geschikt is voor een multisectorale aanpak van het project, kan het initiatief nemen voor het organiseren van een peterschapsproject en een subsidieaanvraag indienen. Zelfstandige ondernemers of bedrijfsleiders van bestaande of startende kleine ondernemingen kunnen deelnemen aan het project. De subsidie die toegekend wordt aan de initiatiefnemende organisatie maakt het mogelijk de deelnemersprijs te beperken. Projecten Volgende projecten komen in aanmerking: Projecten die erop gericht zijn de bedrijfsvoering van de deelnemende kleine ondernemingen te professionaliseren en die minimaal voldoen aan volgende voorwaarden: - gebaseerd op ervaringsuitwisseling tussen ondernemingen; - regelmatige (gemiddeld eenmaal per maand) samenkomsten van kleine groepen van 10-15 KO en hun peters; - een aantal contactdagen per jaar, dit wil zeggen samenkomst van alle deelnemers en peters aan het project; - gericht zijn op alle aspecten van de bedrijfsvoering; - minimaal 80 deelnemende kleine ondernemingen; - de gezamenlijke bijdrage van de kleine ondernemingen voor deelname aan het project bedraagt minimaal 10% en maximaal 30% van de totale kosten van het peterschapsproject gemaakt door de initiatiefnemende organisatie. Diversen De subsidie bedraagt per peterschapsproject 70% van de personeels-, werkings- en overheadkosten verbonden aan de organisatie van het project door de initiatiefnemende organisatie, met een maximum van 99.000 euro per werkingsjaar.

Bijkomende inlichtingen Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Europa Economie Markiesstraat 1 1000 Brussel Tel.: 02/553.37.76 – 02/553.38.79 Fax:

02/502.47.02

Subsidiewegwijzer 2003

102

8.

OPLEIDINGSCHEQUES

Inhoud steunmaatregel Diverse onderzoeken wijzen uit dat Vlaamse ondernemingen nog onvoldoende in opleiding investeren. Om vorming in Vlaamse bedrijven te stimuleren, heeft de Vlaamse overheid de opleidingscheques in het leven geroepen. Een opleidingscheque heeft een waarde van 30 euro. 50% daarvan wordt door de onderneming betaald, 50% door de Vlaamse overheid. Per kalenderjaar mag een bedrijf 200 opleidingscheques aankopen die binnen de 12 maanden moeten besteed worden aan opleiding. Met deze cheques kunnen ondernemingen een opleiding betalen bij erkende opleidingsverstrekkers. Begunstigden Zowel kleine, middelgrote en grote ondernemingen alsook een groot aantal vrije beroepen komen in aanmerking voor de maatregel. Ondernemingen en vrije beroepen die beroep doen op opleidingscheques, engageren zich om de Europese de minimisregel van 6 maart 1996 na te leven. Alle directe steun die zij ontvangen in het kader van de de minimis mag niet hoger zijn dan 100.000 euro over een periode van drie jaar. Voor ondernemingen actief in de voedings- en vervoerssector gelden andere Europese regels. Deze sectoren ressorteren onder Verordening (EG) nr. 68/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van artikel 87 en 88 van het EG-verdrag op de opleidingssteun en eventuele latere wijzigingen van deze verordening. Opleidingsverstrekkers moeten erop toezien dat de door Europa opgelegde bruto steunmarges zoals vermeld in deze verordening voor deze ondernemingen gerespecteerd worden. Deze verordening bepaalt eveneens dat opleidingen, gevolgd door bedrijven uit de voedings- of vervoerssector, van algemene aard moeten zijn. Uitgesloten sectoren De sectoren die niet worden vermeld in de lijst van aanvaardbare sectoren op de website (http://www.vlaanderen.be/opleidingscheques) zijn in principe uitgesloten van steun op grond van deze maatregel. Bij het samenstellen van de lijst met aanvaardbare sectoren, werd voorrang verleend aan sectoren uit de “harde” economie. Overheidsbedrijven of ondernemingen waarin de overheid een belangrijke participatie heeft, worden uitgesloten omdat de voorkeur gaat naar de stimulering van de vormingsbehoeften van particuliere of private ondernemingen. Diversen De opleiding Wanneer de onderneming over de cheques beschikt, moet één van de werkenden binnen de 12 maanden een opleiding volgen bij een erkende opleidingsverstrekker. De lijst met erkende opleidingscentra is terug te vinden op de website. De opleiding moet binnen de geldigheidsduur van de cheque gevolgd worden. De factuur van de opleidingsverstrekker (exclusief BTW) kan de onderneming geheel of gedeeltelijk met cheques betalen. De betaling van de factuur moet uiterlijk binnen de 14 maanden na uitgifte van de cheques plaatsvinden. De opleidingsverstrekker stuurt de cheques binnen de 15 maanden na uitgifte, samen met een kopie van de factuur en een ingevuld evaluatieformulier naar de uitgever. Als aan alle voorwaarden is voldaan, betaalt de uitgever de opleidingsverstrekker uit. Erkenning opleidingsverstrekkers Om de cheques te kunnen verzilveren moet de opleidingsverstrekker door de Vlaamse overheid erkend zijn. Zo waakt de Vlaamse overheid over een kwaliteitsvolle dienstverlening inzake het opleidingsaanbod. De erkenning kan op volgende manieren gebeuren: de opleidingsverstrekker heeft reeds een kwaliteitscertificaat Q*FOR, ISO of EFQM-erkenning voor de kwaliteit van de dienstverlening inzake opleiding

Subsidiewegwijzer 2003

103

De opleidingsverstrekker krijgt op basis van deze certificaten voor het systeem van de opleidingscheques automatisch een erkenning voor de geldigheidsduur van zijn certificaat. Op de website vindt hij een aanvraagformulier terug, dat hij ingevuld opstuurt naar de Cel Opleidingscheques, vergezeld van een kopie van zijn kwaliteitscertificaat. de opleidingsverstrekker heeft geen kwaliteitscertificaat Q*FOR, ISO of EFQM-erkenning.

De opleidingsverstrekker kan zich dan op 2 manieren laten erkennen: . de opleidingsverstrekker kan het kwaliteitslabel "Opleidingsverstrekker erkend door het Vlaams Gewest voor het systeem van de Vlaamse opleidingscheques" aanvragen. De gegevens van de bureaus die de screenings uitvoeren, zijn terug te vinden op de website, onder het item “info”. Pas nadat de Cel Opleidingscheques het positieve auditrapport en een formulier “aanvraag tot erkenning” ontvangen heeft, kan de opleidingsverstrekker erkend worden; . de opleidingsverstrekker kan zich laten screenen met het oog op het behalen van een kwaliteitslabel (ISO, Q*FOR, EFQM certificaat dat de kwaliteit van de dienstverlening inzake opleiding garandeert) bij een auditbureau naar keuze. Eens dit label is behaald, kan het opleidingsinstituut op de website een aanvraagformulier vinden, dat hij ingevuld terugstuurt naar de Cel Opleidingscheques, vergezeld van een kopie van zijn kwaliteitscertificaat. Alle formulieren nodig voor registratie http://www.vlaanderen.be/opleidingscheques. Aanvraagprocedure Het project “Opleidingscheques” is een e-government maatregel. Bestellen van opleidingscheques kan enkel via het internet op: http://www.vlaanderen.be/opleidingscheques. Heel belangrijk is dat de cheques moeten worden aangevraagd vooraleer de opleiding start. Een onderneming meldt zich aan via haar BTW-nummer. Indien de onderneming niet BTW-plichtig is, meldt ze zich aan via de naam en het adres. Dan consulteert de webapplicatie de Graydon databank. Automatisch blijkt of het bedrijf in kwestie opleidingscheques mag aankopen. Voorwaarden zijn dat het bedrijf een exploitatiezetel heeft op Vlaams grondgebied, actief is in een aanvaardbare sector en geen vzw-structuur heeft. Als de aanvraag ontvankelijk is, ontvangt de onderneming via e-mail een bestelbon. De bestelbon maakt onder meer melding van een uniek klantnummer en van de nog verschuldigde som. Die som (50% van de totale waarde van de gereserveerde cheques) moet binnen de 14 dagen na reservatie overgeschreven worden op het rekeningnummer van de uitgever van de cheques. Zoniet vervalt de reservatie. Indien de onderneming tijdig betaalt, drukt de uitgever de cheques binnen de 14 kalenderdagen op naam van de onderneming. Vervolgens bezorgt de uitgever per post de cheques aan de onderneming. of erkenning zijn terug te vinden op

Bijkomende inlichtingen Voor vragen of problemen kan men contact opnemen met de Vlaamse overheid via e-mail: opleidingscheques@vlaanderen.be via de Vlaamse Infolijn op 0800/30201 via de post: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Cel Opleidingscheques Afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid Markiesstraat 1 1000 Brussel

Subsidiewegwijzer 2003

104

Subsidiewegwijzer 2003

105

DEEL V : STEUN VOOR ONDERZOEK EN ONTWIKKELING 1. INSTITUUT VOOR DE AANMOEDIGING VAN INNOVATIE DOOR WETENSCHAP EN TECHNOLOGIE IN VLAANDEREN (IWT-Vlaanderen)

1.1 O&O-PROJECTEN VAN BEDRIJVEN – ALGEMEEN Inhoud steunmaatregel Het IWT-Vlaanderen (Instituut voor de aanmoediging van innovatie door Wetenschap en Technologie in Vlaanderen) heeft als doel het wetenschappelijk-technologisch onderzoek en de innovatie in de Vlaamse industrie te stimuleren met als uiteindelijk doel de creatie van toegevoegde waarde. Dat gebeurt onder andere door financiële steun te verlenen aan onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten. In deze projecten worden de volgende O&O-activiteiten gesteund: industrieel basisonderzoek en de ontwikkeling van prototypes voor nieuwe of verbeterde producten of productieprocessen of een combinatie van beide (gemengd onderzoek). Begunstigden De projectsteun die het IWT toekent in het kader van deze maatregel is bestemd voor alle in Vlaanderen gevestigde bedrijven, van KMO tot dochter van een multinational. Noodzakelijk is dat het bedrijf industriële activiteiten heeft in Vlaanderen met een exploitatiezetel waar tewerkstelling en economische activiteit plaatsvindt. De mogelijkheid tot valorisatie of toepassing van de onderzoeksresultaten in Vlaanderen (creatie van toegevoegde waarde) staat centraal. Alle ondernemingstypes komen in aanmerking, behalve beoefenaars van vrije beroepen of zelfstandigen. Er zijn geen sectorale beperkingen maar onderzoek met militaire affiniteit wordt niet gesteund. De projecten worden uitgevoerd door een onderneming alleen of in samenwerking met één of meerdere ondernemingen en/of onderzoeksinstellingen (onderzoekscentra, universiteiten, hogescholen). Projecten Met industrieel basisonderzoek wordt bedoeld: wetenschappelijk-technologisch onderzoek gericht op het genereren van nieuwe kennis. Deze kennis kan achteraf gebruikt worden bij de ontwikkeling van nieuwe producten, processen of diensten, of kan de basis vormen voor het verbeteren van bestaande producten, processen of diensten. Prototype- of ontwikkelingsactiviteiten: dit type van activiteiten beoogt de omzetting van technologische kennis in ontwerpen voor nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, processen of diensten. Dit omvat ook het vervaardigen van een eerste prototype of eerste demonstratie- of modelprojecten voor zover de resultaten niet rechtstreeks voor commerciële doeleinden kunnen worden aangewend. Met gemengd onderzoek wordt bedoeld onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten die zowel aspecten van industrieel basisonderzoek als van ontwikkeling omvatten. Bepaalde activiteiten zoals engineering, opleidingen, marktonderzoek en investeringen, kunnen niet de kern van een IWT-project uitmaken. Steunpercentages en modaliteiten IWT-Vlaanderen verleent voor industrieel basisonderzoek een subsidie van 50% van de aanvaarde brutokosten van het project. Voor ontwikkeling en prototype-onderzoek bedraagt de subsidie 25% van de aanvaarde brutokosten van het project. Voor gemengd onderzoek is het steunpercentage 38%. De brutokosten omvatten personeelskosten en overige niet-personeelskosten. Indien het onderzoek wordt uitgevoerd door een KMO wordt het globale steunpercentage verhoogd met 10%.

Subsidiewegwijzer 2003

106

Een KMO is gedefinieerd als een onderneming met minder dan 250 werknemers, een jaaromzet minder dan 50 miljoen euro of een balanstotaal minder dan 43 miljoen euro, en voor niet meer dan 25% gecontroleerd door een ander bedrijf dat zelf geen KMO is. Voor prototype-onderzoek bestaat voor KMO's tevens de mogelijkheid om de steun te verkrijgen in de vorm van een achtergestelde lening, waarbij deze aanvullende financiering en de subsidie samen maximaal 80% van de projectkost kunnen bedragen. Ten slotte kan het steunpercentage ook verhoogd worden voor projecten in EUREKA-context (zie ook 1.3) of voor projecten binnen specifieke acties beslist door de Vlaamse regering, met name projecten op het gebied van Duurzame Technologische Ontwikkeling (DTO) of projecten die passen in de LURUregeling. Wanneer het IWT-Vlaanderen beslist het project te steunen wordt een overeenkomst opgemaakt tussen het IWT en de projectpartners. Deze overeenkomst is in de eerste plaats een middelenverbintenis (de overeengekomen middelen moeten voor het beschreven project worden ingezet). Het IWT-Vlaanderen volgt de uitvoering van het project op. De betaling van de steun gebeurt in zesmaandelijkse schijven, die gekoppeld zijn aan verslaggeving. Aanvraagprocedure Voorstellen voor O&O-projecten kunnen doorlopend ingediend worden bij IWT-Vlaanderen. Een projectvoorstel omvat de volgende onderdelen, in te vullen volgens een standaardprocedure: algemene administratieve inlichtingen over de aanvrager en eventuele andere deelnemers aan het project; beschrijving van het projectvoorstel; het valorisatiepotentieel van de projectresultaten; financiële aspecten van het project: begroting per partner en gevraagde steun; profiel van de aanvrager en van de eventuele andere deelnemers aan het project. Het IWT-Vlaanderen beschikt over een gedetailleerde handleiding hiervoor, die op eenvoudige aanvraag en gratis verkrijgbaar is, of via de website.

Bijkomende inlichtingen Algemene informatie is terug te vinden op de homepage van IWT-Vlaanderen (http://www.iwt.be) en via e-mail op het adres: iwt-bedrijfssubsidies@iwt.be IWT-Vlaanderen Peter Verstraeten Bischoffsheimlaan 25 1000 Brussel Tel.: 02/20.90.900 Fax.: 02/22.31.181 E-mail: pv@iwt.be Website: http://www.iwt.be

1.2 KMO-PROGRAMMA Inhoud steunmaatregel

Subsidiewegwijzer 2003

107

Het IWT-Vlaanderen (Instituut voor de aanmoediging van innovatie door Wetenschap en Technologie in Vlaanderen) heeft met het KMO-Programma als doel het innovatiegebeuren bij de Vlaamse kleine en middelgrote ondernemingen te stimuleren. Innovatie is daarbij gedefinieerd als het tot stand brengen van een nieuw of vernieuwend product, proces of dienst waarbij een technologische oplossing zich opdringt, en waarbij de activiteiten van kennisverwerving daartoe nodig financieel gesteund worden. In het KMO-Programma bestaan vier specifieke projecttypes, waarbij de administratieve drempel zo laag mogelijk gehouden wordt. Deze vier projecttypes zijn de KMO-Innovatiestudies (type 1, 2 en 3) en de KMO-Innovatieprojecten. Begunstigden De steun die het IWT toekent in het kader van KMO-Innovatiestudies en KMO-Innovatieprojecten is bestemd voor alle in Vlaanderen gevestigde KMO's. Een KMO is hier gedefinieerd als een onderneming met niet meer dan 250 werknemers, een jaaromzet minder dan 50 miljoen euro of een balanstotaal minder dan 43 miljoen euro, en voor niet meer dan 25% gecontroleerd door een ander bedrijf dat zelf geen KMO is. Noodzakelijk is dat het bedrijf industriële activiteiten heeft in Vlaanderen met een exploitatiezetel waar tewerkstelling en economische activiteit plaats vindt. De mogelijkheid tot valorisatie of toepassing van de onderzoeksresultaten in Vlaanderen staat centraal. Alle ondernemingstypes komen in aanmerking, behalve beoefenaars van vrije beroepen, zelfstandigen of nationale monopolies. Er zijn geen sectorale beperkingen maar onderzoek met militaire affiniteit wordt niet gesteund. De projecten kunnen worden uitgevoerd door een KMO alleen of in samenwerking met één of meer ondernemingen en/of onderzoeksinstellingen (onderzoekscentra, universiteiten, hogescholen). Voor KMO-Innovatiestudies Type 1 en 3 geldt evenwel een verplichte samenwerking met derden, waarbij voor KMO-Innovatiestudies Type 1 de derde partij specifiek een door IWT-Vlaanderen erkend kenniscentrum moet zijn. Projecten KMO-Innovatiestudies Type 1 zijn grondige technologische adviezen van erkende kenniscentra. Dit advies moet een antwoord geven op een technologische vraag in verband met een mogelijke innovatie van een product, proces of dienst bij de KMO. De nadruk ligt op het realiseren van een zinvolle overdracht vanuit een erkend technisch kenniscentrum van voor de technologische probleemstelling relevante technologische kennis. Het advies moet de KMO in staat stellen om op onderbouwde wijze te beslissen om al dan niet verdere stappen voor innovatie te nemen en de wijze waarop dit best kan gebeuren te definiëren. KMO-Innovatiestudies Type 2 betreffen (voor)studies van beperkte omvang die tot doel hebben na te gaan of en op welke wijze een innovatie kan worden gerealiseerd. Door middel van studieactiviteiten wordt relevante kennis opgebouwd of verworven om gericht de verdere innovatieactiviteiten voor te bereiden. Typisch voor een KMO-Innovatiestudie Type 2 is dat de onderneming over voldoende competentie moet beschikken om de studie hoofdzakelijk in eigen beheer uit te voeren. KMO-Innovatiestudies Type 3 zijn inhoudelijk gelijk aan KMO-Innovatiestudies Type 2, waarbij de eigen inbreng van de KMO gecombineerd wordt met een noodzakelijke en substantiële externe inbreng. Deze samenwerking met derden moet een duidelijke technologische kennis en een meerwaarde opleveren KMO-Innovatieprojecten zijn gericht op het realiseren van een innovatie, die een technologische oplossing vereist en het opdoen van de nodige kennis daartoe. Dit tot stand brengen van de innovatie (nieuw of vernieuwd product, proces of dienst) en de bijhorende kennisopbouw/verwerving geschiedt daarbij typisch door middel van technologische ontwikkelings- en/of implementatieactiviteiten. De resultaten van een KMO-Innovatieproject bestaan uit een concreet, geverifieerd ontwerp (eventueel een getest prototype) van een product, proces of dienst en zijn na beëindiging van het project vrij snel toepasbaar of commercialiseerbaar.

Subsidiewegwijzer 2003

108

Zowel in KMO-Innovatiestudies als in KMO-Innovatieprojecten kunnen ook activiteiten van niettechnologische aard uitgevoerd worden. Deze aanverwante activiteiten moeten wel rechtstreeks verband houden met de technologische vraag en oplossing die moet uitgewerkt worden voor de innovatie (normeringen en reglementeringen, marktaspecten, intellectuele eigendom, ...). Steunpercentages en modaliteiten IWT-Vlaanderen kan voor KMO-Innovatiestudies een subsidie verlenen van 60% van de aanvaarde brutokosten van het project. Deze steun is beperkt tot maximaal 6.000 euro voor KMO-Innovatiestudies Type 1; tot maximaal 20.000 euro voor het type 2 en tot maximaal 30.000 euro voor het type 3. Voor KMO-Innovatieprojecten kan een subsidie verleend worden van 35% van de aanvaarde brutokosten van het project, waarbij deze brutokosten beperkt zijn tot maximaal 500.000 euro en minimaal 50.000 euro dienen te bedragen. De brutokosten omvatten personeelskosten en overige niet-personeelskosten, beperkt tot 50% van de personeelskosten voor KMO-Innovatiestudies en tot maximaal 80% van de personeelskosten voor KMO-Innovatieprojecten. Wanneer IWT-Vlaanderen beslist het project te steunen wordt een overeenkomst opgemaakt tussen het IWT en de projectpartners. Deze overeenkomst is een middelenverbintenis (de overeengekomen middelen moeten voor het beschreven project worden ingezet) en een valorisatieverbintenis (de projectresultaten moeten in eerste instantie in Vlaanderen worden toegepast). Het IWT-Vlaanderen volgt de uitvoering van het project op. De betaling van de steun gebeurt in twee schijven voor KMO-Innovatiestudies en in zesmaandelijkse schijven voor KMO-Innovatieprojecten, die gekoppeld zijn aan verslaggeving. Aanvraagprocedure Voorstellen voor KMO-Innovatiestudies en KMO-Innovatieprojecten kunnen doorlopend ingediend worden bij IWT-Vlaanderen – KMO-Programma. Per kalenderjaar kunnen per KMO maximaal twee KMO-Innovatiestudies Type 1, twee KMO-Innovatiestudies Type 2 of 3 en twee KMOInnovatieprojecten voor steun aanvaard worden. Het projectvoorstel omvat de volgende onderdelen: algemene administratieve inlichtingen over de aanvrager en eventuele andere deelnemers aan het project; beschrijving van het projectvoorstel; het valorisatiepotentieel van de projectresultaten; financiële aspecten van het project: begroting per partner en gevraagde steun; profiel van de aanvrager en van de eventuele andere deelnemers aan het project. IWT-Vlaanderen beschikt voor elk projecttype in het KMO-Programma over een gedetailleerde handleiding, die op eenvoudige aanvraag en gratis verkrijgbaar is, of via de website.

Bijkomende inlichtingen Algemene informatie is terug te vinden op de homepage van IWT-Vlaanderen (http://www.iwt.be) en via e-mail op het adres: kmo.programma@iwt.be. IWT-Vlaanderen – KMO-Programma Luc De Buyser Bischoffsheimlaan 25 1000 Brussel Tel.: 02/20.90.900 Fax.: 02/22.31.181 E-mail: kmo.programma@iwt.be Website: http://www.iwt.be

Subsidiewegwijzer 2003

109

1.3 EUREKA Inhoud steunmaatregel EUREKA is een stimuleringsprogramma voor toegepast marktgericht onderzoek. Het is geen initiatief van de Europese Commissie maar een samenwerkingsverband van 33 Europese landen. In een EUREKA-project werken minstens twee partners uit twee EUREKA-landen samen. Door EUREKA wordt aan de projecten alleen een label toegekend dat het innovatief en internationaal karakter van het project erkent. De betrokken deelnemers kunnen zich voor financiële ondersteuning van hun aandeel in het project wenden tot hun eigen nationale of regionale overheden. In Vlaanderen staat IWT-Vlaanderen hiervoor in. Begunstigden Steun in het kader van EUREKA wordt door IWT-Vlaanderen toegekend aan alle in Vlaanderen gevestigde ondernemingen (van KMO tot dochter van een multinational), en hiermee samenwerkende onderzoekscentra, universiteiten en hogescholen. Voor de ondernemingen is het noodzakelijk dat ze een industriële finaliteit hebben in Vlaanderen met een exploitatiezetel waar tewerkstelling en economische activiteit plaatsvindt. De mogelijkheid tot valorisatie of toepassing van de onderzoeksresultaten in Vlaanderen staat centraal. Alle ondernemingstypes, met uitzondering van zelfstandigen, beoefenaars van vrije beroepen of nationale monopolies komen in aanmerking. Er zijn geen sectorale beperkingen maar onderzoek met militaire affiniteit wordt niet gesteund. Projecten Vlaamse bedrijven en hiermee samenwerkende onderzoeksinstellingen die partner zijn in een EUREKAproject kunnen bij IWT-Vlaanderen steun aanvragen voor industrieel basisonderzoek, prototypeonderzoek, of een combinatie van beiden. Steunaanvragen in het kader van EUREKA volgen IWTVlaanderen's gebruikelijke steun- en evaluatieregels. IWT-Vlaanderen voorziet een toeslag van 10% wanneer de (Vlaamse) steunaanvraag kadert in een EUREKA-project met een reëel en noodzakelijk internationaal karakter en er een samenwerking is met minstens 1 partner uit een andere lidstaat van de Europese Unie. Deze toeslag is cumuleerbaar met de bestaande extra 10% voor KMO's. Diversen EUREKA is een gebruiksvriendelijk kader voor internationale samenwerking in onderzoek en ontwikkeling. Het 'bottom up' karakter van EUREKA laat een grote vrijheid aan de deelnemende partners, die zelf bepalen met wie en waarover zij willen samenwerken. EUREKA-projecten zijn dikwijls bilaterale projecten. Het programma is daarom bijzonder populair bij KMO’s. Aanvraagprocedure De aanvraag omvat een dubbele procedure. Het EUREKA-label wordt aangevraagd via het EUREKAnetwerk en toegekend na samenspraak tussen de EUREKA-secretariaten van de betrokken landen. De aanvraag tot steunverlening aan de Vlaamse partners wordt ingediend bij, en behandeld door het IWTVlaanderen. Voor een vlot verloop dienen beide procedures te worden gesynchroniseerd. Contacteer hiervoor, in een zo vroeg mogelijk stadium, de regionale contactpersoon voor EUREKA. Bij de evaluatie van een steunaanvraag in EUREKA-kader, onderzoekt IWT-Vlaanderen onder meer de meerwaarde van de Europese samenwerking voor de Vlaamse deelnemer(s). Deze meerwaarde is een noodzakelijke voorwaarde voor het bekomen van de financiële toeslag. Indien geen meerwaarde wordt vastgesteld, kan de steunaanvraag verder behandeld worden als een regionaal onderzoeksproject, en gesteund worden volgens het gebruikelijke steunregime.

Bijkomende inlichtingen

Subsidiewegwijzer 2003

110

Algemene informatie is terug te vinden op de homepage van IWT-Vlaanderen (http://www.iwt.be onderdeel EUREKA). IWT-Vlaanderen Danny Van Steenkiste EUREKA Regionaal Contactpunt Bischoffsheimlaan 25 1000 Brussel Tel.: 02/20.90.971 Fax: 02/22.31.181 E-mail: dvs@iwt.be Website: http://www.iwt.be

1.4 VLAAMSE INNOVATIESAMENWERKINGSVERBANDEN Inhoud steunmaatregel Het VIS-besluit voorziet in de ondersteuning van drie activiteiten: innovatiestimulering, technologisch advies en collectief onderzoek. Deze activiteiten kunnen worden gebundeld, wat aanleiding geeft tot vier projecttypes, te weten: projecten van collectief onderzoek; projecten van technologische dienstverlening; projecten van sub-regionale innovatiestimulering; projecten van thematische innovatiestimulering. Het VIS-besluit voorziet in een ondersteuning van maximaal 80% van de aanvaardbare kosten voor de projecten technologische dienstverlening en innovatiestimulering (beide types) en van maximaal 50% van de aanvaardbare kosten voor de projecten collectief onderzoek. Binnen de globale context van innovatie-ondersteuning heeft elk van deze projecttypes een specifieke doelstelling. Deze wordt uitvoerig beschreven in een voor elk type uitgewerkte handleiding. Begunstigden De steun die het IWT toekent in het kader van het VIS-besluit wordt toegekend aan zogenaamde Vlaamse Innovatiesamenwerkingsverbanden. De definitie van een Vlaams InnovatieSamenwerkingsverband is de gestructureerde samenwerking van in hoofdzaak Vlaamse bedrijven, met al of niet één of meerdere organisaties of instellingen, met het oog op het uitoefenen van activiteiten van collectief onderzoek, technologie advies en/of technologische innovatie-stimulering. Voor iedere projectcategorie worden specifieke modaliteiten afgesproken. Deze modaliteiten zijn gebaseerd op de doelstellingen die met de projecttypes worden beoogd. Om dus te kunnen nagaan of men voldoet aan de voorwaarden om een project in te dienen, moet men voldoen aan: de algemene definitie van het begrip Vlaams innovatiesamenwerkingsverband; de acceptatiecriteria geldig voor het specifieke projecttype (zie daartoe de specifieke handleidingen). Projecten Hierna worden de belangrijkste krachtlijnen gegeven van ieder projecttype: collectief onderzoek: onderzoek dat zich kan richten op de korte, de middellange of de lange termijn. Het kan dus het ruime wetenschappelijk-technologisch spectrum tot voorwerp hebben, van strategisch basisonderzoek (zoals bijvoorbeeld terug te vinden in het GBOU-programma) tot en met vertaalonderzoek (zoals het bijvoorbeeld aan bod komt in het HOBU-fonds). Het essentieel criterium is dat het voorgestelde onderzoek belangrijk is voor de collectiviteit van bedrijven waarvoor het is opgezet.

Subsidiewegwijzer 2003

111

De betrokken onderzoeksgroep dient reëel in staat te zijn om de wetenschappelijk-technologische ambities van het project waar te maken; technologische dienstverlening: activiteiten waarbij enerzijds de vragen van de bedrijven rond aspecten van een bepaalde technologie worden behandeld, door hetzij zelf hetzij door inschakeling van andere technologische experten de oplossing aan te bieden (reactieve component, technologie-advies). Anderzijds dienen ook een aantal eigen initiatieven te worden uitgevoerd, al dan niet in samenwerking met collega’s intermediairen, om bepaalde innovatieve aspecten van een technologie naar de bedrijven te brengen (proactieve component, innovatiestimulering); sub-regionale innovatiestimulering: activiteiten van innovatiestimulering, specifiek gericht naar alle bedrijven gelegen in een welbepaald gebied waarbij de bedrijven een eerstelijnszorg rond technologische innovatie wordt aangeboden. Belangrijk hierbij is de verbinding naar de tweede lijn (gespecialiseerde kennisdiensten) die op vlotte, ongebonden en efficiënte manier dient te worden georganiseerd; thematische innovatiestimulering: activiteiten van innovatiestimulering, specifiek gericht naar een groep bedrijven verbonden door een gemeenschappelijke thematiek, met als doel de netwerking en de synergie tussen de bedrijven te bevorderen. Steunpercentages en modaliteiten IWT-Vlaanderen kan voor de projecten van Thematische Innovatiestimulering, Technologische dienstverlening en Sub-regionale Innovatiestimulering een subsidie verlenen van 80% van de aanvaarde brutokosten van het project. Deze steun is beperkt tot de kosten van maximaal 2 voltijds equivalenten gedurende 2 x 2 jaar, verhoogd met een forfaitaire werkingskost van 37.500 euro/VTE/jaar. Voor projecten van Collectief Onderzoek bedraagt het maximale steunpercentage 50% van de aanvaarde kosten. Wanneer IWT-Vlaanderen beslist het project te steunen wordt een overeenkomst opgemaakt tussen het IWT en de projectpartners. Deze overeenkomst is een middelenverbintenis (de overeengekomen middelen moeten voor het beschreven project worden ingezet). Het IWT-Vlaanderen volgt de uitvoering van het project op. De betaling van de steun gebeurt in jaarlijkse schijven, die gekoppeld zijn aan verslaggeving. Aanvraagprocedure Projecten kunnen slechts ingediend worden bij openstelling van een in principe jaarlijkse oproep voor de verschillende projecttypes. IWT-Vlaanderen beschikt voor elk projecttype in het VIS-programma over een gedetailleerde handleiding, die op eenvoudige aanvraag en gratis verkrijgbaar is, of via de website.

Bijkomende inlichtingen Algemene informatie is terug te vinden op de homepage van IWT-Vlaanderen (http://www.iwt.be) en via e-mail op het adres: vis@iwt.be. IWT-Vlaanderen – VIS-Programma Eric Sleeckx Bischoffsheimlaan 25 1000 Brussel Tel.: 02/20.90.900 Fax.: 02/22.31.181 E-mail: vis@iwt.be Website: http://www.iwt.be

Subsidiewegwijzer 2003

112

1.5 ONDERZOEKS- EN ONTWIKKELINGSPROGRAMMA'S VAN DE EUROPESE UNIE Inhoud steunmaatregel De Europese Unie stelt omvangrijke financiële middelen ter beschikking voor de bevordering van onderzoek-, technologische ontwikkeling- en demonstratieprojecten in diverse domeinen en sectoren. Het is de bedoeling om door het stimuleren van de grensoverschrijdende samenwerking inzake onderzoek en technologische ontwikkeling (O&O) het concurrentievermogen van de Europese industriële ondernemingen op de wereldmarkt te vergroten. Een andere doelstelling is het bevorderen van de samenwerking tussen industriële ondernemingen, universiteiten en onderzoekscentra. De steunverlening verloopt hoofdzakelijk via de zogenaamde 'Kaderprogramma's voor Onderzoek, Ontwikkeling en Technologische Demonstratie'. Dit zijn meerjarenprogramma's die de prioriteiten alsook de financiële omvang van diverse actielijnen op middellange termijn aangeven. Zij vormen het beleidsinstrument voor het Europese O&O-beleid. Het Zesde Kaderprogramma, waarvoor een totaal budget is voorzien van 17,5 miljard euro, loopt van eind 2002 tot 2006. De voordelen van deelname aan Europese programma's beperken zich niet louter tot financiële steun. Ook de internationale contacten en de waardevolle knowhow die hierbij worden verkregen, zijn zeker niet zonder belang. Begunstigden Het Europese Kaderprogramma en zijn specifieke programma's staan open voor iedereen (openbare en particuliere instellingen), gevestigd in de 15 lidstaten van de Europese Unie (EU) en in de 10 Geassocieerde Kandidaat-Lidstaten, ongeacht de vorm van de rechtspersoonlijkheid. Dit kunnen dus individuen, industriële en commerciële ondernemingen (inclusief KMO's), universiteiten, onderzoeksinstellingen en organisaties voor technologieverspreiding zijn. Daarnaast kunnen ook gelijkaardige entiteiten uit geassocieerde staten (onder andere Israël, Noorwegen, IJsland, Liechtenstein, Centraal- en Oost-Europese landen) onder dezelfde voorwaarden aan het kaderprogramma deelnemen. De deelname en financiering van entiteiten uit derde landen (VS, Japan, en dergelijke) worden bepaald door regels voor Internationale samenwerking en de samenwerkingsovereenkomsten tussen de EU en betrokken landen. Indieners van een projectvoorstel moeten kunnen aantonen dat zij over de nodige technische, financiële en personele middelen beschikken voor het succesvol uitvoeren van het project en dat de bekomen projectresultaten zullen geëxploiteerd en/of verspreid worden ten behoeve van de hoger vermelde doelstellingen. Projecten Voor de meeste onderzoeksprojecten worden de kosten gedeeld door de partners in het project en de EU. De toegekende subsidie van de Europese Commissie bedraagt maximaal 50% van de kosten voor onderzoek- en innovatieactiviteiten. Gezien het Zesde Kaderprogramma gebruikt wordt voor de realisatie van het ruimere concept van de Europese Onderzoeksruimte (ERA) werden enkele nieuwe instrumenten of uitvoeringsvormen van projecten in het leven geroepen, nl.: geïntegreerde projecten en topnetwerken. Via deze instrumenten wordt gestreefd naar de realisatie van grootschalige en ambitieuze projecten rond een beperkt aantal voor de EU prioritaire thema's. Deze zijn voor het Zesde Kaderprogramma: - genomica en biotechnologie voor de gezondheid; - technologieën van de informatiemaatschappij; - nanotechnologieën en nanowetenschappen, kennisgebaseerde multifunctionele materialen, productieprocédés en -apparatuur; - lucht- en ruimtevaart; - voedselkwaliteit en -veiligheid; - duurzame ontwikkeling (energie, transport, milieu);

Subsidiewegwijzer 2003

113

- burgers en governance in een kennismaatschappij. Groot belang wordt gehecht aan de transnationale consortia die de projecten uitvoeren. In het Zesde kaderprogramma zullen zij kunnen beschikken over een sterk toegenomen autonomie. Om KMO's te stimuleren tot deelname aan het kaderprogramma bestaat er een specifieke maatregel (de zogenaamde CRAFT-regeling), die het indienen van voorstellen en het deelnemen aan de O&Oactiviteiten door KMO's moet vergemakkelijken. Het betreft 'Onderzoeksprojecten in samenwerkingsverband' (coöperatief onderzoek): hierbij kunnen minimum drie KMO's uit minstens twee verschillende lidstaten voor een gemeenschappelijk technologisch probleem een projectvoorstel uitwerken dat door een derde entiteit ('RTD-performer') met aangepaste onderzoekscapaciteit kan worden uitgevoerd. De Europese definitie van KMO is een bedrijf - met minder dan 250 werknemers, - met ofwel een jaaromzet van maximum 50 miljoen euro ofwel een jaarlijks balanstotaal van maximum 43 miljoen euro - en waarvan niet meer dan 25 % in het bezit is van een niet-KMO (met uitzondering van financiële instellingen). Aanvraagprocedure Naar aanleiding van een officiële oproep voor een bepaald programma kunnen projectvoorstellen ingediend worden bij de diensten van de Europese Commissie; hierbij dienen bepaalde termijnen in acht te worden genomen. Het ingediende projectvoorstel moet aan de specifieke criteria en modaliteiten voldoen, die voor het betrokken programma zijn vastgesteld, bijvoorbeeld: - het onderzoek moet een precommercieel karakter hebben; - er moet transnationale samenwerking zijn tussen ondernemingen, onderzoeksinstellingen of universiteiten uit een andere lidstaat; - het geplande onderzoek moet nieuw zijn. Het project moet kaderen binnen de prioritaire onderzoek- en ontwikkelingsthema's, die voor de EU zijn vastgesteld. Jaarlijks zal voor elk van deze thema's het werkprogramma met prioriteiten worden bepaald. Belangrijk is dat hierbij met oproepen wordt gewerkt, en dus enkel tegen bepaalde data voor bepaalde prioriteiten projectvoorstellen kunnen worden ingediend. Het indienen van projecten moet gebeuren volgens een gedetailleerde procedure, die strikt te volgen is om onontvankelijkheid te vermijden.

Bijkomende inlichtingen Algemene informatie vindt u op de website van het EU-kaderprogramma, die niet alleen de recentste informatie bevat over de komende oproepen, de lopende projecten, onderzoekspartners en projectresultaten maar ook alle nodige documenten voor het indienen van een projectvoorstel (handleidingen, aanvraagdocumenten, evaluatiehandleiding, en dergelijke): http://www.cordis.lu/fp6. Voor meer informatie over het Europese Kaderprogramma en begeleiding bij het indienen van een projectvoorstel kunt u ook terecht bij: IWT-Vlaanderen Alain Deleener Bischoffsheimlaan 25 1000 Brussel Tel.: 02/209.09.25 Fax: 02/223.11.81 E-mail: adl@iwt.be Website: http://www.vlaanderen.be/6kp

Subsidiewegwijzer 2003

114

1.6 STRATEGISCH BASISONDERZOEK (SBO) Inhoud steunmaatregel Het financieringskanaal voor strategisch basisonderzoek (SBO) is gericht op de uitbouw van ruime kennisplatformen met brede toepassings- en verdere ontwikkelingsmogelijkheden. Strategisch basisonderzoek is kwalitatief hoogwaardig en op langere termijn gericht onderzoek dat het opbouwen van wetenschappelijke of technologische capaciteit beoogt die de basis vormt voor economische en/of maatschappelijke toepassingen in Vlaanderen. Strategisch basisonderzoek situeert zich tussen het algemeen kennisverruimend onderzoek enerzijds en de specifiek georiënteerde onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten anderzijds. Een SBO-project heeft een generische dimensie waardoor de onderzoeksresultaten van belang kunnen zijn voor verschillende toepassingsgebieden en voor verschillende economische (deel)sectoren of/en maatschappelijke doelgroepen in Vlaanderen. De bedoeling is immers niet om direct te kunnen verhelpen aan een punctueel probleem of een specifiek knelpunt op kortere termijn van slechts één of enkele actoren. Wel wordt het leveren van een meer generische onderzoeksbijdrage met het oog op een bredere toepasbaarheid met meerdere concrete utilisaties en/of een meer structurele meerwaarde op termijn, beoogd. Het gewenste vervolgtraject van een geslaagd SBO-project omvat bilaterale projecten met de economische of/en maatschappelijke actoren met inbegrip van de totstandkoming van nieuwe spin-off bedrijven, diensten of organisaties. Van de uitvoerders van een SBO-project wordt verwacht dat zij een actieve inspanning leveren met het oog op de verdere effectieve benutting van de onderzoeksresultaten door (bestaande of toekomstige) economische of maatschappelijke actoren. Deze gevraagde inspanning naar het verdere valorisatietraject overstijgt de klassieke mechanismen voor de verspreiding van academische onderzoeksresultaten (publicaties, congresbijdragen, deelname aan netwerken met academische vakgenoten). Begunstigden Het SBO-kanaal is geconcipieerd als een open en toegankelijk instrument voor alle Vlaamse O&Oactoren. Een Vlaamse O&O-actor wordt hierbij gedefinieerd als een in het Vlaamse Gewest gevestigde O&O-actor (universiteit, hogeschool, bedrijf, collectief centrum, onderzoeksinstelling, ...) evenals een in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gevestigde Vlaamse universiteit of Vlaamse hogeschool. De primaire bedoeling is om de nodige expertise te mobiliseren en te combineren ongeacht de aard van de O&O-actor waar deze expertise voorhanden is. Een Vlaamse O&O-actor kan ook een projectvoorstel indienen met één of meerdere O&O-actoren van buiten Vlaanderen. De onderzoeksbijdrage van niet in Vlaanderen gevestigde O&O-actoren kan mee gesteund worden voor zover deze cumulatief maximaal 20 procent van de voorgestelde projectbegroting bedraagt. Het is immers de bedoeling dat voldoende expertise binnen Vlaanderen wordt opgebouwd, naast voordelen van kennistransfer van buiten Vlaanderen. Projecten Het financieringskanaal is horizontaal en staat open voor alle domeinen. Hierdoor is het zeer geschikt om multidisciplinaire generische onderzoeksprojecten tot ontplooiing te laten komen. Omdat strategisch basisonderzoek een adequate “kritische massa” aan mensen en middelen vereist, wordt daarbij ook gestreefd naar projecten met een afdoende omvang en duur die bovendien de beste beschikbare krachten bundelen. De projectduur bedraagt in principe vier jaar. De basisbegroting voor een project is vastgelegd op minimaal 185.000 € en maximaal 500.000 € per jaar. In het SBO-kanaal wordt verder een belangrijke aanmoediging ingebouwd tot samenwerking en consortiumvorming over instellingsgrenzen heen. Indien het project in consortiumverband wordt uitgevoerd, kan de projectbegroting worden verhoogd tot een maximum van 500.000 € per jaar vermenigvuldigd met het aantal rechtspersonen die als projectaanvrager optreden op voorwaarde dat de deelprojectbegroting van deze projectaanvragers minimaal 15% van de totale projectbegroting bedraagt. Bij grote consortia met telkens substantiële

Subsidiewegwijzer 2003

115

bijdragen van onderzoekspartners kan dit aanleiding geven tot zeer grote projectbudgetten. Het is immers de expliciete bedoeling om dusdanig tot een afdoende kritische massa te komen, nodig om de grensverleggende onderzoeksambities daadwerkelijk te kunnen waarmaken. Steunpercentages. Het steunpercentage voor een SBO-projectvoorstel of een gedeelte van een SBO-projectvoorstel uitgevoerd door een openbare hoger-onderwijsinstelling of een openbaar onderzoekscentrum bedraagt 100% van de aanvaardbare kosten. Voor het bepalen van de steun aan een projectvoorstel of gedeelte van een projectvoorstel uitgevoerd door een andere projectaanvrager (bijvoorbeeld een bedrijf), gelden de regels voor de ondersteuning van het industrieel basisonderzoek zoals vastgelegd in het besluit van de Vlaamse regering van 5 oktober 2001 tot regeling van de steun aan projecten van technologisch onderzoek en ontwikkeling van het bedrijfsleven in Vlaanderen. Voor een dergelijke O&O-actor bedraagt het steunpercentage 50% van de aanvaardbare kosten, hetgeen verhoogd wordt tot 60% in het geval van een KMO-bedrijf. Aanvraagprocedure Projectvoorstellen kunnen worden ingediend in het kader van een jaarlijkse oproep voor projectvoorstellen. De projectselectie wordt uitgevoerd in twee fasen. Op basis van een beknopt projectvoorstel wordt eerst een preselectie doorgevoerd. Vervolgens worden de geselecteerden uit de preselectie uitgenodigd om een volledig uitgewerkt voorstel in te dienen. De procedure en de modaliteiten zijn beschreven in het SBO-oproepdocument.

Bijkomende inlichtingen Informatie over het SBO-steunkanaal is terug te vinden op de homepage van IWT-Vlaanderen (http://www.iwt.be/sbo.htm). Voor bijkomende inlichtingen kunt u steeds telefonisch, per fax of e-mail terecht bij : IWT-Vlaanderen SBO-financieringskanaal Paul Schreurs Bischoffsheimlaan 25 1000 BRUSSEL Tel.: 02/209.09.45 Fax: 02/223.11.81 E-mail: sbo@iwt.be Website: http://www.iwt.be

1.7 HOBU-FONDS Inhoud steunmaatregel Hogescholen kunnen projecten uitvoeren die passen in de doelstellingen van het HOBU-Fonds: het versterken van de onderzoekscapaciteit bij de hogescholen; een betere samenwerking bekomen tussen hogescholen en bedrijven (in het bijzonder KMO’s); het stimuleren van innovaties bij kleine en grote bedrijven door technologie-overdracht vanwege de hogescholen; het versterken van de samenwerking tussen hogescholen en universiteiten; de doorstroming van onderzoeksresultaten naar het onderwijs in de hogescholen. Een project kan een toelage krijgen tot 100%, met een maximum van € 310.000. Alle technologisch gerichte onderwerpen komen in aanmerking, op voorwaarde dat een voldoende aantal bedrijven zich bereid verklaart deel te nemen aan een gebruikerscommissie en 10% van de noodzakelijke uitrusting te cofinancieren. Een project kent een maximale uitvoeringstijd van twee jaren.

Subsidiewegwijzer 2003

116

Begunstigden De begunstigden zijn in eerste instantie de hogescholen: zij voeren projecten uit om technologische opportuniteiten te bestuderen en te vertalen. De subsidies worden uitgekeerd aan de hogescholen met een goedgekeurd project. In tweede instantie zijn de begunstigden de bedrijven en andere geïnteresseerde organisaties die een project volgen: zij zitten op de eerste rij om de resultaten te leren kennen en te benutten; zij moeten slechts een minimale bijdrage betalen voor de onderzoekskosten. Projecten In de periode 1997-2002 zijn 134 projecten geselecteerd en opgestart met een totale steunvolume van € 30,5 miljoen. Er participeerden meer dan 1000 organisaties in de gebruikerscommissies van de goedgekeurde projecten (bedrijven, waaronder 2/3 KMO's, universiteiten, beroepsfederaties, andere hogescholen dan aanvrager, vzw’s, ..., waarbij meerdere participaties mogelijk waren in verscheidene projecten). Meestal organiseert elk project om de vier maanden een opvolgvergadering. De aanvragen situeren zich in alle industriële toepassingsdomeinen: basistechnologie, automatisering, informatica, elektronica, voedingstechnologie, biotechnologie, chemie, bouwkunde, landbouw- en veeteelt, milieukunde, ... Tot op heden dienden de hogescholen elk jaar genoeg interessante projecten in om de totaliteit van het beschikbare HOBU-Fonds toe te wijzen. Gezien het succes van de uitgevoerde projecten, werden steeds meer projecten ingediend en daalden de slaagkansen. Daarom werd in 2000 beslist de beschikbare begrotingsenveloppe op te trekken. De laatste jaren is de slaagkans voor de geïnteresseerde hogeschoolafdelingen echter weer aan het dalen. Zo werden begin 2003 in totaal 78 nieuwe aanvragen ingediend en zullen er +/- 25 gesteund kunnen worden met het beschikbare budget van € 5,949 miljoen voor de oproep 2003. Op de website van IWT-Vlaanderen (http://www.iwt.be) kan men de lijst van alle goedgekeurde projecten terugvinden. Aanvraagprocedure Sinds 1997 werd één maal per jaar, meestal op het einde van het jaar, een oproep gelanceerd om nieuwe projecten in te dienen. De aankondiging wordt ruim verspreid bij de hogescholen. De deadline voor indiening bedraagt een drietal maanden na de oproep. Ter informatieve titel kan men de aanvraagdocumenten van de oproep 2003 terugvinden op http://www.iwt.be, maar de oproep zelf is afgesloten per 17/2/2003. IWT-Vlaanderen selecteert de te steunen projecten, op basis van een beoordeling door onafhankelijke colleges van deskundigen, volgens de kwaliteit van het voorstel en de potentiële valorisatiewaarde in Vlaanderen. In 2000 en 2001 heeft IWT-Vlaanderen een grondig statusverslag opgemaakt over het HOBU-fonds in de periode 1997-2001, onder andere als input voor een analyse van dit subsidie-instrument. Op basis van de doorgedreven analyses en uit de bevraging van de hogescholen, de bedrijven en de universiteiten, bleek dat het programma een groot succes kent. De beoogde doelstellingen van het HOBU-fonds worden effectief gehaald. Als gevolg van de bachelor-master hervormingen zal het onderzoek in de hogescholen en universiteiten gestroomlijnd worden binnen de associaties. In de beleidsbrief "Wetenschaps- en Technologisch Innovatiebeleid 2002-2003" heeft de Vlaamse regering aangekondigd dat het HOBU-fonds wordt omgevormd tot een instrument voor kennistransfer vanuit de hogescholen en universiteiten met de associaties als referentiekader, naar bedrijven in het algemeen en KMO’s in het bijzonder. Het geheel wordt op maat van minder innovatieve bedrijven opgemaakt. In 2003 zal hiervoor een reglementair besluit worden uitgewerkt.

Subsidiewegwijzer 2003

117

Rekening houdend met de positieve resultaten van de HOBU-projecten en de sterke vraag die leeft vanuit de sector, zal een nieuw programma als opvolger van het HOBU-Fonds worden vormgegeven in 2003, om te kunnen starten in 2004.

Bijkomende inlichtingen Algemene informatie is terug te vinden op http://www.iwt.be, bij de steunmaatregelen in het algemeen en het HOBU-Fonds in het bijzonder. IWT-Vlaanderen HOBU-Fonds Bruno Krekels Bischoffsheimlaan 25 1000 Brussel Tel.: 02/209.09.00 Fax: 02/223.11.81 E-mail: hobu@iwt.be Website: http://www.iwt.be

2.

VLAAMSE INSTELLING VOOR TECHNOLOGISCH ONDERZOEK (VITO)

Inhoud steunmaatregel De Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek verricht klantgericht contractonderzoek en ontwikkelt innovatieve producten en processen ten behoeve van de industrie en de overheid. De bedrijfsleider wordt er geholpen bij onderzoek en ontwikkeling, implementatie van innovatieve technologieën en het optimaliseren van milieu-investeringen. De onderzoeksprojecten van de VITO sluiten aan bij de actuele maatschappelijke tendensen en de reële noden van het bedrijfsleven. Bij alle door de VITO uitgevoerde projecten staan het vrijwaren van het leefmilieu en het bevorderen van het duurzaam gebruik van energie en grondstoffen centraal. Begunstigden De Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO) heeft een programma bestemd voor alle ondernemingen gevestigd in het Vlaamse Gewest, dit wil zeggen voor zowel startende als bestaande kleine en middelgrote ondernemingen. Projecten Volgende projecten komen in aanmerking: - optimaliseren van milieu-investeringen; - grondstoffenbesparing; - optimaliseren van energiebesparende investeringen; - vermindering van milieubelastende effecten; - lancering en ontwikkeling van nieuwe technologieën; - implementatie van innovatieve technologieën; - … Diversen

Subsidiewegwijzer 2003

118

De opdrachtgever kan met zijn specifieke problemen terecht bij een logisch geheel van expertisecentra: procestechnologie, energietechnologie, teledetectie en atmosferische processen, milieutoxicologie, milieumetingen, materiaaltechnologie, milieutechnologie en integrale milieustudies. De wensen en noden van de opdrachtgever staan centraal binnen het contractonderzoek van de VITO. Het verrichten van onderzoek op maat van de klant en met tussentijdse bijsturing beperkt de financiële risico’s van de opdrachtgever.

Bijkomende inlichtingen VITO Jos Sleurs Boeretang 200 2400 Mol Tel.: 014/33.55.11 Fax: 014/33.55.99

Subsidiewegwijzer 2003

119

DEEL VI: STEUN BIJ EXPORT 1. EXPORT VLAANDEREN

1.1 FINANCIELE TUSSENKOMSTEN VAN EXPORTGERICHTE INITIATIEVEN – KLEINE EN MIDDELGROTE ONDERNEMINGEN Inhoud steunmaatregel Export Vlaanderen heeft van de Vlaamse regering de opdracht gekregen om de exportinitiatieven van het Vlaamse bedrijfsleven te ondersteunen, te begeleiden en te stimuleren. Eén van de middelen bij uitstek daartoe is het toekennen van subsidies voor exportbevorderende initiatieven. Op 20 april 2001 heeft de Vlaamse regering een nieuw besluit goedgekeurd dat de voorwaarden en de regels vaststelt inzake de toekenning van subsidies. De reglementering, die zich specifiek richt naar kleine en middelgrote ondernemingen, kadert in de Europese regelgeving inzake de de minimis. Het belangrijkste doel van de subsidieregeling is dat onze exporteurs voor hun goederen en diensten ook afzet zouden zoeken buiten de Europese Economische Ruimte (de lidstaten van de Europese Unie, Noorwegen, Liechtenstein en IJsland vormen samen de EER). Het steunbedrag wordt voor de meeste initiatieven forfaitair berekend en uitbetaald. Export Vlaanderen kent subsidies toe ten belope van 50% van de aanvaarde kosten. Begunstigden Kleine en middelgrote ondernemingen* die een exploitatiezetel hebben in het Vlaamse Gewest. * Dit zijn bedrijven die aan de volgende voorwaarden voldoen: - er werken maximaal 250 werknemers; - de onderneming heeft of een jaaromzet van maximaal 50 miljoen euro, of een balanstotaal van maximaal 43 miljoen euro; - niet meer dan 25% van het kapitaal of van de stemrechten zijn in handen van één onderneming of van verscheidene ondernemingen die niet aan deze definitie beantwoorden. Projecten Subsidiabele initiatieven De volgende initiatieven komen in aanmerking: - individuele prospectiereizen en groepszakenreizen; - de deelname aan internationale beurzen in het buitenland; - de aankoop van een lastenboek; - de deelname aan een door Export Vlaanderen erkend opleidingsprogramma; - de oprichting van een prospectiekantoor. Diversen Algemene voorwaarden De belangrijkste voorwaarden om in aanmerking te komen voor subsidiëring zijn: - de goederen of diensten, waarvoor prospectie wordt gedaan, moeten in het Vlaamse Gewest geproduceerd, verwerkt en/of gepresteerd worden. Zijn uitgesloten van steun: de traders en handelsmaatschappijen die niet voor eigen rekening of risico werken maar op commissieloon; de sector van de banken, de verzekeringssector, de vastgoedsector, de openbare besturen en de ondernemingen waarvan het aandelenkapitaal voor meer dan 50% in handen is van de overheid;

Subsidiewegwijzer 2003

120

-

de activiteiten waarvoor steun wordt gevraagd moeten gericht zijn op de export naar landen die gelegen zijn buiten de Europese Economische Ruimte, uitgezonderd de deelname aan internationale beurzen in het buitenland en de deelname aan opleidingsprogramma's; de activiteiten moeten gericht zijn op nieuwe markten, waar de onderneming geen of een beperkte afzet realiseert.

Aanvraagprocedure Algemeen gesproken moet de volledige aanvraag uiterlijk 15 kalenderdagen voor de aanvang van de actie ingediend worden bij één van de vijf regionale exportcentra van Export Vlaanderen (Antwerpen, Hasselt, Vilvoorde, Gent en Brugge). De algemeen directeur van de instelling beslist in naam van de minister over de toekenning van de subsidie. De uitbetalingen gebeuren op basis van een verslag en bewijsstukken.

Bijkomende inlichtingen Export Vlaanderen Regentlaan 40 1000 Brussel Tel.: 02/504.87.11 Fax: 02/504.88.99 E-mail: info@export.vlaanderen.be

2.

FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE BUITENLANDSE HANDEL

Inhoud steunmaatregel De Belgische Dienst voor de Buitenlandse Handel (BDBH) - een parastatale instelling die tot taak heeft de uitvoer van Belgische en Luxemburgse producten, technieken en diensten te bevorderen - zal ingevolge de zogenaamde Lambermontakkoorden en meer in het bijzonder de Bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en gemeenschappen van 13 juli 2001, in de loop van 2003 worden afgeschaft. Hij wordt vervangen door een kleiner federaal Agentschap voor Buitenlandse Handel. Het nieuwe Agentschap werd reeds opgericht op 24 mei 2002 op grond van een samenwerkingsakkoord tussen de federale overheid en de gewesten. Begunstigden Het federaal Agentschap zal in hoofdzaak functioneren als een kenniscentrum voor de gewestelijke instellingen. Projecten De opdrachten van het Agentschap voor Buitenlandse Handel zullen worden vastgelegd door zijn Raad van Bestuur en complementair zijn met de diensten van de gewestelijke exportbevorderende instanties. Zijn bevoegdheden zullen grosso modo op het volgende neerkomen: het ontwikkelen en verspreiden van informatie, studies en documentatie over buitenlandse markten, onder meer met betrekking tot buitenlandse handelswetgeving en –reglementering en handelsstatistieken;

Subsidiewegwijzer 2003

121

-

de organisatie van gezamenlijke handelsmissies onder voorzitterschap van ZKH Prins Filip, op initiatief van één of meer gewesten en op vraag van de federale overheid. De gewesten worden nauw bij de voorbereiding van deze zendingen betrokken en staan in voor een deel van het programma. De inschrijvingen gebeuren trouwens via de gewesten. Naast de twee prinselijke zendingen naar Mexico en Californië (15-25 februari), zijn voor 2003 de volgende handelsmissies onder voorzitterschap van ZKH Prins Filip gepland: Vietnam (11-17 oktober) en Polen (16-22 november). overige diensten: . beheer van een databank van exporteurs. Via het systeem van selectieve informatieverspreiding kunnen de exporteurs snel en gericht worden geïnformeerd over aangelegenheden en acties die hen aanbelangen of interesseren, waaronder buitenlandse handelsvoorstellen en openbare aanbestedingen in het buitenland; . taken van gezamenlijk belang waartoe de Raad van Bestuur van het toekomstige Agentschap unaniem beslist. Bijkomende inlichtingen

-

Agentschap voor Buitenlandse Handel Koning Albert II-laan 30, bus 36 1000 Brussel Tel.: 02/206 35 11 Fax: 02/203 18 12 E-mail: info@obcebdbh.be Website: http://www.obcebdbh.be

3.

NATIONALE DELCREDEREDIENST - EXPORTKREDIETVERZEKERING

Inhoud steunmaatregel De Nationale Delcrederedienst is een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid. Delcredere heeft tot doel de internationale economische betrekkingen te bevorderen door het verzekeren van risico’s verbonden aan export, import en investeringen in het buitenland. Delcredere werkt onder staatsgarantie, behalve voor transacties die gewoonlijk verzekerd worden door maatschappijen die niet voor rekening of met de garantie van de Staat werken. Alle exporttransacties komen voor verzekering in aanmerking: levering van consumptiegoederen, kapitaalgoederen of industriële installaties, maar ook de meest diverse contracten, zoals dienstverleningscontracten, verkoop van immateriële goederen (bijvoorbeeld licenties) en knowhow, engineeringcontracten, enzovoort. Normaal gaat het om contracten voor de levering van goederen en diensten van Belgische oorsprong. Buitenlandse onderleveranties zijn nochtans ook verzekerbaar binnen bepaalde grenzen. Welke risico’s worden gedekt ? Ten eerste het in gebreke blijven van een buitenlandse debiteur. Hieronder verstaat men het feit dat een debiteur niet in staat is zijn verplichtingen na te komen of er zich zonder wettige redenen aan onttrekt. Het kan hierbij zowel gaan om gevallen van insolventie (faillissement, gerechtelijk akkoord, …) als om situaties waarbij de debiteur niet aan zijn verplichtingen kan of wil voldoen. Ten tweede de politieke en daarmee gelijkgestelde risico’s. Hieronder verstaat men alle gebeurtenissen die zich in het buitenland voordoen en die voor de verzekerde of voor de debiteur overmacht vormen: politieke gebeurtenissen (bijvoorbeeld oorlogen, revoluties of opstanden), rampen (bijvoorbeeld aardbevingen, vulkaanuitbarstingen of vloedgolven), economische moeilijkheden (bijvoorbeeld deviezenschaarste waardoor transfers worden vertraagd) en handelingen, beslissingen of in gebreke blijven van overheidsinstanties die als overheidsmaatregelen worden beschouwd, met inbegrip

Subsidiewegwijzer 2003

122

van maatregelen van de Belgische overheid wanneer zij voortvloeien uit in het buitenland gelegen oorzaken. Begunstigden Alle Belgische ondernemingen komen in aanmerking zolang ze zich maar bezighouden met export naar het buitenland. Er zijn geen uitgesloten categorieën of sectoren. Het werkterrein van Delcredere is afhankelijk van de aard van de geëxporteerde goederen en van het soort verzekeringspolis die eraan verbonden is: - de globale polis heeft betrekking op alle niet-OESO-landen plus Hongarije, Mexico, Polen, Slovakije, Tsjechië en Turkije en Zuid-Korea; - de globale conventie verleent dekking voor de hele wereld; - de Mundialispolis dekt het commerciële en het politieke risico op OESO- en niet-OESO-landen; deze polis is een gezamenlijk product van Delcredere en Euler-Cobac-Belgium en is sedert november 2000 op de markt. Projecten De volgende projecten komen in aanmerking: - export van kapitaal- en investeringsgoederen; - andere exportgerichte investeringen; - … Diversen De exporttransacties worden verzekerd in het kader van een globale overeenkomst waarover individueel dient te worden onderhandeld tussen de verzekerde en Delcredere. Er bestaan twee standaardvormen: - Globale polis: deze polis wordt - onder vooraf vastgestelde voorwaarden - gesloten voor alle transacties met overeengekomen landen. Zij heeft hoofdzakelijk betrekking op de levering van consumptiegoederen, halffabrikaten, grondstoffen, reserveonderdelen en lichte kapitaalgoederen, die - naar gelang van de aard ervan - betaalbaar zijn op contantbasis of met een krediet van maximaal 6 maanden tot 1 jaar. Voor elke debiteur wordt ook een kredietlimiet vastgesteld, die het maximumbedrag bepaalt dat door Delcredere verzekerd wordt. In het kader van deze polis biedt de exporteur een geheel van transacties dat een bevredigende risicospreiding bevat, ter verzekering aan. Binnen de eerste 10 dagen van elke maand doet de verzekerde opgave van: de tijdens de vorige maand gesloten contracten en verrichte verzendingen, de schuldvorderingen die sinds meer dan 30 of 60 dagen vervallen zijn en waarvoor op de datum van de opgave nog geen betaling en/of transfer naar België hebben plaatsgevonden. Globale conventie: de globale conventie is van toepassing op industrieprojecten (bedrijfsklare fabrieken, infrastructuurwerk, …) en op de levering van goederen en diensten met een krediet van meer dan 1 jaar. Tijdens de onderhandelingsfase kan de exporteur een verzekeringsbelofte krijgen. Eens het contract gesloten is en de financiering uitgewerkt, geeft Delcredere een individuele polis af.

De schade kan worden veroorzaakt doordat de buitenlandse afnemer het contract verbreekt voordat de goederen zijn geleverd of dat hij de voorwaarden niet vervult die nodig zijn voor de uitvoering van het contract. Het verlies zal des te groter zijn naarmate de goederen moeilijker aan derden kunnen worden doorverkocht. De dekking gedurende deze periode heet ‘verzekering van het resiliatierisico’. Na de levering loopt de exporteur het risico dat hij geen betaling ontvangt van de vorderingen die uit het contract voortvloeien. Het gaat dan om ‘verzekering van het betalingsrisico’. Bij schade vergoedt Delcredere normaal: - 95% van het verlies bij dekking van het risico op overheidsdebiteuren, alsook bij dekking van het politieke risico verbonden aan transacties met particuliere debiteuren;

Subsidiewegwijzer 2003

123

-

90% van het verlies bij dekking van het commerciële risico verbonden aan transacties met particuliere debiteuren. Dit percentage kan 95% bedragen wanneer de debiteur of de garant een bank is.

De wachttermijn voor uitkering van een schadevergoeding bedraagt in principe 6 maanden vanaf de vervaldag. In bijzondere gevallen kan hij evenwel worden beperkt, namelijk bij verbreking van het contract en bij bewezen insolventie van een particuliere debiteur. Bij resiliatieschade wordt de vergoeding berekend op basis van de kostprijs van de werkelijk aangegane uitgaven, na aftrek van de ontvangen betalingen en de provenu’s. Bij schade uit hoofde van non-betaling wordt de vergoeding berekend op basis van het onbetaalde bedrag van de vordering. Deze dekking heeft dus betrekking op de verkoopprijs. Voor transacties die verzekerd zijn in het kader van een globale polis of een globale conventie, is de premie afhankelijk van het debiteurland en van de aard en de duur van de gedekte risico’s. Deze premie ligt tussen enkele promille en zelden meer dan 2% voor kortlopend krediet. Voor transacties met middellang en langlopend krediet varieert zij tussen 1 en 5%, of meer voor langlopende risico’s op moeilijke landen. Wanneer de transactie betaalbaar is in een van de valuta’s waarvoor de Nationale Bank van België indicatieve koersen publiceert, kan de exporteur dekking verkrijgen tegen verliezen voortspruitend uit de devaluatie van deze valuta ten opzichte van de euro. Deze dekking kan worden verleend vanaf de indiening van de vaste offerte of vanaf de ondertekening van het contract. Wanneer de exporteur voor het realiseren van zijn contract een schuld in deviezen moet aangaan (die voortvloeit uit een financiering of een valutatermijncontract), kan hij dekking in deviezen verkrijgen. In dat geval betaalt Delcredere de eventuele vergoeding in dezelfde valuta als die waarin de verzekerde de voornoemde schuld heeft aangegaan, ongeacht het koersverloop van die valuta. Onder bepaalde voorwaarden verleent Delcredere dekking tegen politieke risico’s verbonden aan investeringen in het buitenland. De polis dekt het risico dat de verzekerde de beschikkingsmacht over zijn investering verliest en geen betaling of transfer kan verkrijgen van de bedragen die hem toekomen. Het gedekte percentage is maximaal 90 % en de looptijd van de verzekering kan niet langer dan 15 jaar zijn. De jaarlijkse premie varieert volgens het investeringsland.

Bijkomende inlichtingen Delcredere de Meeûssquare 40 1000 Brussel Tel.: 02/509.42.11 Fax: 02/513.50.59 E-mail: delcredere@ondd.be Website: http://www.delcredere.be

4. FINEXPO – COMITE VOOR DE FINANCIELE ONDERSTEUNING VAN DE EXPORT 4.1 STABILISERING VAN DE RENTEVOET Inhoud steunmaatregel

Subsidiewegwijzer 2003

124

De federale ministerraad heeft op 22 mei 1997 de oprichting van FINEXPO (Comité voor de financiële ondersteuning van de export) goedgekeurd. Dat Comité zal zowel Copromex (Comité voor de Bevordering van de uitvoer van Belgische uitrustingsgoederen) als het Interdepartementaal Comité voor de staatsleningen bevatten en bepaalde taken ervan overnemen. Eén van deze taken is het tegemoetkomen in de rentelasten die voortvloeien uit de financiering van de export om de Belgische exporteurs in staat te stellen het hoofd te bieden aan de buitenlandse concurrenten. Dat kan onder andere door te zorgen voor een stabilisering van de rentevoeten. Begunstigden Kleine, middelgrote en grote ondernemingen komen in aanmerking voor een stabilisering van de rentevoet. Projecten Volgend project komt in aanmerking: uitvoer van uitrustings- en investeringsgoederen. Aanvraagprocedure Om een stabilisering van de rentevoet te bekomen moet de exporteur een officiële aanvraag indienen bij Finexpo. Hij vult hiervoor het gemeenschappelijk aanvraagformulier Finexpo – Delcredere in. Dat moet gebeuren vóór de ondertekening van het commercieel contract. Het officiële aanvraagformulier kan gevonden worden op de website van Finexpo (http://www.finexpo.be ). Uit die aanvraag moet blijken dat de exporteur in concurrentie is met andere buitenlandse leveranciers en dat hij, om de concurrentie het hoofd te kunnen bieden, nood heeft aan een stabilisering van de rentevoet. Na een grondig onderzoek zal Finexpo advies uitbrengen aan de minister, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. De minister zal dan beslissen over de toekenning van de rentestabilisatie. Als er sprake is van een krediet van meer dan 24.789.352 euro, dan is het principieel akkoord van de ministerraad vereist. Vervolgens krijgt de beslissing over de toekenning van de rentestabilisatie concreet vorm door de uitgifte van een belofte die een bepaalde uitgangsrentevoet (CIRR-rente) voor een periode van vier maanden waarborgt, te rekenen vanaf de datum van ondertekening voor akkoord door de minister. Indien de transactie binnen deze termijn wordt afgesloten, wordt aan de exporteur bij ministerieel besluit de rentestabilisatie definitief toegekend. Indien de transactie niet binnen deze termijn wordt afgesloten, kan de belofte – mits schriftelijke aanvraag – verlengd worden met telkens vier maanden. Indien een exporteur of zijn bankier een financiering in vreemde deviezen moet aanvaarden, garandeert Finexpo een vaste rentevoet op het krediet dat aan de buitenlandse partij toegekend wordt voor de financiering van het uitvoerkrediet. Deze waarborg is van kracht wanneer de bank gebruik maakt van leningen op de eurodeviezenmarkt, waarbij de rentevoet op iedere vervaldag vastgesteld wordt. De vaste rentevoet die aan de koper wordt gegarandeerd, is de commerciële intrest-referentievoet voor deviezen, kortweg CIRR genoemd (Commercial Interest Reference Rate). Deze CIRR-rentevoeten worden maandelijks door het secretariaat van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) vastgesteld en meegedeeld aan de lidstaten. Finexpo neemt bij elke semestriële aflossing het verschil ten laste tussen de gestabiliseerde rentevoet en de rentevoet waartegen de bank zich de deviezen aanschaft op de eurodeviezenmarkt, indien deze hoger is dan de CIRR-rente. Indien de rentevoet waartegen de bank zich de deviezen aanschaft lager is dan de CIRR-rente, dan wordt het verschil gestort aan de schatkist.

Bijkomende inlichtingen

Subsidiewegwijzer 2003

125

Finexpo Karmelietenstraat 19 1000 Brussel Tel.: 02/501.82.53 - 02/501.89.78 - 02/501.83.98 Fax: 02/501.88.27 Website: http://www.finexpo.be

4.2 INTRESTBONIFICATIES Inhoud steunmaatregel Naast de gewone rentestabilisaties kent Finexpo intrestbonificaties (vroeger supersubsidies) toe. Daardoor garandeert Finexpo een zeer lage rentevoet die een giftelement van minstens 35% respecteert. Bonificatiedossiers kunnen enkel in euro ingediend worden en moeten aan dezelfde eisen voldoen als de leningen van staat tot staat (commerciële niet-leefbaarheid van het project, ontwikkelingsrelevantie,…). De intrestbonificatie wordt toegekend aan projecten in de ontwikkelingslanden. Een aanbeveling van het DAC-comité van de OESO stelt dat alle hulp aan Minst- Ontwikkelde-Landen ongebonden moet zijn. Projecten in de Minst-Ontwikkelde-Landen komen daardoor niet meer in aanmerking voor een intrestbonificatie aangezien dit instrument gedefinieerd wordt als gebonden hulp. Begunstigden Kleine, middelgrote en grote ondernemingen komen in aanmerking voor een intrestbonificatie. Projecten Volgend project komt in aanmerking: uitvoer van uitrustings- en investeringsgoederen naar ontwikkelingslanden (niet naar de MinstOntwikkelde-Landen); het project mag niet commercieel leefbaar zijn. Aanvraagprocedure Om een intrestbonificatie te bekomen moet de exporteur een officiële aanvraag indienen bij Finexpo. Na een grondig onderzoek zal Finexpo advies uitbrengen aan de minister, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. De minister zal dan beslissen over de toekenning van de intrestbonificatie. Vervolgens krijgt de beslissing over de toekenning van de intrestbonificatie concreet vorm door de uitgifte van een belofte die een minimum uitgangsrentevoet waarborgt gedurende 1 jaar, te rekenen vanaf de datum van ondertekening voor akkoord door de minister. Indien de transactie binnen deze termijn wordt afgesloten, wordt aan de exporteur bij ministerieel besluit de intrestbonificatie definitief toegekend. Indien ze niet binnen deze termijn wordt afgesloten kan ze mits schriftelijke aanvraag tweemaal verlengd worden met telkens één jaar. Bijkomende inlichtingen Finexpo Karmelietenstraat 19 1000 Brussel Tel.: 02/501.82.53 - 02/501.89.78 - 02/501.83.98 Fax: 02/501.88.27 Website: http://www.finexpo.be

Subsidiewegwijzer 2003

126

4.3 INTRESTBONIFICATIE MET AANVULLENDE GIFT Inhoud steunmaatregel In de Programmawet die goedgekeurd werd op 24 december 2002 is de mogelijkheid voorzien voor Finexpo “tot het toekennen van een aanvullende gift ten belope van ten hoogste 50% van de kredietverzekeringspremie”. Doel van dit nieuwe instrument is via de aanvullende gift de terugbetalingsperiode te verminderen en alsook de daarmee gepaard gaande Delcrederepremie, die vooral hoog is voor landen geklasseerd in categorie 5 en 6. De gift en de intrestbonificatie dienen samen een concessioneel element van ten minste 35% te respecteren. De berekening van de gift gebeurt in nauw overleg tussen Finexpo en de Nationale Delcrederedienst. Voor de intrestbonificatie garandeert Finexpo een zeer lage rentevoet die - samen met de gift - een concessioneel element van minstens 35% respecteert. Bonificatiedossiers met aanvullende gift kunnen enkel in euro ingediend worden en moeten aan dezelfde eisen voldoen als de leningen van staat tot staat en intrestbonificaties (commerciële niet-leefbaarheid van het project, ontwikkelingsrelevantie,…). De intrestbonificatie met aanvulllende gift wordt toegekend aan projecten in ontwikkelingslanden die behoren tot categorie 5 en 6 bij de Nationale Delcrederedienst (na te gaan via de website: http://www.delcredere.be) Begunstigden Kleine, middelgrote en grote ondernemingen komen in aanmerking voor een intrestbonificatie met aanvullende gift. Projecten Volgend project komt in aanmerking: uitvoer van uitrustings- en investeringsgoederen naar ontwikkelingslanden (niet naar de MinstOntwikkelde-Landen); het project mag niet commercieel leefbaar zijn. Aanvraagprocedure Om een intrestbonificatie met aanvullende gift te bekomen moet de exporteur een officiële aanvraag indienen bij Finexpo. Na een grondig onderzoek zal Finexpo advies uitbrengen aan de minister, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. De minister zal dan beslissen over de toekenning van de intrestbonificatie met aanvullende gift. Vervolgens krijgt de beslissing over de toekenning van de intrestbonificatie met aanvullende gift concreet vorm door de uitgifte van een belofte die een minimum uitgangsrentevoet waarborgt gedurende 1 jaar, te rekenen vanaf de datum van ondertekening voor akkoord door de minister. Indien de transactie binnen deze termijn wordt afgesloten, wordt aan de exporteur bij ministerieel besluit de intrestbonificatie met aanvullende gift definitief toegekend. Indien ze niet binnen deze termijn wordt afgesloten kan ze mits schriftelijke aanvraag tweemaal verlengd worden met telkens één jaar. Bijkomende inlichtingen Finexpo Karmelietenstraat 19 1000 Brussel

Subsidiewegwijzer 2003

127

Tel.: 02/501.89.78 - 02/501.83.98 – 02/501.82.53 Fax: 02/501.88.27 Website: http://www.finexpo.be

4.4 LENINGEN VAN STAAT TOT STAAT Inhoud steunmaatregel Staatsleningen worden door België toegekend aan ontwikkelingslanden met het oog op de concessionele financiering van de export van Belgische uitrustingsgoederen en aanverwante diensten. De staatsleningen beogen zodoende een dubbel doel: enerzijds bijdragen tot de ontwikkeling in de begunstigde landen en anderzijds de ondersteuning van de Belgische economie door de bevordering van de Belgische verre export. Sinds 1 januari 2002 zijn de Staatsleningen voor de Minst-Ontwikkelde-Landen (MOL) ongebonden. Enkel projecten met een bedrag kleiner dan 700.000 Speciale Trekkingsrechten (STR) komen nog in aanmerking voor gebonden hulp. Aanvraagprocedure De staatsleningen worden aan zeer concessionele voorwaarden toegekend: de krediettermijn bedraagt 30 jaar met een gratieperiode van 10 jaar. De intrest bedraagt 0 of 2% afhankelijk van het BNP/capita van de begunstigde landen. De staatsleningen worden omwille van het grote schenkingsdeel als ontwikkelingshulp erkend door het DAC-comité van de OESO. De staatsleningen worden bijna altijd gecombineerd met commerciële leningen. Er is dus meestal sprake van een ‘gemengde financiering’. Staatsleningen kunnen op twee manieren aan de begunstigde landen toegekend worden: ofwel worden ze onmiddellijk gekoppeld aan een specifiek project, ofwel wordt een staatsleningenveloppe toegekend die in een later stadium zal dienen voor de financiering van bepaalde projecten. De vraag voor een staatslening moet officieel aan het secretariaat van het Finexpo-comité voorgelegd worden. Gebonden hulp Voor projecten in niet-MOL of projecten met een bedrag kleiner dan 700.000 STR in MOL die in aanmerking komen voor een Lening van Staat tot Staat moeten de geïnteresseerde Belgische bedrijven een aanvraag indienen bij het secretariaat van Finexpo en de officiële vragenlijst toesturen (zoals voor intrestbonificaties). De geleverde antwoorden moeten toelaten onder andere de economische en ontwikkelingsrelevantie te onderzoeken van de Staatslening voor het begunstigde land. Ongebonden hulp Grotere projecten in MOL (meer dan 700.000 STR) worden via een specifieke vragenlijst ingediend door de overheid van het geïnteresseerde land of door een organisme in dat land dat staatsgarantie geniet. Bijkomende inlichtingen Thesaurie Kunstlaan 30 1040 Brussel Tel.: 02/233.74.24 Fax: 02/233.70.83

Subsidiewegwijzer 2003

128

Finexpo Karmelietenstraat 19 1000 Brussel Tel.: 02/501.84.90 – 02/501.82.53 Fax: 02/501.88.27 Website: http://www.finexpo.be

5. MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP - TER BESCHIKKING STELLEN VAN VLAAMSE UITRUSTINGSGOEDEREN Inhoud steunmaatregel Ter bevordering van de Vlaamse export werd door de Vlaamse regering op 26 oktober 1994 het besluit tot het ter beschikking stellen van Vlaamse uitrustingsgoederen goedgekeurd. Op 11 februari 2000 werd het door de Vlaamse regering voor een tweede maal bijgestuurd en voor onbepaalde duur verlengd. Uitrustingsgoederen zijn machines of uitrusting met hoge stukwaarde voor gebruik in een fabricageproces of in productie of handel of andere kapitaalgoederen. Vlaamse uitrustingsgoederen mogen in principe niet meer dan 30% goederen van buitenlandse oorsprong bevatten. Dit percentage wordt op 40% gebracht indien het uitsluitend goederen met oorsprong uit de Europese Unie betreft. De uitrustingsgoederen moeten door de aanvrager rechtstreeks aan de eindgebruiker geleverd worden. Subsidies kunnen niet worden toegekend voor de levering van militaire goederen, schepen, vliegtuigen, kernenergiecentrales en landbouwproducten. Begunstigden Kleine en middelgrote ondernemingen die gevestigd zijn in het Vlaamse Gewest komen in aanmerking voor steun. KMO's worden als volgt gedefinieerd: . ondernemingen met een omzet van maximum 50 miljoen euro of een balanstotaal van maximum 43 miljoen euro; . een tewerkstelling van minder dan 250 personen; . minder dan 25% van het kapitaal of van de stemrechten mogen in handen zijn van één onderneming of van verscheidende ondernemingen die geen kleine en middelgrote onderneming zijn. Een uitzondering vormen de gevallen waar de onderneming in handen is van openbare participatiemaatschappijen, van ondernemingen van risicokapitaal of van institutionele beleggers, op voorwaarde dat ze individueel noch gezamenlijk in enig opzicht zeggenschap over de onderneming hebben, alsook de gevallen waar het wegens spreiding van het kapitaal onmogelijk is te weten in wiens handen het kapitaal is. In dat laatste geval moet de onderneming verklaren dat ze redelijkerwijze mag aannemen niet voor 25% of meer in handen te zijn van één onderneming of van verscheidene ondernemingen gezamenlijk die niet aan deze definitie van kleine en middelgrote onderneming voldoen. Ondernemingen die de bovenvermelde grenzen overschrijden, komen enkel in aanmerking voor projecten die een uitzonderlijk exportbevorderend karakter hebben en van uitzonderlijk internationaal belang zijn.

-

Steun Een onderneming kan per land slechts één subsidie krijgen binnen een periode van drie jaar. De subsidies kunnen niet worden toegekend als uit een beslissing of handeling van de overheid blijkt dat de betrekkingen met het land waarop de uitvoer gericht is, verbroken zijn, geschorst zijn of ernstig in het gedrang komen.

Subsidiewegwijzer 2003

129

Landen die zich in een oorlogssituatie bevinden of landen waartegen internationale sancties zijn uitgevaardigd, zijn uitgesloten van steun. Per jaar kan eenzelfde bedrijf slechts voor twee dossiers een subsidie ontvangen. Uitrustingsgoederen kunnen ter beschikking gesteld worden voor export naar landen, toegelaten volgens de OESO-concensus (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling). De steun is bepaald op 35% van het contractbedrag. Voor de gewone ontwikkelingslanden mag het contractbedrag maximum 740.0000 euro bedragen. Voor de Minst-Ontwikkelde-Landen is de steun bepaald op 50% van het contractbedrag. Voor de MOLlanden mag het contractbedrag maximum 495.000 euro bedragen. De steun wordt in twee schijven uitbetaald. Een eerste schijf van 75% wordt uitbetaald na voorlegging van bewijsstukken waaruit blijkt dat het geschonken goed daadwerkelijk geleverd is. De tweede schijf van 25% wordt uitbetaald bij het bewijs van installatie of van werking en op voorwaarde dat het evaluatierapport naar de administratie is gestuurd. Diversen Bij de beoordeling worden volgende criteria onderzocht: - het project is niet haalbaar op commerciële voorwaarden mede gelet op de potentiële koopkracht van de buitenlandse koper; - het project heeft invloed op de tewerkstelling bij de aanvrager; - de onderneming staat in concurrentie met andere aanbieders; - het project verhoogt de marktkansen van de aanvrager in het land of de regio in kwestie. Inhoudelijke en budgettaire wijzigingen aan het project moeten door de aanvrager aan de administratie worden gemeld. Elke wijziging moet door de administratie voorafgaandelijk worden goedgekeurd. Indien een project volledig of gedeeltelijk wordt stopgezet, moet de aanvrager dat eveneens onmiddellijk melden aan de administratie.

Bijkomende inlichtingen Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Europa Economie Markiesstraat 1 1000 Brussel Tel.: 02/553.37.76 - 37.14 Fax: 02/502.47.02

6.

JAPAN EN DE EUROPESE UNIE - EXPROM

Inhoud steunmaatregel Sinds 1979 moedigt de Europese Commissie Europese bedrijven aan om te investeren in de Japanse markt. Daarvoor zette de Commissie een reeks initiatieven op om de export naar Japan te stimuleren. Deze exportsteunende maatregelen worden ondergebracht onder de naam 'EXPROM'. Projecten Volgende activiteiten zijn in dit programma voorzien:

Subsidiewegwijzer 2003

130

6.1 GATEWAY TO JAPAN Dit programma richt zich naar bestaande KMO’s in de Europese Unie in de volgende sectoren: voeding en drank, medische sector, bouwmaterialen, informatietechnologieën en communicatie, milieutechnologieën, binnenhuisdecoratie, modeontwerpers voor jongeren. Bovendien moeten de KMO’s reeds exportervaring hebben en reeds exportmogelijkheden op de Japanse markt reëel achten. De Europese Commissie financiert en beheert Gateway to Japan maar de Eurochambres, het Europees Kamernetwerk, coördineert het programma. Na twee succesvolle reeksen van exportpromotie volgt in 2003 een derde fase van de Gateway to Japan. Volgende projecten komen in aanmerking: - deelname aan economische, commerciële, regionale of sectorale missies of seminaries; - deelname aan internationale jaar- en vakbeurzen (individueel of in groep); - marktevaluaties en -studies; - prospectie van vreemde markten; - …

Bijkomende inlichtingen: Europese Commissie Belliardstraat 28 1040 Brussel Tel.: 02/296.13.99 – 02/299.37.67 Fax: 02/299.05.99 Website: http://www.gatewaytojapan.org Federatie der Kamers voor Handel en Nijverheid Anne Demaret Kunstlaan 1-2 b10 1210 Brussel Tel.: 02/209.05.57 Fax: 02/209.05.68 E-mail: ademaret@cci.be

6.2 EXECUTIVE TRAINING PROGRAMME Dit programma biedt jaarlijks jonge kaderleden van Europese ondernemingen de kans om de Japanse markt te ontdekken. Via een stage, een taalcursus en een managementcursus, worden de jonge kaderleden wegwijs gemaakt in de Japanse markt. Om in aanmerking te komen moet de kandidaat burger zijn van de Europese Unie en gedurende de tijd in Japan volledig ondersteund worden door het moederbedrijf. Daarnaast zijn een universitair diploma en een grondige kennis van het Engels noodzakelijk. Meer informatie vindt u op volgende website: http://www.etp.org/japan/japintro.htm.

6.3 AD-HOC PROGRAMMA'S EXPROM biedt ook ad-hoc programma's waarbij de Europese Commissie de marktstrategieën van Europese bedrijven in Japan ondersteunt.

Subsidiewegwijzer 2003

131

Het EU-Japan Centrum voor Industriële Samenwerking organiseert opleidingen en handelsmissies voor managers van de Europese Unie naar Japan. Het Vulcanus programma, dat een taalopleiding en stage voorziet voor Europese ingenieursstudenten in Japan en Japanse studenten in Europa, wordt gecoördineerd door dit Centrum. Ook de coördinatie van het Global Venture Forum 2002, dat Japanse en Europese bedrijven in de communicatie, biotechnologie en high-tech sectoren bijeenbrengt met het oog op het vormen van partnerschappen, is in handen van het EU-Japan-Centrum. Meer info kunt u bekomen op volgende website: http://www.eujapan.com.

Bijkomende inlichtingen Voor algemene informatie rond Exprom kunt u terecht op volgend adres: Europese Commissie DG Buitenlandse Betrekkingen, Directie C Wetstraat 200 1040 Brussel Tel.: 02/299.00.96 Fax: 02/299.10.43 Website: http://europa.eu.int/comm/external_relations/japan/intro/exprom.htm

Subsidiewegwijzer 2003

132

DEEL VII : EUROPESE STEUN 1. DE STRUCTUURFONDSEN

De Europese Structuurfondsen hebben als doelstelling de sociaal-economische ongelijkheden in de Europese Unie weg te werken. Het gaat hierbij om het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) - Afdeling Garantie en Oriëntatie en het Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV). Het EFRO is erop gericht de regionale ongelijkheden binnen de EU te verminderen via economische projecten, vooral infrastructuurwerken en begeleiding van de economische ontwikkeling. Het ESF is uitgegroeid tot een beroepsopleidingsfonds en het EOGFL wil de aanpassing van de landbouwstructuur bevorderen, alsook de achterstand van bepaalde plattelandszones wegwerken. Het FIOV beoogt een coherent beleid inzake structuren van visserij en aquacultuur. Sinds de nieuwe hervorming van de Europese Structuurfondsen, goedgekeurd op 21 juni 1999, is het toekennen van steun verbonden aan 3 doelstellingen: Doelstelling 1 Doelstelling l is erop gericht de ontwikkeling en de structurele aanpassing te bevorderen van de armste regio's in de EU. Hieronder wordt verstaan, regio's waarvan het inkomen per inwoner minder dan 75% bedraagt van het gemiddelde in de Europese Unie. Vlaanderen bezit geen doelstelling 1-gebied. Doelstelling 2 Doelstelling 2 heeft betrekking op zones die met structurele problemen in verband met economische en sociale omschakeling te kampen hebben: zones met sociaal-economische veranderingen in de industrie en dienstensector, plattelandszones in achteruitgang, in moeilijkheden verkerende stedelijke gebieden en van de visserij afhankelijke zones in een crisissituatie. In het kader hiervan kunnen acties worden ondersteund door het EFRO, het ESF, het FIOV en het EOGFL. Wat Vlaanderen betreft werden de volgende gebieden als doelstelling 2-regio erkend voor de periode 20002006: arrondissement Hasselt: Heusden-Zolder en delen van Beringen, Genk, Ham, Diepenbeek, Tessenderlo, Zutendaal en Sint-Truiden; arrondissement Maaseik: delen van Lommel, Houthalen-Helchteren en Dilsen-Stokkem; arrondissement Tongeren: Bilzen, Borgloon, Heers, Herstappe, Hoeselt, Kortessem, Tongeren, Voeren en delen van Maasmechelen; arrondissement Turnhout: Balen, Mol en Dessel; delen van de steden Antwerpen en Gent; arrondissement Brugge: delen van Blankenberge, Brugge en Knokke; arrondissement Oostende: delen van Bredene, Middelkerke, Oostende en De Haan; arrondissement Veurne: delen van Nieuwpoort, De Panne en Koksijde. Doelstelling 3 Doelstelling 3 beoogt met de bijstand van het ESF het bevorderen van de aanpassing en modernisering van het beleid en de systemen op het vlak van onderwijs, opleiding en werkgelegenheid. Deze doelstelling is van toepassing voor geheel Vlaanderen voor de periode 2000-2006. Overgangsregeling ('Phasing out') Daarnaast kunnen de regio's, welke tijdens de periode 1994-1999 voor steun in aanmerking kwamen in het kader van doelstelling 2 (industriële reconversie) en doelstelling 5b (plattelandsontwikkeling) doch niet

Subsidiewegwijzer 2003

133

langer worden erkend in het kader van de nieuwe doelstelling 2, in aanmerking komen voor een overgangsregeling (zogenaamde 'phasing out'). Zij komen in aanmerking voor overgangssteun uit het EFRO gedurende de periode 2000-2005. Daarnaast kan in deze zones tot eind 2006 eveneens steun worden verleend door het ESF (doelstelling 3), het EOGFL (steun aan plattelandsontwikkeling) en het FIOV. Dit betreft meer bepaald de resterende gemeenten in de (ex-)doelstelling 2-gebieden Limburg en Turnhout, de resterende gemeenten in het (ex-)doelstelling 5b-gebied Westhoek-Middenkust en het volledige (ex-) doelstelling 5b-gebied Meetjesland. Voor Limburg zijn dit: arrondissement Hasselt: As, Leopoldsburg, Lummen, Nieuwerkerken, Opglabbeek, Hasselt, Zonhoven, en delen van Beringen, Diepenbeek, Genk, Ham, Sint-Truiden en Tessenderlo; arrondissement Maaseik: Overpelt en delen van Dilsen-Stokkem, Houthalen-Helchteren en Lommel; arrondissement Tongeren: delen van Maasmechelen. Voor het arrondissement Turnhout betreft dit de gemeenten Laakdal, Geel, Meerhout, Grobbendonk, Herentals, Olen, Herenthout, Turnhout, Kasterlee en Westerlo. Voor het Meetjesland zijn dit 5 gemeenten in het arrondissement Eeklo, namelijk: Assenede, Eeklo, Kaprijke, Maldegem en Sint-Laureins. Voor het Westhoek-Middenkust-Zeevisserijgebied zijn dit de volgende gemeenten: arrondissement Diksmuide: Diksmuide, Houthulst, Lo-Reninge; arrondissement Ieper: Ieper, Langemark-Poelkapelle, Poperinge, Zonnebeke; arrondissement Veurne: Veurne en delen van Nieuwpoort; arrondissement Oostende: Gistel, Oudenburg en delen van Bredene, Middelkerke en Oostende.

1.1 EUROPEES FONDS VOOR REGIONALE ONTWIKKELING (EFRO) Inhoud steunmaatregel Het EFRO verleent subsidies voor de medefinanciering van ontwikkelingsacties in de erkende probleemgebieden. Dit gebeurt op basis van meerjarenprogramma's die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten (in casu: het Vlaamse Gewest) bij de Europese Commissie worden ingediend. Ze bestaan uit een samenhangend geheel van projecten, acties en maatregelen in diverse domeinen die elk een bijdrage leveren tot de economische ontwikkeling of omschakeling van het gebied waarvoor het programma is opgesteld. De Europese Commissie spreekt zich dus niet meer uit over individuele projecten. Wat Vlaanderen betreft, werden programma's opgesteld voor elk van de hierboven vermelde gebieden in het kader van doelstelling 2 en de overgangsregeling. In deze programma's worden prioriteiten en maatregelen voorzien. De individuele projecten die door de promotoren worden ingediend, moeten hieraan beantwoorden. Voor ieder programma beslist een comité op provinciaal niveau over de toekenning van EFRO-steun aan de individuele projecten. Deze toekenning gebeurt op basis van objectieve criteria die vooraf werden opgesteld. Begunstigden In principe komt iedere actie, uitgaand van de overheid of de private sector, die een bijdrage kan leveren tot de economische ontwikkeling of omschakeling van een gebied, in aanmerking voor EFRO-steun. Voorwaarde is wel dat zij past binnen het opgestelde programma en binnen het ter beschikking staande budget.

Subsidiewegwijzer 2003

134

1.1.1 COMMUNAUTAIRE INITIATIEVEN Naast de toekenning van de Europese steun via bovenvermelde prioritaire doelstellingen, stelt de Europese Commissie, op eigen initiatief, aan de lidstaten specifieke instrumenten voor om acties te ondersteunen die bijdragen tot het oplossen van de problemen met repercussies op Europees niveau. Deze instrumenten worden communautaire initiatieven genoemd. Voor de periode 2000-2006 gaat het binnen het EFRO om de volgende intiatieven: 1.1.1.1 INTERREG III Aansluitend op de ervaringen van INTERREG I 1991-1993 en INTERREG II 1994-1999 en in het kader van de hervorming van de Europese Structuurfondsen m.b.t. de periode 2000-2006, werd beslist tot de verdere uitvoering van het communautair initiatief Interreg III. Het Interreg III-programma (2000 – 2006) omvat 3 luiken: INTERREG III A

Dit programma richt zich op de bevordering van de grensoverschrijdende samenwerking en is bijgevolg een instrument dat de samenwerking bevordert rond een aantal sterke thema’s. Deze samenwerking moet uiteindelijk leiden tot een harmonieuze, sociaal-economische ontwikkeling van de grensregio’s, via de wederzijdse verrijking van de mogelijkheden van elke regio. Alle domeinen die beantwoorden aan gemeenschappelijke prioriteiten, waarvoor er een duidelijke complementariteit is tussen de grensregio’s en die bijdragen tot die evenwichtige ontwikkeling, worden dus aan de hand van het Interreg IIIprogramma bevordert. Via deze benadering streeft men ernaar de middelen op de grensbevolking en op de grensoverschrijdende gebieden te concentreren. Ze wil een betekenisvolle impact hebben op de integratie van deze gebieden en men streeft naar een grotere zichtbaarheid van de Europese eenwording bij de betrokken grensbevolkingen. De grensoverschrijdende ontwikkelingsstrategie die in het raam van Interreg IIIa wordt voorgesteld, beoogt 2 belangrijke doelstellingen. Deze doelstellingen zullen de 2 interventie-assen van het programma Interreg IIIa vormen. Elke maatregel van het programma omvat een aantal acties waarbinnen grensoverschrijdende projectvoorstellen dienen gehuisvest te worden: - de eerste doelstelling is bij te dragen tot de toenadering tussen de bevolkingen en de ontwikkelingen van grensoverschrijdende diensten te bevorderen. De bijhorende actieterreinen willen de grensbevolking aanspreken door in te spelen op hun dagelijks leven in de ruime zin van het woord: gezondheid, transport, diensten, opleiding, economie, ICT, technologische innovatie,…; - de tweede doelstelling is het bevorderen van de duurzame ontwikkeling en van de gemeenschappelijk valorisatie van de grensoverschrijdende gebieden. De maatregelen die hiermee gepaard gaan, hebben de bedoeling om op een gecoördineerde en betekenisvolle manier tussen te komen op een pertinente territoriale schaal, in de volgende domeinen: leefmilieu, toeristische of culturele ontwikkeling, plattelandsontwikkeling of ruimtelijke ordening. De programmaprioriteiten zijn gebaseerd op een analyse van de sterke en de zwakke punten van de respectievelijke Interreg IIIa-programmagebieden. Deze prioriteiten zijn: - ontwikkeling van de materiële infrastructuur (bevorderen van grensoverschrijdende bedrijventerreinen en mobiliteit,…); - stimuleren van de economische en wetenschappelijke/technische samenwerking (strategische netwerkvorming, innovatie, valorisatie van het toerisme als economisch hefboom,…); - bevorderen van het milieu (verbetering levenskwaliteit, belang landbouw, overstromingsproblematiek, afvalverwerking,…); - verbeteren van kwalificaties en de arbeidsmarkt (samenwerking van alle arbeidsmarktfactoren…); - bevorderen van de sociaal-culturele integratie (jongeren, gehandicapten, regionale culturele identiteit, gezondheidszorg, openbare diensten,…). In dit kader is Vlaanderen betrokken bij 4 grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden:

Subsidiewegwijzer 2003

135

Euregio Scheldemond

De grensoverschrijdende samenwerking in de Euregio Scheldemond is gericht op het benutten van de kansen die voortkomen uit de geografische ligging en de natuurlijke kenmerken van de Euregio. De aanpak is gericht op het op een integrale wijze stimuleren van de duurzame sociaal-economische ontwikkeling van de Euregio die als gevolg van de grensligging onderbenut zijn gebleven. De nadruk ligt daarbij op het leren van elkaar, het benutten van de schaalvoordelen, het creëren van gelijke kansen voor de verschillende bevolkingsgroepen, het versterken van de arbeidsmarkt en het oplossen van problemen. Het Euregio Scheldemond programma heeft betrekking op verschillende gebieden binnen: Vlaanderen Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen Nederland Zeeland

Het algemeen secretariaat van het Interreg IIIA-programma Euregio Sscheldemond is te bereiken op: Programmasecretariaat Euregio Scheldemond A. Van Trigt Gouvernementstraat 1 B-9000 Gent Tel.: 09/223.88.47 Fax: 09/233.63.21 Het contactpunt Vlaanderen Interreg IIIA Euregio Scheldemond: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Europa Economie Marc Defrenne Markiesstraat 1 1000 Brussel Tel.: 02/553.39.22 Fax: 02/502.47.02 E-mail: marc.defrenne@ewbl.vlaanderen.be • Benelux-Middengebied

Het belangrijkste aandachtspunt binnen de ontwikkelingsvisie is het stimuleren van grensoverschrijdende samenwerking en economische structuurwerking. De grensregio van het Benelux-Middengebied ondervindt nog steeds de nefaste gevolgen van de historisch gegroeide barrièrewerking en de hierdoor veroorzaakte perifere ligging in de betreffende landen. Deze Euregio streeft er dan ook naar om de door de grenzen veroorzaakte barrière te overwinnen en tussen de afzonderlijke nationale en regionale systemen bestaande verschillen op onder meer administratief gebied op te heffen. Ander aandachtspunt is de betere positionering van het Euregio gebied als samenhangend economisch gebied in het Europa van de regio’s. Het Benelux-Middengebied Interreg IIIa-programma heeft betrekking op verschillende gebieden binnen: Vlaanderen Provincie Antwerpen Provincie Limburg Arrondissement Leuven Nederland Provincie Noord-Brabant Provincie Limburg

Het algemeen secretariaat van het Interreg IIIA-programma Benelux-Middengebied is te bereiken op: Programmamanagement Grensregio Vlaanderen-Nederland Euregio Benelux – Middengebied A.G. Joosten Campus Blairon Steenweg op Gierle 100 B –2300 Turnhout Tel.: 014/711.140 Subsidiewegwijzer 2003 136

Fax: 014/711.149 E-mail: ijoosten@euregiobmg.com Het contactpunt Vlaanderen Interreg IIIA Benelux-Middengebied: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Europa Economie Marc Defrenne Markiesstraat 1 1000 Brussel Tel.: 02/553.39.22 Fax: 02/502.47.02 E-mail: marc.defrenne@ewbl.vlaanderen.be • Euregio Maas-Rijn

Het Euregio Maas-Rijn programma, ontstaan sinds 1976, betreft de grensoverschrijdende samenwerking tussen Nederland, Vlaanderen, Wallonië en Duitsland en omvat 3 lidstaten en 6 regio’s: Vlaanderen Provincie Limburg Wallonië Provincie Luik Duitstalige Gemeenschap Duitsland Nordrhein-Westfalen Rheinland-Pfalz Nederland Provincie Limburg

De deelnemende partners wensen voornamelijk de positie van dit grensoverschrijdend gebied in het economisch hart van Europa (gebied tussen de Randstad in Nederland, de ‘industriële driehoek’ BrusselAntwerpen-Gent in België, en het Rürhgebied in Duitsland) te versterken en de regionale ontwikkeling van de betrokken grensregio's te stimuleren. Het algemeen secretariaat van het Interreg IIIA-programma Euregio Maas-Rijn is te bereiken op: Stichting Euregio Maas-Rijn Postbus 5700 NL-6202 Maastricht Nederland Tel.: 00 31 43 38 97 476 Fax: 00 3143 38 97 287 E-mail: augustkohl@euregio-mr.nl Het contactpunt Vlaanderen Interreg IIIA Euregio Maas-Rijn: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Europa Economie Riet Schotte Markiesstraat 1 1000 Brussel Tel.: 02/553.39.22 Fax: 02/502.47.02 E-mail: riet.schotte@ewbl.vlaanderen.be • Frankrijk-Wallonië-Vlaanderen

Het Interreg IIIa-programma Frankrijk-Wallonië-Vlaanderen werd in 3 verschillende deelprogramma’s opgesplitst (met elk hun eigen financiële enveloppe en beslissingnemende stuurgroep): Vlaanderen Provincie West-Vlaanderen Provincie Oost-Vlaanderen Wallonië Provincie Henegouwen Provincie Namen Provincie Luxemburg Frankrijk Nord-Pas-de-Calais Picardie Aisne Champagne-Ardenne

Subsidiewegwijzer 2003

137

-

een Frans-Waals (bilateraal) deelprogramma dat de in aanmerking komende gebieden (zie supra) omvat in Frankrijk en in Wallonië; een Frans-Vlaams (bilateraal) deelprogramma dat de in aanmerking komende gebieden (zie supra) omvat in Frankrijk en in Vlaanderen; een Frans-Waals-Vlaams (tripartiet) deelprogramma dat alle gebieden (zie supra) omvat.

Het algemeen secretariaat van het Interreg IIIA-programma Frankrijk-Wallonië-Vlaanderen is te bereiken op: Secretariat Conjoint INTERREG III France-Wallonie-Vlaanderen asbl Place d’Armes 1 5000 Namen Tel.: 081/24.94.10 Fax: 081/24.94.19 Website: http://www.interreg-fwvl.org Het provinciaal steunpunt Interreg IIIa-secretariaat Frankrijk-Wallonië-Vlaanderen is gevestigd op het volgende adres: Programmasecretariaat Interreg IIIA Provinciebestuur West-Vlaanderen Provinciehuis Boeverbos Koning Leopold III-laan 41 8200 Sint-Andries (Brugge) Tel.: 050/40.34.14 050/40.34.36 050/40.33.71 E-mail: Christophe.Boval@west-vlaanderen.be Het contactpunt Vlaanderen Interreg IIIA Frankrijk-Wallonië-Vlaanderen: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Europa Economie Dominiek Dutoo/An Vanderherten Markiesstraat 1 1000 Brussel Tel.: 02/553.39.25 - 02/553.39.32 Fax: 02/502.47.02 E-mail: dominiek.dutoo@ewbl.vlaanderen.be an.vanderherten@ewbl.vlaanderen.be INTERREG III B-PROGRAMMA

Met ingang van de derde Interregronde is Vlaanderen opgenomen in twee Europese geografische ruimtes: het gebied Noordwest-Europa en het Noordzeegebied. Interreg III B-programma Noordwest Europa Geografisch wordt in dit programma de Noordwest Europa regio als volgt gedefinieerd: geheel Ierland, geheel Groot-Brittannië, geheel België en geheel het Groot Hertogdom Luxemburg. Nederland kan nagenoeg volledig participeren met uitzondering van het Noorden. Wat Duitsland betreft, kunnen de deelstaten Nordrhein-Westfalen, Rheinland-Pfalz, Saarland, Hessen, Baden-Württemberg en het noorden van Beieren actief participeren. Wat Frankrijk aangaat, nemen alle Franse regio's uit het noorden deel, inclusief de regio's Elzas, Bretagne en de Loire. Ook de Zwitserse kantons rond Zürich en Basel zijn opgenomen. Bij de prioriteiten van dit programma zal in deze regio bijzonder aandacht besteed worden aan volgende principes: - de ontwikkeling van aantrekkelijke steden en regio's;

Subsidiewegwijzer 2003

138

-

het optimaliseren van de interne en externe bereikbaarheid; de ontwikkeling en de uitbouw van het waterbeheer; het behoud en de actieve ontwikkeling van natuur en cultuur; de bevordering van de maritieme samenwerking.

Het secretariaat van het programma Noordwest-Europa is in Rijsel gevestigd : Interreg III B NWE secretariaat "Les Caryatides", 5de verdieping 24, Boulevard Carnot F-59 800 Lille Frankrijk Tel.: + 33 3 20 78 55 00 Fax: + 33 3 20 55 65 95 E-mail: nwe@nweurope.org Website: http://www.nweurope.org - Interreg III B-programma Noordzee Geografisch omvat Interreg III B-programma Noordzee Regio de volgende regio's: de kustprovincies en de noordelijke provincies in Nederland, de deelstaten Niedersachsen en Schleswig-Holstein en de stadstaten Bremen en Hamburg in Duitsland, gans Denemarken, de zuidelijke kustregio's in Zweden tot en met Västra Götalands Län, de zuidelijke provincies in Noorwegen, de oostelijke regio's en provincies in Schotland, de oostelijke en oostkustprovincies in Engeland met Essex en de monding van de Thames als sluitstuk; wat Vlaanderen aangaat, nemen enkel de provincies West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen en Antwerpen deel. Als prioriteiten in het Noordzee-programma worden de volgende aandachtspunten naar voor geschoven: - de bevordering van de stedelijke gebieden, de plattelandsgebieden en de maritieme regio's; - de bevordering van de duurzame transportsystemen en de informatie- en communicatietechnologie; - het behoud en het beheer van het cultureel en maritiem erfgoed en de natuurlijke rijkdommen; - de bevordering van het duurzaam en efficiënt waterbeheer. Het secretariaat van het Noordzee-programma is in Viborg gevestigd : Interreg III B North Sea Region Programme Secretariat Iernbanegade 22 D-8800 Viborg Denemarken Tel.: + 45 87 27 19 99 Fax: + 45 86 60 16 80 E-mail: crbbj@vibamt.dk Website: http://www.interregnorthsea.org - Interreg III C-programma – West-Zone Het Interreg III C-programma beoogt de interregionale samenwerking tussen de regionale en andere overheden te bevorderen als middel om hun eigen ontwikkeling te stimuleren op grond van de kennis- en ervaringsoverdracht van andere overheden. Op deze manier kunnen de lessen, die getrokken worden uit de werking van de structuurfondsen in bepaalde zones in Europa uitgebreid worden tot het ganse grondgebied van de Europese Unie en de kandidaat-lidstaten. Met het budget van dit programma kunnen drie soorten acties gefinancierd worden: - regionale kaderprojecten, waarbij diverse kleinere projecten kunnen gerealiseerd worden; - individuele projecten, waarbij de partners een welbepaald thema aanpakken; - netwerken die de uitwisseling van ervaringen en kennis beogen. De Commissie heeft - wat de organisatie en het beheer van dit programma betreft - het grondgebied van de EU opgedeeld in vier programmagebieden, waarbij Vlaanderen opgenomen is in de Westelijke zone. Geografisch sluit deze zone zeer nauw aan bij de definitie van het Interreg III B-programma – Noordwest Europa werkingsgebied. Deze regio wordt als volgt gedefinieerd: geheel België, geheel Nederland, geheel het Groot Hertogdom Luxemburg, geheel Ierland en geheel Groot-Brittannië met

Subsidiewegwijzer 2003

139

uitzondering van Gibraltar. Wat Duitsland betreft, kunnen de deelstaten Nordrhein-Westfalen, Hessen, Rheinland-Pfalz, Saarland en Baden-Württemberg actief participeren. Wat Frankrijk aangaat nemen de volgende regio's deel: Nord-Pas de Calais, Picardie, Haute-Normandie, Île de France, Basse-Normandie, Centre, ChampagneArdennes, Lorraine, Bourgogne, Alsace, Franche-Comté, Bretagne, Pays de la Loire. Het secretariaat van het programma West Zone is in Rijsel gevestigd: Interreg III C West Zone Joint Technical secretariaat 24, Boulevard Carnot, 3de verdieping F-59800 Lille Frankrijk Tel.: + 33 3 28 38 11 11 Fax: + 33 3 28 38 11 15 E-mail: west@interreg 3c.net Website: http://www.interreg 3c.net

Bijkomende inlichtingen Contactpunt Vlaanderen Interreg III B en III C: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Europa Economie Maria Schoomans Markiesstraat 1 1000 Brussel Tel.: 02/553 37 17 Fax: 02/502 47 02 E-mail: ria.schoomans@ewbl.vlaanderen.be

1.1.1.2 URBAN II Met het Urban II-programma stelt de Europese Commissie middelen ter beschikking voor een geïntegreerde aanpak van sterke concentraties van maatschappelijke, economische en ecologische problemen in de stedelijke agglomeraties. In deze aanpak wordt vernieuwing van verouderde infrastructuur en economische innovatie geflankeerd door maatregelen en acties die sociale uitsluiting bestrijden en de kwaliteit van het stadsmilieu verbeteren. Gericht op de economische en sociale ontwikkeling van in crisis verkerende buurten in grote steden werd door de Europese Commissie het Urban-initiatief in het leven geroepen. In Vlaanderen is de stad Antwerpen, en meer bepaald 'de Zuidrand', onder dit programma opgenomen. Het projectgebied 'Zuidrand' voor de stad Antwerpen is een perifeer stadsgedeelte langs de oevers van de Schelde en werd scherp afgebakend. Het omvat de woonwijken van het district Hoboken, het Kiel en de flankerende Scheldeboord die zich uitstrekt vanaf de Kennedytunnel tot aan de grens met Hemiksem. Via de verdere ontsluiting van de kern, de Schelde en de grotere regio Antwerpen wil men de Zuidrand laten uitgroeien tot een nieuw soort voorstad met een eigen karakter en een specifieke socioeconomische positie binnen de grootstad. De stad Antwerpen wil voor de Zuidrand 3 strategische doelstellingen bereiken: - de Zuidrand verbinden met de kernstad (met de nadruk op mobiliteit en groene complementariteit); - de Zuidrand 'inbreiden' (door ongebruikte oppervlaktes herin te vullen en een milieulabel te ontwikkelen); - de Zuidrand ontwikkelen van de economische hefboomfuncties op grootstedelijke niveau (poorten en bruggen als aangename verblijfplaatsen, nieuwe contactpunten voor economische activiteit,…). Deze worden vertaald aan de hand van een 3-tal strategische prioriteiten:

Subsidiewegwijzer 2003

140

-

stimuleren van duurzame economische bedrijvigheid (investeringen in economische heropleving via duurzame werkgelegenheid, versterken van de handelsfuncties,…); stimuleren van de ecologische activiteiten (herbestemmen van vervuilde terreinen, herstel van de ecologische verbindingsfunctie,…); ontwikkelen van de actieterreinen voor duurzame mobiliteitsontsluiting (bereikbaarheid projectgebied via multimodale vervoersknooppunten en nieuwe vervoersdragers,…).

Elke strategische doelstelling zal slechts kunnen bereikt worden via een intrinsieke verknoping van de prioriteiten en de doelstellingen. Bijgevolg moeten economie, milieu en mobiliteit in een optimale samenhang bijdragen tot een duurzame ontwikkeling. Daarnaast krijgen de economische, milieu- en mobiliteitsmaatregelen een sterke ruimtelijke vertaling in functie van de stedenbouwkundige meerwaarde.

1.1.1.3 INTERACT Interact is een communautair initiatief dat de bestaande regionale knowhow en expertise, aanwezig bij de verschillende lidstaten, wil kanaliseren en ten dienste stellen van alle Interregprogramma's en actoren. Dit is een steunprogramma dat initiatieven zal realiseren ten voordele van de Interregprogramma's en gemeenschappelijke problemen zal behandelen. Een afzonderlijk budget werd hiervoor voorzien. Met dit budget kunnen drie soorten acties gefinancierd worden: - steun aan het management van de Interregprogramma's en andere actoren zoals projectontwikkelaars, evaluatoren, betalingsinstanties, (bijvoorbeeld een Interreg help-desk), enzovoort; - ontwikkeling, promotie en uitwisseling van ervaringen met betrekking tot gemeenschappelijke instrumenten ten dienste van de Interregprogramma's; - promotie van de betrokkenheid van derde landen. Ondertussen werden reeds een aantal acties doorgevoerd (pre-interact), onder andere de organisatie van een seminarie voor de vier zones van Interreg III C. De voornaamste bestuursorganen van Interact zijn: - het Comité van Toezicht dat de activiteiten zal controleren en als stuurgroep zal fungeren bij de selectie van projecten; - het Management Authority dat verantwoordelijk is voor de coherentie en de coördinatie van het programma en het opstellen van de werkplannen; - het secretariaat; - het Interact Point dat verantwoordelijk is voor de implementatie van de specifieke projecten. Op het huidig moment wordt de definitieve versie van het Interactprogramma opgesteld. Aanvraagprocedure Projectdossiers kunnen worden ingediend bij de betrokken EFRO-secretariaten aan de hand van standaardaanvraagformulieren.

Bijkomende inlichtingen Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Europa Economie Markiesstraat 1 1000 Brussel Tel.: 02/553.38.57 Fax: 02/502.47.02

Subsidiewegwijzer 2003

141

1.2 EUROPEES SOCIAAL FONDS (ESF) Inhoud steunmaatregel Het ESF wil bijdragen aan de optimale benutting van het menselijk potentieel. Het betreft hier Europese subsidies, die willen verhinderen dat een belangrijk deel van het menselijk potentieel binnen de EU verloren zou gaan voor de arbeidsmarkt. De arbeidskrachten vormen immers de belangrijkste 'grondstof' van het oude continent. De slagzin van het ESF is derhalve: 'Meer en betere jobs voor meer mensen'. Europa ziet het ESF als het voornaamste instrument voor de Europese Werkgelegenheidsstrategie. Het Fonds is gestructureerd volgens de vier 'pijlers' van deze Europese Werkgelegenheidsstrategie, te weten: inzetbaarheid van werkzoekenden; ondernemerschap; aanpasbaarheid van werknemers; gelijke kansen voor mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt. Europa spreekt zich niet meer uit over individuele projecten. Dit wordt overgelaten aan de lidstaten, in ons geval de Vlaamse Gemeenschap. Vlaanderen heeft een aantal programma's uitgewerkt waarbinnen de individuele projecten geplaatst worden. Deze programma's, Enkelvoudige ProgrammeringsDocumenten in het jargon (EPD's), vormen de basis voor de strategie waarmee Vlaanderen de doelstellingen van het ESF wil realiseren. De lidstaat legt deze programma's ter goedkeuring voor aan de EU. Op deze wijze werken Vlaanderen en Europa samen aan de optimale benutting van het menselijk potentieel. De individuele projecten die door de promotoren worden ingediend, dienen te beantwoorden aan de prioriteiten die in de programma's zijn opgenomen. Voor elk programma is er een Vlaams Monitoring Comité (VMC) actief, dat objectieve criteria voor projecten vastlegt. Sommige criteria zijn algemeen, andere gelden specifiek voor bepaalde maatregelen. Begunstigden Diverse categorieën van promotoren kunnen projecten indienen: vzw's; institutionele en/of publiekrechtelijke instanties; bedrijven die hun personeel willen opleiden; onderzoeksinstellingen. Projecten Doelstelling 2 In Vlaanderen zijn er vier doelstelling 2-programma's: Limburg, Antwerpen, Kust en Oost-Vlaanderen. Het grootste gedeelte van de Europese steun in deze programma’s komt uit het EFRO. Het ESF participeert in alle doelstelling 2-programma’s behalve in dat van Oost-Vlaanderen. De vier doelstelling 2-programma's lopen van 2000 tot en met 2006. Alle programma's hebben eveneens een phasing-out-luik (2000-2005) voor de gebieden die in de periode 1994-1999 steun genoten uit doelstelling 2- of 5B-programma's, maar nu niet langer in het doelstelling 2-gebied (2000-2006) zijn opgenomen. De phasing-out-luiken voorzien nooit in ESF-steun. De doelstelling 2-programma's zijn regiogebonden. Als algemene regel geldt dat de deelnemers aan de opleidingsprojecten moeten wonen en/of werken in het gebied. De criteria voor de ESF-maatregelen binnen de programma's zijn voor het overgrote deel voor alle doelstelling 2-programma's dezelfde. De enkele kleine verschillen werden veroorzaakt omdat er rekening diende te worden gehouden met de specificiteit van de regio's.

Subsidiewegwijzer 2003

142

Doelstelling 2 Limburg De regio die voor steun in aanmerking komt omvat (delen van) enkele gemeenten in Midden-Limburg (industriële zone) en Zuid-Limburg (plattelandszone). Naast de technische bijstand, is er één ESF-maatregel in het programma. Het maximale steunpercentage in die maatregel bedraagt 45% ten opzichte van de totale subsidiabele kost. Voor de volledige periode (2000-2006) wordt er 26.332.500 euro aan ESF-steun voorzien. Doelstelling 2 Antwerpen De regio die voor steun in aanmerking komt omvat de gemeenten Mol, Balen en Dessel in de Kempen, en een gebied in het noordoosten van de stad Antwerpen. Naast de technische bijstand zijn er twee ESF-maatregelen in het programma. Een ervan slaat op de Kempen en heeft een maximaal steunpercentage van 50% ten opzichte van de totale subsidiabele kost. De andere slaat op Antwerpen Noordoost en heeft een maximaal steunpercentage van 33,3% ten opzichte van de totale subsidiabele kost. Voor de volledige periode (2000-2006) wordt er 15.005.481 euro aan ESF-steun voorzien voor het volledige programma. Doelstelling 2 Kust De regio die voor steun in aanmerking komt omvat (delen van) de kustgemeenten in West-Vlaanderen. Naast de technische bijstand is er één ESF-maatregel in het programma. Het maximale steunpercentage in die maatregel bedraagt 50% ten opzichte van de totale subsidiabele kost. Voor de volledige periode (2000-2006) wordt er 5.046.899 euro aan ESF-steun voorzien. Doelstelling 3 Het Vlaamse EPD doelstelling 3 voor de periode 2000-2006 werd door Europa goedgekeurd in december 2000. Het EPD is gestructureerd volgens een aantal zwaartepunten, die de afspiegeling vormen van de vier pijlers van de Europese Werkgelegenheidsstrategie. Per zwaartepunt is er een regisseur aangeduid. Voor elk zwaartepunt wordt er gewerkt met vaste indieningrondes. De criteria zijn verschillend voor elk zwaartepunt. Het EPD doelstelling 3 is actief in heel Vlaanderen. Zwaartepunt 1 Zwaartepunt 1 wil de inzetbaarheid verhogen van werkzoekenden uit de preventieve doelgroep, dit wil zeggen: personen jonger dan 25 jaar, die minder dan 6 maanden werkloos zijn; personen van 25 jaar en ouder, die minder dan 12 maanden werkloos zijn. Zwaartepunt 2 Zwaartepunt 2 wil de inzetbaarheid verhogen van werkzoekenden uit de curatieve doelgroep, dit wil zeggen: al de werklozen die niet onder zwaartepunt 1 thuishoren. Zwaartepunt 3 Zwaartepunt 3 wil het ondernemerschap bevorderen. Men wil namelijk mensen aanzetten tot het opzetten van een eigen zaak. Zwaartepunt 4 Zwaartepunt 4 wil een bijdrage leveren aan de aanpassing van werknemers aan de snel veranderende omstandigheden op de arbeidsmarkt. Zwaartepunt 4 is gekoppeld aan het Hefboomkrediet. Zwaartepunt 5 Zwaartepunt 5 subsidieert projecten die het betreden van de arbeidsmarkt voor vrouwen vergemakkelijken. Dit zwaartepunt is gekoppeld aan middelen van VESOC.

Subsidiewegwijzer 2003

143

Zwaartepunt 6 In het kader van zwaartepunt 6 kunnen onderzoeksprojecten ingediend worden, alsmede pilootprojecten en experimenten. Dit alles dient natuurlijk verband te houden met de problematiek van het EPD doelstelling 3. EQUAL Dankzij de samenwerking van partners uit meer dan één lidstaat van de EU wil Equal komen tot de ontwikkeling van nieuwe ideeën en methodieken om discriminatie en uitsluiting op de arbeidsmarkt tegen te gaan. De werking van Equal is gebaseerd op een aantal essentiële 'bouwstenen'. Thema’s: de thema's waarrond Equal werkt, hangen samen met de vier pijlers van de Europese Werkgelegenheidsstrategie (namelijk inzetbaarheid, ondernemerschap, aanpasbaarheid en gelijke kansen), alsook de problematiek van de asielzoekers. Ontwikkelingspartnerschap: Equal-projecten moeten toetreden tot een ontwikkelingspartnerschap. Hierin zijn de sleutelactoren in verband met een bepaald thema verenigd. Het kan gaan om sleutelactoren uit een regio of een sector. Transnationale samenwerking: een ontwikkelingspartnerschap zal ten minste één partner uit een andere lidstaat moeten hebben. Aldus wordt er knowhow over de grenzen heen opgebouwd. Innovatie: Equal richt zich tot projecten die een vernieuwing inhouden. Disseminatie: het is de bedoeling dat de ontwikkelde knowhow op grotere schaal verspreid wordt. Diversen Cofinanciering Het ESF is nooit de enige financieringsbron van projecten. Elk project dient mede gefinancierd te worden door andere instanties, de zogenaamde 'cofinanciering'. Deze cofinanciering kan zowel publiekrechtelijk als privaatrechtelijk zijn. Twee financieringsinstrumenten zijn specifiek in het leven geroepen om te functioneren als Vlaamse cofinanciering voor ESF-projecten, namelijk het Hefboomkrediet en VESOC. Hefboom levert vooral cofinanciering voor projecten onder doelstelling 3, zwaartepunt 4, VESOC doet dit voor projecten onder doelstelling 3, zwaartepunt 5. Aanvraagprocedure Het ESF werkt met indieningrondes. Deze variëren per doelstelling en zelfs per zwaartepunt. Het principe is echter steeds hetzelfde. Een promotor dient een aanvraagformulier in, waarna er een beslissing genomen wordt. Indien een project goedgekeurd wordt, kan het opstarten. Naderhand zal de promotor, op basis van de vereiste bewijsstukken, de financiële middelen ontvangen.

Bijkomende inlichtingen Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Europa Werkgelegenheid Markiesstraat 1 1000 Brussel Tel.: 02/546.22.11 Fax: 02/546.22.40 E-mail: werkgelegenheid.europa@ewbl.vlaanderen.be E-mail: info@esf-agentschap.be Website: http://www.vlaanderen.be/werkgelegenheid Website: http://www.esf-agentschap.be

Subsidiewegwijzer 2003

144

1.3 EUROPEES ORIENTATIE- EN GARANTIEFONDS VOOR DE LANDBOUW (EOGFL) AFDELING GARANTIE EN ORIENTATIE Inhoud steunmaatregel Het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw is het instrument voor de financiering van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB). Het bestaat uit twee afdelingen: - de afdeling 'Garantie', zal instaan voor de financiering van alle soorten maatregelen ter ondersteuning van structurele aanpassingen en plattelandsontwikkeling; - de afdeling 'Oriëntatie', voor de bevordering van de ontwikkeling en de structurele aanpassing van de regio's met een ontwikkelingsachterstand (doelstelling 1-gebieden, komt niet voor in Vlaanderen). Algemeen kan worden gesteld dat de tussenkomsten van het EOGFL, afdeling Garantie, gericht zijn op de aanpassing van de productie-, de verwerkings- en de verkoopsstructuur in de landbouwsector met het oog op de hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en op de ontwikkeling van het platteland. Begunstigden De begunstigden van de EOGFL-steun zijn naast de verschillende particuliere bedrijven (landbouwbedrijven en afzet- en verwerkingsbedrijven) die een structurele actie ondernemen in de landbouwsector, semi-overheidsorganen, nationale of regionale vertegenwoordigingsorganisaties, opleidingsinstellingen, vrijwilligersorganisaties of organisaties van ondernemingsbelangen. Projecten steun aan de investeringen in de landbouw; steun aan de installatie in de landbouw; steun voor opleiding in de landbouw; steun aan landbouwbedrijven in probleemgebieden en in gebieden met specifieke beperkingen op milieugebied: bemestingsbeperkingen in kwetsbare zones; steun aan milieumaatregelen in de landbouw; steunverlening voor de verbetering van de verwerking en afzet van land- en tuinbouwproducten; steun voor bosbouw; steun voor een geïntegreerde plattelandsontwikkeling; steun voor reconversie van de varkenshouderij; bevordering van de aanpassing en de ontwikkeling van het platteland door steun voor de afzet van kwaliteitslandbouwproducten; stimulering biologische landbouw.

Aanvraagprocedure De lidstaat diende een programmeringsdocument 'het Vlaams programma voor plattelandsontwikkeling, periode 2000-2006' in waarin, op basis van de materie, een diagnostische analyse werd voorgesteld op nationaal of regionaal niveau, rekening houdend met de beoogde doelstellingen en de strategie van de lidstaat op dit gebied. Voor Vlaanderen betreft het gebied het hele Vlaamse Gewest voor tal van materies of voor sommige milieumaatregelen welbepaalde afgebakende gebieden. Het definitieve plan werd door de Vlaamse regering goedgekeurd op 08/09/2000. Op basis van dit plan werd een communautair bestek opgesteld in samenwerking met de betrokken lidstaat en de regio’s. Het communautaire bestek geeft een uiteenzetting van de voorziene prioriteiten, de financiering en de begeleidingsvormen. Aansluitend werden individuele aanvragen ingediend binnen de regelgevingen en procedures per ingezet instrument voor de verschillende materies en projectkaders.

Subsidiewegwijzer 2003

145

Bijkomende inlichtingen Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Administratie Land- en Tuinbouw Directoraat-Generaal Leuvenseplein 4 1000 Brussel Tel.: 02/553.63.67 Fax: 02/553.63.50 E-mail: sophie.dewispelaere@ewbl.vlaanderen.be

1.4 FINANCIERINGSINSTRUMENT VOOR DE ORIENTATIE VAN DE VISSERIJ (FIOV) Inhoud steunmaatregel Vanaf 1994 gebeurt de steunverlening voor projecten voor verwerking en afzet van aquicultuurvisserijproducten door een specifiek financieringsinstrument voor de visserij: FIOV. Ingevolge EUverordening nr. 2792/99 kan het FIOV tussenkomen op volgende actiegebieden: - vernieuwing van de vloot en modernisering van de vissersvaartuigen; - aanpassen van de visserij-inspanning; - gemengde vennootschappen; - kleinschalige kustvisserij; - sociaal-economische maatregelen; - bescherming van de levende rijkdommen van de zee in de marine zones langs de kusten; - aquacultuur; - uitrusting van vissershavens; - verwerking en afzet van visserij- en aquacultuurproducten; - verkoopbevordering en het zoeken naar nieuwe afzetmogelijkheden; - door het bedrijfsleven uitgevoerde acties; - tijdelijke stillegging van activiteiten en financiële compensaties voor andere maatregelen; - innoverende acties en technische bijstand. Begunstigden De begunstigden van de FIOV-steun zijn, afhankelijk van de maatregel, de verschillende overheden of overheidsinstellingen, particuliere bedrijven of zelf vzw's die een structurele actie ondernemen in de visserij- en aquicultuursector. Projecten De programmering 'Visserij buiten doelstelling 1' werd in december 2000 door de Europese Unie goedgekeurd en heeft betrekking op alle geledingen van de sector, met name: - nieuwbouw en modernisering van de vissersvloot, aquicultuur; - uitrusting van de vissershavens, verwerking van de afzet van visserij- en aquicultuurproducten, promotie van visserijproducten; - andere maatregelen van collectief belang. Voor de investeringen van particuliere bedrijven voorziet de Europese Unie een maximum FIOV-steun van 15%. Aanvraagprocedure

Subsidiewegwijzer 2003

146

De indieningsmodaliteiten voor de projecten worden via het Belgisch Staatsblad en de pers bekendgemaakt. Aanvragen kunnen immers slechts tijdens bepaalde periodes ingediend worden. Zolang het budget echter niet is opgebruikt, zijn er elk jaar periodes waarin het indienen van projecten mogelijk is. Bijkomende inlichtingen Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Land- en Tuinbouwondersteuningsbeleid Leuvenseplein 4 (3de verdieping) 1000 Brussel Tel.: 02/553.63.10 Fax: 02/553.63.05

2.

EUROPESE INVESTERINGSBANK (EIB)

2.1 INDIVIDUELE KREDIETEN Inhoud steunmaatregel De Europese Investeringsbank (EIB), de financieringsinstelling van de Europese Unie, is opgericht met als doel bij te dragen tot de evenwichtige ontwikkeling van de Europese Unie door het toekennen van leningen ter financiering van investeringsprojecten. De steunverlening van de EIB is in de eerste plaats bedoeld voor de ontwikkeling van de minst begunstigde regio’s. Andere doelstellingen zijn de versterking van het concurrentievermogen van het bedrijfsleven, steun aan het midden- en kleinbedrijf (KMO's), de opzet van transeuropese netwerken voor vervoer, telecommunicatie en energie, milieubescherming en verbetering van het leefklimaat, veiligstelling van de energievoorziening, uitbreiding en modernisering van de infrastructuur in het onderwijs en de gezondheidszorg, het ter beschikking stellen van risicokapitaalfaciliteiten ten behoeve van investeringen van vernieuwende en snelgroeiende KMO's. De EIB is een financiële instelling zonder winstoogmerk. Zij trekt haar middelen op de kapitaalmarkten aan en leent deze vervolgens weer uit tegen zo gunstig mogelijke voorwaarden. Zij kan investeringsprojecten financieren van zowel de overheid als van de opdrachtgevers in de particuliere sector, in alle sectoren van de economie. De EIB streeft er in de eerste plaats naar om als katalysator andere financieringsbronnen te stimuleren of deze aan te vullen. Zelf financiert zij in de regel niet meer dan de helft van de investeringskosten van een project en vult met haar lange termijnleningen (kortere) leningen van andere, commerciële banken aan. Grotere projecten ter waarde van minimum 25 miljoen euro worden gefinancierd door middel van individuele kredieten die rechtstreeks aan de betrokkenen worden toegekend. Zo werden bijvoorbeeld reeds kredieten toegekend voor waterprojecten van Aquafin, de versterking van het transitnetwerk van Distrigas, de hogesnelheidslijn van de NMBS en de vernieuwing van het productieapparaat van Glaverbel. Afzonderlijke kredieten komen in onderhandelingen tussen de EIB, de projectopdrachtgever en in voorkomend geval zijn bank(en) tot stand. De kenmerken van de kredieten zijn aangepast aan de aard van het project, de uitvoeringsfase en de economische levensduur. De gebruikelijke looptijd van de kredieten varieert van 4 tot 20 jaar, afhankelijk van de aard en de technische levensduur van het project. Begunstigden

Subsidiewegwijzer 2003

147

De kredieten kunnen worden toegekend aan overheidsinstellingen of particuliere geldnemers in alle sectoren van de economie, met andere woorden private, openbare of semi-openbare ondernemingen, coöperatieven, openbare instellingen of de lidstaat zelf komen in aanmerking (ongeacht statuut of nationaliteit). Projecten Investeringen van meer dan 25 miljoen euro op het gebied van transportinfrastructuur (zoals wegen, spoorwegen, havens en vliegvelden), telecommunicatie, industrie (bedrijfsgebouwen en -terreinen, productie, verwerking, verpakking, ...), zakelijke dienstverlening, toerisme, energie, milieu, bosbouw, onderwijs en gezondheidszorg kunnen in aanmerking komen voor een EIB-krediet. Deze kunnen niet worden gebruikt voor de aankoop van een onderneming of voor niet-zakelijk onroerend goed. Diversen De EIB besluit tot financiering van een project op basis van een onderzoek naar de intrinsieke eigenschappen ervan. Het projectonderzoek vindt in nauwe samenwerking met de projectopdrachtgever plaats en heeft betrekking op: - de beantwoording van het project aan de doelstelling voor kredietverlening van de EIB; - zijn economische relevantie, financiële gezondheid, technische uitvoerbaarheid en de invloed op het milieu; - de financiële situatie van de projectopdrachtgever, het financieringsplan en de geboden zekerheden. De Europese Investeringsbank financiert maximaal 50% van de totale investeringskosten; de rest moet uit het eigen vermogen of van andere (externe) financieringsbronnen komen. De rente kan naar keuze vast, variabel, herzienbaar of convertibel (van variabel naar vast) zijn. De kredieten worden a pari uitgekeerd. De EIB berekent geen provisies, met uitzondering van een geringe marge ter dekking van haar administratiekosten. De EIB biedt leningen aan in één enkele valuta of in een combinatie van valuta naar gelang van de wensen van de kredietnemer en de bij de Bank beschikbare middelen. De aflossingen van hoofdsom en rente worden meestal in gelijke halfjaarlijkse of jaarlijkse termijnen betaald. De leningen worden terugbetaald in de valuta waarin ze werden verstrekt. Afhankelijk van de aard van de investering kan een aflossingsvrije periode worden overeengekomen die tot een derde van de looptijd van het project kan oplopen. De EIB oefent periodiek toezicht uit op de uitvoering van de werkzaamheden en eventueel de aanbestedingen. Na voltooiing van het project wordt een evaluatieverslag opgesteld, dat voor intern gebruik bij de EIB is bestemd. Aanvraagprocedure Verzoeken om afzonderlijke leningen, kunnen zonder formaliteiten rechtstreeks aan de EIB worden gedaan.

Bijkomende inlichtingen Europese Investeringsbank Afdeling Benelux Henk Delsing 100, Boulevard Konrad Adenauer L.- 2950 Luxemburg Tel.: 00 352 4379 64 36 Fax: 00 352 4379 64 96 Voor algemene informatie over de EIB:

Subsidiewegwijzer 2003

148

Europese Investeringsbank Afdeling Voorlichting en Communicatie Pé Verhoeven Tel.: 00 352 4379 3118 E-mail: p.verhoeven@eib.org Sabine Parisse Tel.: 00 352 4379 31 38 E-mail: s.parisse@eib.org Fax: 00 352 4379 31 89 E-mail: info@eib.org Website: http://www.eib.eu.int

2.2 GLOBALE KREDIETEN Inhoud steunmaatregel De Europese Investeringsbank (EIB), de financieringsinstelling van de Europese Unie, is opgericht met als doel bij te dragen tot de evenwichtige ontwikkeling van de Europese Unie door het toekennen van leningen ter financiering van investeringsprojecten. De steunverlening van de EIB is in de eerste plaats bedoeld voor de ontwikkeling van de minst begunstigde regio’s. Andere doelstellingen zijn de versterking van het concurrentievermogen van het bedrijfsleven, steun aan het midden- en kleinbedrijf (KMO's), de opzet van transeuropese netwerken voor vervoer, telecommunicatie en energie, milieubescherming en verbetering van het leefklimaat, veiligstelling van de energievoorziening, uitbreiding en modernisering van de infrastructuur in het onderwijs en de gezondheidszorg, het ter beschikking stellen van risicokapitaalfaciliteiten ten behoeve van investeringen van vernieuwende en snelgroeiende KMO's. De EIB is een financiële instelling zonder winstoogmerk. Zij trekt haar middelen op de kapitaalmarkten aan en leent deze vervolgens weer uit tegen zo gunstig mogelijke voorwaarden. Zij kan investeringsprojecten financieren van zowel de overheid als van de opdrachtgevers in de particuliere sector, in alle sectoren van de economie. De EIB streeft er in de eerste plaats naar om als katalysator andere financieringsbronnen te stimuleren of deze aan te vullen. Zelf financiert zij in de regel niet meer dan de helft van de investeringskosten van een project en vult met haar lange termijnleningen (kortere) leningen van andere, commerciële banken aan. Kleine en middelgrote investeringsprojecten van minder dan 25 miljoen euro in de openbare of de particuliere sector, die niet door middel van een individueel krediet kunnen worden gefinancierd, kunnen in aanmerking komen voor een lening die uit de globale kredieten wordt verstrekt. Globale kredieten zijn kredietlijnen die de Europese Investeringsbank aan lokale banken en andere financieringsinstellingen toekent. Deze lenen de van de EIB afkomstige middelen weer uit in de vorm van kleinere leningen voor de financiering van investeringen die op basis van de criteria van de EIB zijn geselecteerd. De lening bedraagt minimaal 20.000 euro en maximaal 12,5 miljoen euro - voor investeringsprojecten variërend van 40.000 euro tot 25 miljoen euro - en bedekt niet meer dan 50% van de totale investeringskosten. Begunstigden De kredieten kunnen worden toegekend aan KMO's of lagere overheden. De definitie van een KMO is als volgt: zij telt niet meer dan 500 werknemers (er kunnen uitzonderingen gemaakt worden voor arbeidsintensieve bedrijven), de balanswaarde van de netto vaste activa bedraagt minder dan 75 miljoen euro (dat wil zeggen dat bruto vaste activa minus de geaccumuleerde

Subsidiewegwijzer 2003

149

afschrijvingen), niet meer dan een derde van het kapitaal is in bezit van een andere, grotere onderneming die niet voldoet aan de twee voorgaande criteria. Projecten Investeringen van minder dan 25 miljoen euro van KMO's in de industrie, dienstverlening, het toerisme, de horeca en de handel in België kunnen in aanmerking komen. Niet-zakelijk onroerend goed valt buiten de financieringsmogelijkheden. Wat betreft investeringen in de overheidssector gaat het om projecten op het gebied van stadsvernieuwing, inclusief stedelijke infrastructuur, milieubescherming, onderwijs en gezondheidszorg. Diversen De leningen uit de globale kredieten worden toegekend door de bemiddelende instantie, tegen de voorwaarden die door haar zijn vastgesteld aan de hand van de criteria van de EIB. Deze instantie is ook verantwoordelijk voor het onderzoeken van de kredietaanvragen, de beoordeling van het risico en het beheer van de kredieten. Banken en andere financiële instellingen die de globale kredieten in België uitvoeren zijn de volgende: - voor projecten van kleine en middelgrote ondernemingen: Bank Brussel Lambert nv, CBC Bank, Fortis Bank en KBC Bank; - voor projecten van lokale overheden: Gemeentekrediet van België - Dexia in het onderwijs en de gezondheidssector en KBC Bank voor infrastructuur en/of milieu, onderwijs en de gezondsheidssector. De EIB oefent periodiek toezicht uit op de krediettoewijzingen van de bemiddelende instanties, omdat zij er verzekerd van dient te zijn dat de toegekende fondsen worden gebruikt overeenkomstig de goedgekeurde doelstellingen van het gemeenschappelijk akkoord. Aanvraagprocedure Aanvragen voor leningen in het kader van de globale kredieten dienen rechtstreeks bij de bovengenoemde banken en de andere financiële instanties te worden ingediend.

Bijkomende inlichtingen Europese Investeringsbank Afdeling Voorlichting en Communicatie Pé Verhoeven Tel.: 00 352 4379 3118 E-mail: p.verhoeven@eib.org Sabine Parisse Tel.: 00 352 4379 31 38 E-mail: s.parisse@eib.org Fax: 00 352 4379 31 89 E-mail: info@eib.org Website: http://www.eib.eu.int

3.

EUROPEES INVESTERINGSFONDS (EIF)

Het Europees Investeringsfonds (EIF) houdt zich bezig met activiteiten op tweeërlei gebied, namelijk risicokapitaal en garanties: - de risicokapitaalinstrumenten van het EIF bestaan uit deelnemingen in participatiemaatschappijen en starterscentra ter ondersteuning van het MKB, in het bijzonder die, welke zich in een vroeg stadium van ontwikkeling bevinden en op technologie gericht zijn;

Subsidiewegwijzer 2003

150

-

de garantiefaciliteiten van het EIF bestaan uit het bieden van garanties aan financiële instellingen die kredieten verstrekken aan het MKB.

Door het hefboomeffect van haar risicokapitaal en garantiefaciliteiten is het EIF in staat bij te dragen aan de ontwikkeling van het MKB in de lidstaten van de Europese Unie en de toetredingslanden. Deze bijdrage is in overeenstemming met de conclusies van de ECOFIN-Raad van 7 november 2000, die de nieuwe rol van het EIF benadrukt als de EU’s gespecialiseerde inzake financiële instelling ten behoeve van het MKB. Beide instrumenten, die door het EIF worden gebruikt ten behoeve van het MKB, vormen een aanvulling op de globale kredieten die door de Europese Investeringsbank worden verstrekt aan bemiddelende financiële instellingen ter ondersteuning van kredietverlening aan het MKB. De instrumenten van het EIF worden ingezet onder hun commerciële voorwaarden. De aandacht wordt erop gevestigd dat het EIF niet direct in het MKB investeert, maar in plaats daarvan altijd werkt via bemiddelende financiële instellingen. Aan deze instellingen worden de te verrichten activiteiten volledig gedelegeerd: het EIF is niet betrokken bij individuele investerings- en kredietbeslissingen. Bedrijven uit het MKB die op zoek zijn naar financiering moeten contact opnemen met een bemiddelende financiële instelling voor het EIF in hun land of regio voor informatie over de selectiecriteria en de aanmeldingsprocedures. In het kader van Beschikking 2000/819/EG van de Raad van 20 december 2000 betreffende een meerjarenprogramma voor ondernemingen en ondernemerschap, met name voor het midden- en kleinbedrijf (MKB) (2001-2005) beheert het Europees Investeringsfonds (EIF) namens de Europese Commissie de financiële instrumenten van dit programma. Op 18 december 2001 ondertekende de Europese Commissie de trust- en beheersovereenkomst met het EIF voor de tenuitvoerlegging van de volgende drie faciliteiten: de ETF-startersregeling, de MKB-garantiefaciliteit en de Startkapitaalactie. 3.1 DE ETF-STARTERSREGELING Inhoud steunmaatregel De ETF-startersregeling maakt het mogelijk MKB-ondernemingen op te richten en in de startfase te financieren met deelnemingen – op gelijke voet met particuliere risicokapitaalbeleggers – in gespecialiseerde risicokapitaalfondsen, met name zaaikapitaalfondsen, fondsen van beperkte omvang, regionaal werkzame fondsen of fondsen die zich op specifieke bedrijfstakken of technologieën concentreren, of risicokapitaalfondsen die de exploitatie van O & O-resultaten financieren, bijvoorbeeld fondsen die aan onderzoekcentra en wetenschapsparken zijn verbonden, die op hun beurt risicokapitaal voor het MKB verschaffen. De ETF-startersregeling participeert ook in het kapitaal van starterscentra, op gelijke voet met particuliere beleggers. In dit opzicht moeten starterscentra op dezelfde manier als risicokapitaalfondsen worden behandeld. Begunstigden Financiële intermediairs voor het MKB (zoals banken, instellingen die garantiestelstels beheren, zaai- en risicokapitaalfondsen en starterscentra). Dit programma staat open voor de lidstaten van de EU, Noorwegen, IJsland en Liechtenstein. Projecten De bedoeling is: - te investeren in gespecialiseerde risicokapitaalfondsen, met name in kleinere of in recent opgerichte fondsen, regionale fondsen, fondsen die zich op specifieke bedrijfstakken of technologieën

Subsidiewegwijzer 2003

151

-

concentreren en fondsen die de exploitatie van O & O-resultaten financieren, bijvoorbeeld fondsen die met onderzoekcentra en wetenschappelijke instellingen zijn verbonden; de oprichting en ontwikkeling van starterscentra te ondersteunen.

Diversen De communautaire bijdrage bedraagt maximaal 25% van de middelen die door het risicokapitaalfonds of het starterscentrum zijn samengebracht. Risicokapitaalfondsen moeten voldoen aan de criteria die zijn vermeld in de ETF Start-up guidelines die op de internetsite van het EIF zijn gepubliceerd: http://www.eif.org/publications/documents/etf_guidelines.pdf Bekendmaking betreffende de tenuitvoerlegging: (http://www.eif.org/publications/pub_07.htm) van de ETF-startersregeling, de MKB-garantiefaciliteit en de startkapitaalactie in het kader van het meerjarenprogramma voor ondernemingen en ondernemerschap, met name voor het midden- en kleinbedrijf (MKB) (2001-2005); Aanvraagprocedure De kleine en middelgrote ondernemingen moeten zich rechtstreeks wenden tot de risicokapitaalfondsen en /of starterscentra die aan het programma deelnemen. Een lijst van de risicokapitaalfondsen die aan het programma deelnemen is te vinden op de website van het EIF: http://www.eif.org/vca/ec_resources/startup/list.htm

Bijkomende inlichtingen Voor de Europese Commissie: Dietmar Maass Directoraat-generaal Economische en financiële zaken Financiële verrichtingen, programmabeheer en samenwerking met de EIB Groep Wagnergebouw, Kirchberg L-2920 Luxemburg Fax: 00352 4301 36609 E-mail: Dietmar.Maass@cec.eu.int Voor het EIF: Europees Investeringsfonds 43 Avenue J.F. Kennedy L-2968 Luxemburg LUXEMBURG Tel.: (352) 42 66 88-1 Fax: (352) 42 66 88-200 E-mail: info@eif.org Website: http://www.eif.org

3.2 MKB-GARANTIEFACILITEIT (2001-2005) Inhoud steunmaatregel

Subsidiewegwijzer 2003

152

De MKB-garantiefaciliteit zal tegengaranties of, in voorkomend geval, medegaranties verstrekken voor in de lidstaten en in Noorwegen, IJsland en Liechtenstein functionerende garantiestelsels, en directe garanties in het geval van andere geschikte financiële intermediairs. Begunstigden Het programma is uitsluitend bestemd voor het MKB, en bij voorrang voor ondernemingen met minder dan 100 werknemers. Projecten De faciliteit omvat vier onderdelen: garanties voor leningen aan bedrijven met groeipotentieel, met maximaal 100 werknemers. Hieronder vallen door het EIF verstrekte gedeeltelijke garanties ter dekking van leningportefeuilles; garanties ter dekking van portefeuilles van microleningen voor zeer kleine ondernemingen met maximaal 10 werknemers; tegen- of medegaranties voor hiervoor in aanmerking komende garantiestelsels ter dekking van deelnemingen met eigen middelen in MKB-bedrijven met minder dan 250 werknemers (geen directe garanties aan risicokapitaalfondsen); garanties ter dekking van portefeuilles van leningen voor de financiering van informatica-uitrusting, software en opleiding in verband met speciale activiteiten ter bevordering van het gebruik van internet en elektronische handel. Er wordt prioriteit gegeven aan kleine ondernemingen met maximaal 50 werknemers. Diversen Het budget wordt gebruikt voor de dekking van een deel van de eventuele verliezen in verband met de garanties die in het kader van de faciliteit worden verstrekt. Aanvraagprocedure De geïnteresseerde bedrijven moeten zich wenden tot een van de financiële instellingen die aan het programma deelnemen. Een lijst van de financiële instellingen die aan het programma deelnemen is te vinden op de website van het Europees Investeringsfonds, onder "EC programmes": http://www.eif.org/pg/list.htm. Bijkomende inlichtingen Voor de Europese Commissie: Georges Floros Directoraat-generaal Economische en financiële zaken Financiële verrichtingen, programmabeheer en samenwerking met de EIB Groep Wagnergebouw, Kirchberg L-2920 Luxemburg Fax: 00352 4301 36609 E-mail: Georgios.Floros@cec.eu.int Voor het EIF: Europees Investeringsfonds Avenue J.F. Kennedy 43 L-2968 Luxemburg Fax: 00352 426688200 E-mail: info@eif.org Website: http://www.eif.org

3.3 STARTKAPITAALACTIE (2001-2005)

Subsidiewegwijzer 2003

153

Inhoud steunmaatregel Het doel van de startkapitaalactie (seed capital action) is de bevordering van de verstrekking van kapitaal voor de oprichting van nieuwe, innovatieve ondernemingen met groei- en banenpotentieel, ook in de traditionele economie, door middel van ondersteuning van zaaikapitaalfondsen, starterscentra en dergelijke organisaties (zoals fondsen met een breed beleggingsspectrum die zaaikapitaal in hun algemene investeringsprogramma’s opnemen) vanaf de eerste jaren waarin zij actief zijn. Begunstigden De begunstigden worden uitsluitend gekozen uit de fondsen, starterscentra en dergelijke organisaties waaraan het EIF steun verleent. Projecten De steun is gericht op het op lange termijn werven van nieuwe investeringsbeheerders, teneinde de capaciteit van de risicokapitaalfondsen om in zaaikapitaal te investeren, te versterken. De steun wordt verleend in de vorm van subsidies die een deel van de beheerskosten in verband met deze arbeidsintensieve investeringen dekken. Diversen De subsidies worden gebruikt om een deel van de beheerskosten te dekken van zaaikapitaalfondsen, starterscentra of soortgelijke organisaties die in hun investeringsprogramma’s zaaikapitaalinvesteringen opnemen. Voor elke geschikte extra aangeworven medewerker moet de begunstigde een subsidieovereenkomst ondertekenen. Per subsidie-overeenkomst is maximaal 100.000 euro beschikbaar; het bedrag wordt uitgekeerd volgens de voorwaarden uiteengezet in de Seed Capital Action guidelines: http://www.eif.org/publications/pub_14.htm. Aanvraagprocedure Geïnteresseerde risicokapitaalfondsen en/of starterscentra dienen zich tot het EIF te wenden dat zal nagaan of hun aanvraag beantwoordt aan de richtsnoeren van de startkapitaalactie (Seed Capital Action guidelines) Bijkomende inlichtingen Voor de Europese Commissie: Dietmar Maass Directoraat-generaal Economische en financiële zaken Financiële verrichtingen, programmabeheer en samenwerking met de EIB Groep Wagnergebouw, Kirchberg L-2920 Luxemburg Fax: 00352 4301 36609 E-mail: Dietmar.Maass@cec.eu.int Voor het EIF: Europees Investeringsfonds 43 Avenue J.F. Kennedy L-2968 Luxemburg LUXEMBURG Tel.: (352) 42 66 88-1 Fax: (352) 42 66 88-200 E-mail: info@eif.org Website: http://www.eif.org

Subsidiewegwijzer 2003

154

4.

CENTRUM VOOR DE ONTWIKKELING VAN ONDERNEMINGEN (COO)

4.1 SAMENWERKING MET DE ACS-LANDEN Inhoud steunmaatregel In het kader van de Conventie van Lomé, een overeenkomst tussen de Europese Unie en 70 landen in Afrika, de Caraïben en de Stille Oceaan (Pacific), werd in 1977 het 'Centrum voor Industriële Ontwikkeling' opgericht. Dit Centrum is een ACS-EU institutie gefinancierd door het Europees Ontwikkelingsfonds. In het kader van het Cotonou-akkoord, ondertekend op 23 juni 2000 met 77 ACS-landen en de Europese Unie, kreeg het Centrum een aantal bijkomende taken op het gebied van toerisme, telecommunicatie en transport. Het Centrum kreeg eveneens een naamwijziging en werd 'Centrum voor de Ontwikkeling van Ondernemingen'. Het Centrum voor Ontwikkeling van Ondernemingen biedt ondersteuning voor de oprichting, uitbreiding, diversificatie en de reorganisatie van de productie of diensten van ACS-ondernemingen. Daarnaast helpt het Centrum de competitiviteit te verbeteren, de intermediaire organisaties (onder andere de beroepsorganisaties en financiële instellingen) te versterken en de expertise en bekwaamheid van de consultant te verspreiden. Het Centrum moedigt de regionale integratie van de ACS-Landen aan, organiseert meetings tussen bedrijven van de Europese Unie en ACS-Landen en ondersteunt de partnerschappen tussen partijen in de EU en de ACS-Landen en informeert de business en investeringsmogelijkheden in de ACS-Landen. Het Centrum richt zijn aandacht naar de volgende sectoren: industrie, landbouw industrie, bouw, toerisme, telecommunicatie, transport en het privé-management van alles wat te maken heeft met de infrastructuur en de diensten met betrekking tot deze sectoren. Projecten Volgende diensten worden geleverd door het Centrum voor de Ontwikkeling van Ondernemingen: - het opsporen van mogelijke projecten en kandidaat-partners; - het uitvoeren van haalbaarheid- en marktstudies of ander voorafgaandelijk onderzoek; - de financiering en juridische onderbouwing van het project; - het opstarten en verder ontwikkelen van het project. Voor deze diensten geeft het Centrum gratis advies en expertise en helpt bij het zoeken naar financiële ondersteuning van het project. Elk jaar organiseert het Centrum voor de Ontwikkeling van Ondernemingen een reeks events zoals forums, workshops, ontmoetingen met mogelijke partners,… Ook het maken en uitbrengen van studies, artikels en boeken in verband met bepaalde industriële sectoren in de ACS-Landen maakt deel uit van de ondersteunende functie van het Centrum. Begunstigden In het algemeen komen bedrijven van een ACS-land of van een land in de Europese Unie die alleen of gezamenlijk een industrieel project in een van de ACS-landen willen opstarten, in aanmerking voor de diensten van het Centrum voor de Ontwikkeling van Ondernemingen. Het gaat om bedrijven die in de opstartfase zitten of bedrijven die willen uitbreiden, diversifiëren of reorganiseren in een ACS-land. Ook consultants en consultancybedrijven die kunnen inspelen op de nieuwe behoeftes van bedrijven, komen in aanmerking Volgende 77 landen behoren tot de ACS-landen:

Subsidiewegwijzer 2003

155

-

West-Afrika: Benin, Burkina Faso, Kaapverdië, Ivoorkust, Gambia, Ghana, Guinea, Guinee Bissau, Liberia, Mali, Mauritanië, Niger, Nigeria, Senegal, Sierra Leone, Togo; Centraal-Afrika: Burundi, Kameroen, Centraal Afrikaanse Republiek, Chad, Kongo, Democratische Republiek Kongo, Equatoriaal Guinee, Gabon, Rwanda, Sao Tomé en Principe, de Comoren; Oost-Afrika: Djibouti, Eritrea, Ethiopië, Kenia, Madagaskar Mauritius, Seychellen, Somalië, Soedan, Tanzania, Oeganda; Zuid-Afrika: Angola, Botswana, Lesotho, Malawi, Mozambique, Namibië, Swaziland, Zambia, Zimbabwe; de Caraïben: Antigua en Barbuda, Bahamas, Barbados, Belize, Dominica, Dominicaanse Republiek, Grenada, Guyana, Haïti, Jamaica, St. Kitts en Nevis, St. Lucia, St. Vincent en de Grenadines, Suriname, Trinidad en Tobago; Pacific: Fiji, Kiribati, Papua New Guinea, Samoa, Solomons Eilanden, Tonga, Tuvalu, Vanuatu.

Diversen Het Centrum voor de Ontwikkeling van Ondernemingen vereist dat de totale investering van een project tussen 200.000 en 10 miljoen euro bedraagt. Kleinere bedrijven kunnen geaccepteerd worden in volgende gevallen: pilootprojecten, hergroepering van een aantal bedrijven met het oog op samenwerking, kleinere bedrijven actief in de industriesector,… Naargelang het soort project is de bijdrage van het Centrum voor de Ontwikkeling van Ondernemingen maximum 150.000 euro per project per jaar met een limiet van 2/3 van de totale kosten en een minimum van 20% van de totale investering (met uitzondering voor pilootprojecten). Voor projecten die het opsporen van projecten en kandidaat-partners tot doel hebben, stelt het Centrum een limiet van 50% van de totale kosten. Aanvraagprocedure Aanvragen kunnen rechtstreeks ingediend worden bij het Centrum zelf of bij een van de antennes van het ACS-netwerk in de ACS-landen of de Europese Unie. Indieners van een aanvraag (bedrijven of promotors) moeten duidelijk bepalen welke bijstand en steun zij verwachten van het Centrum voor de Ontwikkeling van Ondernemingen.

Bijkomende Inlichtingen Centrum voor de Ontwikkeling van Ondernemingen (Institutie van de ACS-landen (Afrika, Caraïben en Stille Oceaan) en de Europese Unie, in het kader van Cotonou-Akkoord) Herrmann Debrouxlaan 52 1160 Brussel Tel.: 02/679.18.11 Fax: 02/675.26.03 Website: http://www.cdi.be/index_en.htm

4.2 PROINVEST: EEN PROGRAMMA VOOR DE PROMOTIE VAN INVESTERINGEN IN DE ACS-LANDEN Inhoud steunmaatregel Het ProInvest-programma is een EU-ACS-partnerschapsprogramma ontwikkeld en aangenomen door de Europese Commissie ten voordele van de ACS-landen. Het programma werd officieel gelanceerd op 22 oktober 2002 te Brussel.

Subsidiewegwijzer 2003

156

Het doel van dit programma is de stroom van investeringen en technologieën naar bedrijven die actief zijn in de kernsectoren in de ACS-landen te bevorderen. Dit zal bereikt worden via een tweedimensionale aanpak: - steun aan intermediaire en professionele organisaties; - ontwikkeling van partnerschappen tussen noord-zuid en zuid-zuid bedrijven. ProInvest wordt beheerd door het Centrum voor de Ontwikkeling van Ondernemingen onder toezicht van EuropeAid Co-operation Office van de Europese Commissie. Met een budget van 110 miljoen euro gespreid over een periode van 7 jaar, wordt ProInvest gefinancierd door het Europees Ontwikkelingsfonds. Begunstigden Intermediaire organisaties uit de ACS-landen, zoals Kamers van Koophandel en Industrie, professionele en sectorale organisaties, werkgeversorganisaties en financiële instellingen. Ook aanvragen van regionale organisaties van de particuliere sector die ten minste twee landen vertegenwoordigen, komen in aanmerking. Meer details staan vermeld in de ‘Guidelines for Applicants’. Projecten activiteiten op het gebied van diensten voor de ontwikkeling van het bedrijfsleven; initiatieven op het gebied van promotie van de particuliere sector en beleidsdialoog; organiseren van sectorale partnerschapsinitiatieven. Aanvraagprocedure Voor 2003 zijn er drie oproepen tot het indienen van voorstellen (Publicatieblad C 79 van 02/04/03) Voorstellen kunnen uitsluitend worden ingediend op een formulier volgens het model als bijlage bij de ‘Guidelines for Applicants’. Er zijn vier termijnen voor de indiening van aanvragen in 2003: 30 april, 16 juni, 15 september en 15 oktober. Meer informatie over deze oproepen is te vinden in de ‘Guidelines for Applicants’ op de website van ProInvest: http://www.proinvest-eu.org en de website van EuropeAid: http://www.europa.eu.int/comm/europeaid/tender/index_en.htm

Bijkomende inlichtingen Centrum voor de Ontwikkeling van Ondernemingen ProInvest Management Unit Patrick Keene Herrmann Debrouxlaan 52 1160 Brussel Tel.: 02/679.18.50/51 Fax: 02/679.18.70 E-mail: infos@proinvest-eu.org Website: http://www.proinvest-eu.org

5. OVERIGE INITIATIEVEN TER BEVORDERING VAN INTERNATIONALE SAMENWERKING 5.1 AL-INVEST

Subsidiewegwijzer 2003

157

Inhoud steunmaatregel De Europese Commissie heeft in de jaren ’90 besloten een AL-Invest programma te lanceren om het aantal Europese investeringen in Latijns-Amerika te vermeerderen en de handel tussen Latijns-Amerika en Europa te stimuleren. Een netwerk van instellingen van Europa en Latijns-Amerika organiseren samen meetings tussen bedrijven, actief in dezelfde sector, in Latijns-Amerika en Europa, de zogenaamde sectorale meetings. Deze meetings duren twee dagen en beogen onder meer samenwerkingsovereenkomsten, joint-ventures, transfer van technologie en het vergemakkelijken van strategische allianties. Meer dan 6000 bedrijven in Europa en Latijns-Amerika hebben reeds van AL-Invest gebruik gemaakt. Vanaf 2000 zal de Europese Commissie 70 sectorale meetings cofinancieren om de handel tussen de twee continenten te stimuleren en de strategische allianties verder te ontwikkelen. Begunstigden De meetings staan open voor bedrijven van alle sectoren: landbouwbedrijven, auto-industrie, de bouwsector, … De begunstigden van het programma zijn bedrijven die aangesloten zijn bij een instelling die actief is in het netwerk zoals de Eurocentres, Kamers van Koophandel, Buitenlandse handelsinstellingen, ontwikkelingsorganisaties en privé-consultants. Concreet voor Europa is het Coopecos netwerk actief. Het netwerk heeft een 300 leden in Europa waaronder beroepsorganisaties, industriële federaties, regionale ontwikkelingscentra,… actief zijn. Deze instellingen kunnen verschillen naargelang de sectorale meeting. Geïnteresseerde bedrijven die wensen deel te nemen aan een sectorale meeting contacteren het best een van de medewerkers en/of medeorganisators van de meeting. Aanvraagprocedure Per sectorale meeting is het belangrijk één van de organiserende instellingen te contacteren en via hen de inschrijving mogelijk te maken. De lijst van de meetings, de plaats van het gebeuren en de contactpersonen om de inschrijving mogelijk te maken, vindt u op de website van AL-Invest (websiteadres onderaan de pagina). Alle kosten die komen kijken bij de organisatie worden gedekt door de Europese Commissie. De deelnemende bedrijven dienen echter zelf hun reis- en verblijfskosten te dragen. De Europese Unie wil enkel de samenwerking tussen Latijns-Amerika en Europa stimuleren dankzij logistieke financiële steun. Bijkomende inlichtingen EuropeAid Co-operation Office (AIDCO) Unit E2 – Al-Invest Pablo López-Herrerias Wetstraat 200 (J54, 4-59) 1049 Brussel Tel.: 02/295.59.61 Fax: 02/299.18.39 E-mail: europeaid-al-invest@cec.eu.int Website: http://europa.eu.int/comm/europeaid/projects/al-invest/index_en.htm

5.2 ASIA-INVEST

Subsidiewegwijzer 2003

158

Inhoud steunmaatregel Het Asia-Invest-programma, een initiatief van de Europese Unie, tracht bedrijven te helpen hun bedrijfsstrategieën te internationaliseren en de samenwerking tussen bedrijven in de Europese Unie en Azië te vergemakkelijken (Zuid- en Zuidoost-Azië en China). Het Asia-Invest-programma startte in 1997 en is begonnen aan een tweede uitvoeringsfase voor een periode van vijf jaar: 2003-2007. De Europese Commissie heeft een budget van 41 miljoen euro voorzien. Activiteitsgebieden: - bemiddeling tussen Europese en Aziatische bedrijven; - ontwikkeling van de Aziatische particuliere sector in de vorm van technische bijstand; - capaciteitsopbouw van Aziatische bedrijfsorganisaties en networking met Europese tegenhangers. Projecten Projecten 2003-2007 Het programma bestaat uit zeven onderdelen waarvoor bijzondere specificaties voor subsidiëring gelden. Elke activiteit heeft betrekking op een van de programmaonderdelen: - Asia VENTURE: kleinschalige handelsmissies tussen Europa en de minder welvarende Aziatische landen; - Asia INTERPRISE: middelgrote sectorale en multisectorale handelsbijeenkomsten ter vergemakkelijking van partnerschappen tussen Europese en Aziatische bedrijven; - Asia-Invest TECHNISCHE BIJSTAND: capaciteitsopbouw ter voorbereiding van Aziatische bedrijven op internationale samenwerking omvattende overdracht van knowhow, ontwikkeling van bedrijfsorganisaties en versterking van de banden met Europese bedrijven; - Asia-Invest ALLIANCE: capaciteitsopbouw en networking voor Aziatische intermediairs, omvattende overdracht van knowhow, zoeken van bedrijfspartners, informatienetwerken en uitwisseling van personeel met Europese tegenhangers; - Asia PARTENARIAT: grote multisectorale handelsbijeenkomsten in Azië om de partnerschappen tussen Aziatische en Europese bedrijven te bevorderen; - Asia-Invest TRADE AND INVESTMENT FACILITATION STUDIES: marktonderzoeken om ondernemingen te voorzien van grondige analyses over het bedrijfsmilieu en de handelsmogelijkheden in Aziatische landen; - Asia-invest FORUM: uitwisseling van ervaringen via conferenties en workshops voor Europese en Aziatische intermediairs. Voor 2003 is er één oproep voor het indienen van voorstellen voor de volgende projecten: AsiaVenture, Asia-Interprise, Asia-Invest Technical Assistance and Asia-Invest Alliance. Asia Partenariat loopt ook via een oproep voor het indienen van voorstellen maar voor 2003 is er nog geen oproep. De Asia-Invest Trade and Investment Facilitation Studies en de Asia-Invest Forum werken via afzonderlijke procedures die door de Europese Commissie gestart en beheerd worden. Aanvraagprocedure Voorstellen kunnen worden ingediend door non-profitorganisaties die de ontwikkeling van handel en investeringen tussen de EU en Azië stimuleren of vergemakkelijken (kamers van koophandel, sectorale handels- en bedrijfsfederaties, werkgeversorganisaties, …). Een partnerschap tussen organisaties in Azië en de EU is verplicht voor de programmaonderdelen AsiaVenture, Asia-Interprise en Asia-Invest Alliance: organisaties moeten een samenwerkingsverband vormen met partnerorganisaties uit de andere regio. Voor het programmaonderdeel Asia-Invest Technical Assistance, kunnen Aziatische of Europese organisaties voorstellen indienen voor activiteiten zonder partnerorganisatie maar partnerschap verdient echter wel de aanbeveling. De aanvragen moeten voor de gestelde deadline ingediend worden met het standaardformulier dat te vinden is op de website.

Subsidiewegwijzer 2003

159

Bijkomende inlichtingen Europese Commissie Europe Aid Co-operation Office Asia-Invest Wetstraat 200 1049 Brussel Tel.: 02/295.95.03 Fax: 02/296.58.33 E-mail: europeaid-asia-invest@cec.eu.int Website: http://europa.eu.int/comm/europeaid/projects/asia-invest

6.

LIFE III-PROGRAMMA

Inhoud steunmaatregel LIFE (l’Instrument Financier pour L’Environnement) is opgestart in 1992 en bevindt zich momenteel reeds in de derde fase. Het LIFE III-programma is vastgelegd bij verordening 2000/1655 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 en is een Europees financieringsprogramma. De algemene doelstelling bestaat erin bij te dragen tot de uitvoering, actualisering en ontwikkeling van het communautair milieubeleid en de milieuwetgeving met het oog op duurzame ontwikkeling in de Europese Gemeenschap. Projecten De projecten die gefinancierd worden door LIFE moeten voldoen aan de volgende criteria: - van communautair belang zijn en een significante bijdrage leveren tot de algemene doelstelling; - uitgevoerd worden door een technisch betrouwbare en financieel gezonde deelnemer; - haalbaar zijn wat de technische voorstellen, planning, rendement en begroting betreft. Aan projecten met een multinationale opzet kan prioriteit worden verleend. Diversen LIFE bestaat uit drie onderdelen: LIFE-Natuur, LIFE- Milieu en LIFE-Derde Landen. LIFE-Natuur zorgt voor de financiering van een milieubeschermingsactie en in de praktijk moet LIFENatuur bijdragen tot de uitvoering van de 'Vogelrichtlijn' (79/409/EEG) en 'Habitatrichtlijn' (92/43/EEG) van de Europese Unie, en in het bijzonder tot de totstandkoming van Natura 2000, het coherent Europees netwerk van beschermde gebieden. LIFE-Natuur viseert het terreingericht beheer en het behoud van de meest waardevolle fauna, flora en habitat binnen de Europese Unie. LIFE-Milieu steunt demonstratieprojecten op milieuvlak en richt zich tot de industrie, de plaatselijke overheden en KMO’s. LIFE-Milieu financiert ook voorbereidende projecten die zijn gericht op de verdere ontwikkeling of bijstelling van het communautaire milieubeleid. Voor deze projecten maakt de Commissie afzonderlijke uitnodigingen tot het indienen van voorstellen bekend in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Begunstigden: Hoewel LIFE-Milieu openstaat voor iedere in de Europese Unie gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon, alsmede voor een aantal kandidaat-lidstaten (Estland, Hongarije, Letland, Roemenië en Slovenië), is het programma voornamelijk gericht op de industriële sector en de overheid. Voor de periode 2000-2004 is voor LIFE een totaal budget van 640 miljoen euro voorgesteld, waarvan 47% is gereserveerd voor projecten in het kader van LIFE-Milieu in de Europese Unie. Een LIFE-Milieu subsidie wordt toegekend aan de voorstellen die het best scoren in de zin van innovatieve oplossingen voor belangrijke milieuproblemen en die tot concrete resultaten leiden. De verspreiding van kennis moet

Subsidiewegwijzer 2003

160

deel uitmaken van de projecten. Met name het voorbeeldkarakter is belangrijk. Projecten moeten worden uitgevoerd op een technische schaal die het mogelijk maakt om te beoordelen of grootschalige invoering technisch en economisch haalbaar is. LIFE-Milieu is niet gericht op onderzoek noch op investeringen in bestaande technologie, maar is bedoeld als overbrugging tussen de resultaten van onderzoek en ontwikkeling en de grootschalige toepassing/marktintroductie daarvan. De projecten kunnen volgende thema’s en onderwerpen omvatten: - ruimtelijke ordening en planning; - waterbeheer; - de impact van de economisch activiteit; - het beheer van afvalstromen; - geïntegreerde benadering van de productie. Voor LIFE-Derde Landen is ongeveer 5% van de begroting van LIFE III voorzien voor de financiering van technische ondersteuning, demonstratieprojecten en acties ter bevordering van het behoud en herstel van belangrijke habitat van bedreigde soorten fauna en flora buiten de Europese Unie. Begunstigden: LIFE-Derde Landen is voornamelijk gericht op nationale overheden en administraties. Het is eveneens open voor personen (natuurlijke of rechtspersonen) die voorstellen lanceren op lokaal, nationaal of regionaal niveau. Aanvraagprocedure LIFE-Natuur In het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen worden oproepen tot het indienen van blijken van belangstelling, met vermelding van de specifieke criteria, gelanceerd. De financiële steun neemt de vorm aan van medefinanciering met een maximum van 50% voor natuurbehoudprojecten en 100% voor begeleidende maatregelen. LIFE-Milieu Projectvoorstellen kunnen worden ingediend door alle rechtspersonen die in de lidstaten van de Europese Unie zijn gevestigd, zoals particulieren, industriële en commerciële ondernemingen, lokale overheden enzovoort. In het bijzonder wordt de deelname van Kleine en Middelgrote Ondernemingen (KMO) aangemoedigd. Aanvragers worden jaarlijks uitgenodigd om projectvoorstellen in te dienen. De projecten worden medegefinancierd. De subsidiegraad kent de volgende verdeling: tot 30% bij projecten met inkomsten en tot 50% bij projecten zonder inkomsten. LIFE-Derde Landen Elk jaar kunnen er voorstellen voor acties en projecten ingediend worden. Medefinanciering is voorzien tot 100% van de aanvaardbare kosten voor technische ondersteuning en tot 50% voor de andere acties.

Bijkomende inlichtingen Belgische ondernemers moeten de projecten indienen bij de heer Robert Martens van het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. Bij hem kan u eveneens terecht voor meer gedetailleerde informatie: Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu Diensten voor het Leefmilieu Dienst Studie en Coördinatie Robert Martens Rijksadministratie Centrum, Vesaliusgebouw 728 Pachecolaan 19 POB 5 1010 Brussel Tel.: 02/210.46.90 Fax: 02/210.48.52 E-mail: robert.martens@health.fgov.be

Subsidiewegwijzer 2003

161

Algemene informatie over het LIFE-programma kan u vinden op volgende website: http://europa.eu.int/comm/life/home.htm Informatie over het LIFE III-programma, vragen rond het indienen van projecten, de mogelijkheid tot het downloaden van aanvraagformulieren, en andere vindt u op volgend adres: http://europa.eu.int/comm/life/life3.htm

7 . MEDIA PLUS-PROGRAMMA (Mesures pour Encourager le Developpement de l'Industrie Audiovisuelle) Inhoud steunmaatregel Het MEDIA Plus-Programma gaat uit van de Europese Commissie en heeft tot doel de Europese audiovisuele industrie te stimuleren en concurrentieel te maken tegenover de niet-Europese. Het wil de competitiviteit van de Europese audiovisuele industrie versterken aan de hand van een aantal maatregelen. MEDIA Plus ligt vervat in twee besluiten: één voor de aanmoediging van de ontwikkeling, distributie en promotie van Europese audiovisuele werken, goedgekeurd door de Europese Raad op 20 december 2000 (2000/821/EG); een tweede met betrekking tot opleidingsprogramma's voor vakmensen van de Europese Audiovisuele programma-industrie (Mediaopleiding) is door het Europees Parlement op 19 januari 2001 goedgekeurd (Besluit nummer 163/2001/EG). In het MEDIA Plus-Programma wordt tevens steun aan proefprojecten voorzien. Dit laatste heeft betrekking op conservatie van het erfgoed, digitalisering van AV-archieven en on-line distributiediensten. Het MEDIA Plus-Programma loopt gedurende een periode van vijf jaar, 2001-2005. Daarvoor waren Media I en Media II operationeel, die respectievelijk van 1991-1995 en van 1996-2000 liepen. Projecten Het Media Plus Programma bestaat uit vijf maatregelen, elk actief op een ander veld van de audiovisuele industrie: Maatregel Media Training Het Media Training-programma heeft als doel het opzetten van opleidings- en trainingsinitiatieven. Professionelen van de audiovisuele sector kunnen via deze manier hun capaciteiten uitbreiden en competiviteit op de buitenlandse markt opvoeren. Het programma rust op een nauwe samenwerking tussen verschillende scholen en opleidingscentra. Maatregel Media Ontwikkeling Het Media Plus-Programma voorziet financiële steun aan Europese onafhankelijke productiebedrijven voor de ontwikkeling van nieuwe projecten in de volgende genres: fictie, documentaire, animatie en multimedia. Steun kan gegeven worden aan een cluster van projecten (slate-funding) of aan een enkel project. Maatregel Media Distributie Deze maatregel van het Media Plus-Programma voorziet steun voor de distributie en het uitzenden van audiovisuele werken (fictie, documentaires, animatie en interactieve programma's). Dit via steun aan distributie van de Europese film via bioscopen, op video en on-line, op een digitale drager (DVD) en via televisie. Maatregel Media Promotie Het doel van deze maatregel is voorzien in financiële steun om allerlei soorten promotionele acties aan te moedigen. De promotionele acties moeten bedoeld zijn om Europese producenten en distributeurs makkelijker toegang te laten krijgen op de belangrijkste Europese en internationale gebeurtenissen.

Subsidiewegwijzer 2003

162

Ook steun aan festivals valt onder deze steunmaatregel. Festivals waarvan 70% van hun programmatie uit Europese films bestaat, staan immers in voor de promotie van de Europese film. Maatregel Media Pilootprojecten Gedurende de hele looptijd van het programma worden er proefprojecten opgezet die gericht zijn op een betere toegang tot Europese audiovisuele inhoud en die profijt trekken van de mogelijkheden welke ontstaan door de ontwikkeling en de introductie van nieuwe en innoverende technologie, waaronder de digitalisering en de nieuwe distributiemethodes. Proefprojecten kunnen met het oog op exploitatie, netwerkvorming en promotie onder meer betrekking hebben op de volgende gebieden: cinematografisch erfgoed; archieven van Europese audiovisuele programma's; catalogi van Europese audiovisuele werken; digitaal uitgezonden Europese programma’s zoals bijvoorbeeld geavanceerde distributiediensten. Diversen De tussenkomst van het MEDIA-Programma bedraagt nooit meer dan 50% van het budget dat in aanmerking kan worden genomen voor steun. Dit laatste is veranderlijk naargelang het voorwerp van steun. Een festival bijvoorbeeld heeft nood aan een ander soort budget en maakt andere bestedingen dan een productiebedrijf dat de ontwikkeling van een langspeelfilm opstart. In het eerste geval worden bijvoorbeeld kosten van print-traffic, promotie en advertentie, ondertiteling, enzovoort in rekening genomen. In het tweede geval zullen de kosten die kunnen ingebracht worden betrekking hebben op het opstellen van een productieplan en financieringsplan, het schrijven van het scenario, onderzoek, verwerven van de rechten, enzovoort. Aanvraagprocedure Voor elke afdeling worden er 'oproepen tot indien van voorstellen' gelanceerd. Bedrijven worden uitgenodigd hun project voor te stellen en in te dienen voor een specifiek onderdeel van het Programma. Die oproepen kennen een uiterste inschrijvingsdatum. Over de ganse periode van vijf jaar (tot 2005) worden er op regelmatige basis oproepen gelanceerd. Op volgende websites vindt u meer informatie: http://www.europa.eu.int/comm/avpolicy/media/news.html http://www.mediadesk-vlaanderen.be

Bijkomende inlichtingen Indien u een voorstel wenst in te dienen neemt u best contact op met Media Desk. Dit is het informatiecentrum van het MEDIA-Programma van de Europese Gemeenschap. Media Desk vormt immers een informatief en adviserend relais tussen het programma en het audiovisuele beroep. MEDIA Desk België - Vlaamse Gemeenschap Karen Depoorter, coördinator Nathalie De Neve, coördinator ad interim Bijlokekaai 7F 9000 Gent Tel.: 09/235.22.65 of 0498/10.11.66 Fax: 09/235.22.66 E-mail: info@mediadesk-vlaanderen.be Website: http://www.mediadesk-vlaanderen.be

Subsidiewegwijzer 2003

163

DEEL VIII : SAMENWERKING MET CENTRAAL- EN OOST-EUROPA 1 . SAMENWERKINGSPROGRAMMA VLAANDEREN MET CENTRAAL- EN OOST-EUROPA Inhoud steunmaatregel Bij beslissing van de Vlaamse regering van 23 februari 2001, werd het nieuw reglement met betrekking tot het Vlaams Samenwerkingsprogramma Centraal- en Oost-Europa goedgekeurd. Op basis van dit samenwerkingsprogramma kunnen projecten worden gesteund die de landen in Centraalen Oost-Europa helpen bij de creatie van een volwaardige democratie, de opbouw van een goed functionerende markteconomie en de uitbouw van een evenwichtig sociaal en ecologisch beleid. De samenwerking heeft vooral betrekking op de naleving van de verplichtingen die aan de toetreding tot de EU verbonden zijn. De samenwerking heeft als doelstellingen: - meewerken aan de institutionele stabiliteit door het begeleiden van het democratiserings- en privatiseringsproces; speciale aandacht dient vooral te gaan naar het respect van de mensenrechten; ons eigen sociaal model kan hierbij als voorbeeld gesteld worden; - ondersteunen van de vrije markteconomie die de basis vormt van een gezond en stevig economisch stelsel door het bevorderen van privatiseringen, de uitbouw van kleine en middelgrote ondernemingen, …; - de kandidaat-toetreders tot de EU bijstaan in hun streven om hun toetredingsvoorwaarden te vervullen en om de verplichtingen die hieruit voortvloeien, na te leven. De samenwerking wordt beperkt tot de volgende kandidaat-toetreders: Bulgarije, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Roemenië, de Slovaakse Republiek, Slovenië en de Tsjechische Republiek. Begunstigden De projecten dienen betrekking te hebben op een samenwerkingsverband tussen de Vlaamse administratie, een Vlaamse openbare instelling of een instelling, organisatie of onderneming die haar exploitatiezetel binnen de grenzen van het Vlaamse Gewest of een Nederlandstalige instantie met zetel in Brussel enerzijds, en minstens een partner in één van de hierboven vermelde landen, anderzijds. Projecten Volgende economische projecten komen in aanmerking voor steun. Projecten die: - rekening houden met het nationaal programma en beantwoorden aan de voorschriften van het 'acquis communautaire'; - voortbouwen op de Vlaamse expertise opgebouwd in het verleden, met bijvoorbeeld KMO's, Structuurfondsen, regionale ontwikkelingsplannen, Plato-netwerken, capaciteitsopbouw (ambtenaren, informatietechnologie); - passen in het kader van de prioriteiten van het partnerland. Diversen De ingediende projecten worden beoordeeld op basis van de volgende criteria: Geografische oriëntatie De initiatieven dienen gericht te zijn op de 10 kandidaat-toetreders tot de EU in Centraal- en Oost-Europa. Per land wordt per jaar een budget voor subsidiëring bepaald.

Subsidiewegwijzer 2003

164

Sectorale prioriteit: prioriteit zal gelegd worden bij die sectoren die belangrijk zijn voor de toetreding van de partnerlanden tot de EU. Voor elk land worden hierbij specifieke klemtonen gelegd. Voorkeur wordt gegeven aan de sectoren waar Vlaanderen expertise kan aanbieden, met name KMO-sector, werkgelegenheid, regionaal economisch beleid, structuurfondsen, transport, milieu, landbouw, onderwijs, openbaar bestuur, sociaal beleid, capaciteitsopbouw in diverse sectoren. Samenwerking Subsidies worden verleend voor de uitvoering van projecten die overdracht van eigen of Vlaamse expertise inhouden, in één van de domeinen die door Vlaanderen als prioritair werden gesteld (landbouw, havens, milieu, economie, capacity building,…) en die beantwoorden aan de domeinen die in het National Programme for the Adoption of the Acquis van het partnerland werden vastgelegd of die uitdrukkelijk door de partner worden gevraagd. Opleiding tussen privé-ondernemingen komt slechts in aanmerking wanneer deze vorming en opleiding door Vlaamse gespecialiseerde instellingen worden verstrekt. Actieterrein De beoogde samenwerking heeft als doel de betrokken landen te helpen bij de creatie van een volwaardige democratie, een vrije markteconomie en een evenwichtig sociaal beleid. Prioriteiten Bij de selectie van de projecten zal voorrang worden verleend aan: . projecten die gekoppeld zijn aan multinationale of EU-programma's, die tegemoetkomen aan de eisen die aan het begunstigde land worden gesteld inzake de overname van het acquis communautaire (NPAA), of die op uitdrukkelijk verzoek van het begunstigde land worden opgenomen; . projecten die de garantie op een duurzaam effect kunnen verlenen; . projecten van interdisciplinaire aard, dit wil zeggen projecten die een weerslag hebben op verschillende domeinen van de sociaal-economische structuur; . samenwerkingsprojecten met een gunstige kosten-batenverhouding; . samenwerkingsinitiatieven met een officiële instelling; . projecten waarvan de uitvoering een multiplicatoreffect heeft voor het begunstigde land en/of de regio; . projecten die voldoen aan de noden van het partnerland; . … Komen in aanmerking voor subsidiëring: . zendingskosten die verbonden zijn aan de voorbereiding en de uitvoering van het project; . investeringskosten, met uitzondering van infrastructurele werken, bouwprojecten of louter aankoop van investeringsgoederen, tenzij uitdrukkelijk wordt aangetoond dat deze vereist zijn voor het bereiken van de doelstellingen van het project; . personeelskosten; . werkingskosten; . uitgaven die verricht zijn in Vlaanderen voor de beoogde samenwerking: kosten inzake ontvangst en verblijf van partners uit het gastland, kosten inzake opleiding en vorming, uitrustingsuitgaven, studieof consultancykosten. Komen niet in aanmerking voor subsidiëring: . uitsluitend levering van materialen of goederen; . louter infrastructurele of bouwactiviteiten; . eenmalige uitwisselingen, evenementen en conferenties; . studiebeurzen, studies van algemeen verkennende aard die geen projectgebonden karakter vertonen; . puur academische projecten; . humanitaire hulpacties. De maximale duur van een project is drie jaar.

Subsidiewegwijzer 2003

165

Financiële tegemoetkoming De financiële tegemoetkoming kan maximaal 85% van de totale aanvaardbare kosten bedragen. De partner in Centraal- en Oost-Europa of het partnerland moeten in een cofinanciering van 15% voorzien. Privébedrijven met winstoogmerk, die een aanvraag indienen, moeten naast de inbreng vanwege het partnerland, ook zelf een minimale inbreng van 15% garanderen. Indien zowel de Vlaamse promotor als de begunstigde in Centraal- en Oost-Europa ondernemingen met winstoogmerk zijn, kan de tussenkomst maximaal 50% bedragen van de kosten verbonden aan opleiding en overdracht van technologie en op voorwaarde dat de investering voorheen is gerealiseerd door de promotor. De maximum tussenkomst per project wordt beperkt tot 495.000 euro; de maximale steun per jaar per project bedraagt 173.000 euro. Aanvraagprocedure Aanvragen tot tussenkomst moeten per land worden ingediend bij de administratie Buitenlands Beleid van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Boudewijnlaan 30, 1000 Brussel, tel.: 02/553.59.20, http://www.vlaanderen.be. De vereiste aanvraagformulieren en bijkomende inlichtingen zijn te verkrijgen bij de afdeling Buitenlands Beleid binnen Europa van de administratie Buitenlands Beleid. Vormvereisten De kandidaten voor een project moeten schriftelijk een projectdossier indienen in het Engels, in twee identieke exemplaren, volgens de bepalingen van het aanvraagformulier. Een projectvoorstel moet voorzien zijn van de naam en handtekening van de aanvrager(s), gedateerd zijn en alle gegevens bevatten die nodig zijn voor een beslissing.

Bijkomende inlichtingen Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Europa Economie Markiesstraat l 1000 Brussel Tel.: 02/553.37.17 Fax: 02/502.47.02 E-mail: ria.schoomans@ewbl.vlaanderen.be Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling binnen Europa Boudewijnlaan 30 1000 Brussel Tel.: 02/553.59.02 Fax: 02/502.60.37 E-mail: freddy.evens@coo.vlaanderen.be

2.

PHARE- PROGRAMMA

Inhoud steunmaatregel

Subsidiewegwijzer 2003

166

Het Phare-Programma is een initiatief van de Europese Unie, dat de economische omschakeling in Midden- en Oost-Europa ondersteunt. Tegelijkertijd helpt het de partnerlanden hun pas opgezette democratische maatschappijen te versterken. Bij de start in december 1989 stond het letterwoord PHARE voor 'Poland and Hungary Assistance to the Restructuring of the Economy'. Nadien werd het programma uitgebreid tot volgende landen: Albanië, Bulgarije, Tsjechië, Slovakije, Estland, Letland, Litouwen, Roemenië, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Slovenië en BosniëHerzegovina. De hulpverlening aan de betrokken landen kan zowel gebeuren via concrete hulp- en uitwisselingsacties als via leningen en andere samenwerkingsvormen. Vandaag steunt het Phareprogramma de 10 kandidaat-lidstaten: Bulgarije, Tsjechië, Estland, Hongarije, Polen, Slovenië, Slovakije, Lithouwen, Letland en Roemenië. Phare verstrekt haar partnerlanden knowhow, zoals beleidsadvies en opleiding, van allerlei nietcommerciële, openbare en particuliere organisaties. Door middel van studies, kapitaalsubsidies, garantieregelingen en kredietlijnen maakt het programma ook middelen van andere geldschieters vrij voor belangrijke projecten. Samen met internationale financiële instellingen investeert het rechtstreeks geld in de infrastructuur. Deze investeringsactiviteiten zullen, naarmate het herstructureringsproces voortschrijdt, een groter beslag leggen op de Phare-middelen. Tien van de dertien Phare-landen hebben zich intussen kandidaat gesteld om lid te worden van de Europese Unie. Als gevolg daarvan is de rol van Phare geheroriënteerd. Het doel is om die tien landen voor te bereiden op het lidmaatschap van de Europese Unie. Met elk van die tien landen werd een 'Accession Partnership' opgesteld. Hierin worden de prioriteiten voor elk land bepaald. Om deze toetreding mogelijk te maken moeten de administraties van de kandidaat-lidstaten in de eerste plaats geholpen worden bij de implementering van het 'acquis communautaire' (30% van het Phare-geld). Ten tweede is er een grondige aanpassing van de plaatselijke industrie en infrastructuur nodig om aan de Europese normen te kunnen voldoen (70% van het Phare-geld). Wat de drie niet-kandidaat-lidstaten betreft, blijft Phare steun verlenen bij de overgang naar democratie en de vrije markteconomie. Vanaf 1 januari 2000 zijn er, naast Phare, nog twee andere elementen voor de kandidaat-lidstaten. Ten eerste is er hulp voor de ontwikkeling van de landbouw (SAPARD) die 500 miljoen euro per jaar zal bedragen. Ten tweede is er structurele hulp die oploopt tot 1 miljard euro per jaar (ISPA). De uitdagingen voor de periode 2000-2006 zijn versterking van het acquis communautaire en de sociale en economische samenhang. Het Phare-programma zal meer en meer evolueren naar een Structuurfonds. Voor de periode 200-2006 is Phare begroot voor 1,5 miljard euro per jaar. Begunstigden Deze steunmaatregel staat open voor bevoegde instanties en personen in de lidstaten van de Europese Unie. De ondernemingen waarvan de hoofdadministratie, de hoofdzetel en/of de maatschappelijke zetel op het grondgebied van één van de lidstaten of van de begunstigde staten is gelegen, zullen in aanmerking genomen worden. Derde landen mogen deelnemen na goedkeuring van de Commissie die de aanvragen geval per geval onderzoekt. Projecten Volgende projecten komen in aanmerking: - technische, commerciële en financiële samenwerking; - samenwerking op gebied van economie, leefmilieu, infrastructuur, opleiding en vorming; - participatie in een joint venture; - andere samenwerkingsverbanden; - ... Diversen Het Phare-programma maakt deel uit van een ruim pakket van initiatieven van de Europese Unie voor Midden- en Oost-Europa. De steun die onder Phare wordt verleend, wordt ofwel rechtstreeks door de Europese Unie gefinancierd onder de vorm van subsidies ofwel door cofinanciering met de lidstaten, de Europese Investeringsbank,

Subsidiewegwijzer 2003

167

derde landen, multilaterale instellingen of de ontvangende landen zelf. De omvang van de bijstand van de Europese Unie hangt af van project tot project en van de wensen van de diverse betrokken landen, alsook van de eventuele andere betrokken partners. Men onderscheidt nationale programma’s, meerlanden-programma’s en grensoverschrijdende programma’s. Types van programma's binnen Phare: - Nationaal programma: 80% van het budget. De meeste Phare-programma's zijn nationale programma's die bilateraal met elke lidstaat overeengekomen zijn; - Multi-beneficiary-programma: horizontaal programma dat loopt over verschillende landen; - Multi-country programma's; - Cross-border co-operation programma's: Phare Cross-Border Co-operation (Phare CBC) werd opgericht in 1994 om te voldoen aan de specifieke noden van de grensregio's. Het doel is samenwerking tussen regio's aan de grenzen van Centraal- en Oost-Europa en aanpalende gebieden aan de grenzen van de Europese lidstaten. Dit Phare CBC is goed voor 10% van het budget. In agenda 2000 zijn er twee cruciale prioriteiten vastgelegd: - Institutionele opbouw: 30% van het budget. Doel is de democratische instituties, openbare administraties en organisatie aan te passen en te versterken. Twinning, gestart in 1998 is het voornaamste instrument om de institutionele opbouw te verwezenlijken. Via EU-experts wil het de kandidaat-lidstaten helpen om een moderne en efficiënte administratie te ontwikkelen; - Investeringssteun: 70% van het budget. De investeringssteun heeft sinds 2000 twee vormen aangenomen: . investeringen om de infrastructurele noden te versterken. Via deze manier kunnen de 10 landen in regel zijn met het acquis communautaire op gebied van nucleaire veiligheid, transportveiligheid, werkvoorwaarden, consumenteninformatie,…; . investeringen in economische en sociale samenwerking, gebaseerd op een nationaal ontwikkelingsplan. Dit helpt de landen om de instituties te versterken die nodig zijn om de Structuurfondsen te implementeren, die nodig zijn na de toetreding tot de EU. Ook bedrijfsgerichte infrastructuur, human resources ontwikkeling en ontwikkeling van privé-sector horen hierbij. Aanvraagprocedure De afdeling Phare van de Europese Commissie adviseert de Commissie om het project al of niet goed te keuren. In dit kader worden geregeld vragen naar voorstellen gepubliceerd in het 'Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen' en op het Internet. In feite gaat het dus meestal om aanbestedingen, waaraan ondernemingen kunnen deelnemen. Geïnteresseerden (internationale bedrijven, internationale organisaties, Europese federaties, nationale instituten, universiteiten, adviesbureaus, NGO's en individuen) die denken technische of andere bijstand te kunnen verlenen in het kader van de hervorming van de economie in de genoemde landen, kunnen zich wenden tot de vertegenwoordigers van die landen in België. Bij de afdeling Phare kunnen de namen en adressen van de verschillende contactpersonen voor elk betrokken land in Midden- en Oost-Europa bekomen worden. Vlaamse ondernemingen kunnen op verschillende manieren deelnemen aan het Phare-programma: - als reactie op een verzoek tot blijken van belangstelling gepubliceerd in het 'Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen' en op de Europe Aid Co-operation office website (publicaties van aanbestedingen in het kader van Tacis, Sapard, Phare): http://www.europa.eu.int/comm/europeaid/cgi/frame12.pl of in de geregelde publicaties van het Phare- en Tacis-kantoor (Programme and Contract Information); - door in te schrijven op een bericht van aanbesteding van materiaal gepubliceerd in het 'Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen'; - door projecten in te dienen bij de horizontale Phare-programma's, zoals het Phare-programma voor Partnerschap; - ...

Subsidiewegwijzer 2003

168

Bijkomende inlichtingen Information Centre Phare & Tacis Montoyerstraat 19 1000 Brussel Tel.: 02/545.90.10 Fax: 02/545.90.11 E-mail: phare-tacis@cec.eu.int Website: http://www.europa.eu.int/comm/enlargement/pas/phare/index.htm

3.

TACIS-PROGRAMMA

Inhoud steunmaatregel TACIS (Technical Assistance to the Commonwealth of Independent States) werd beslist in december 1990 en werd formeel opgestart in juli 1991 bij verordening van de Europese Commissie. In 1993 werd een eerste aanpassing aan de verordening aangebracht en in 1996 werd een nieuwe verordening goedgekeurd (1279/96). Een nieuwe EG-Verordening 99/2000 van de Raad van 29 december 1999 betreffende bijstand aan de partnerstaten in Oost-Europa en Centraal-Azië, keurt het programma Tacis voor de periode 2000-2006 goed. Het programma heeft tot doel de grensoverschrijdende samenwerking tussen de partnerstaten en de lidstaten van de EU aan te moedigen en te ondersteunen. Er wordt technische assistentie verleend aan Mongolië en de 12 onafhankelijke staten van het GOS, zijnde Armenië, Azerbeidzjan, Georgië, Kazachstan, Kirgizië, Moldavië, Oekraïne, Oezbekistan, de Russische Federatie, Tadzjikistan, Turkmenistan en Wit-Rusland. Het Tacis-programma loopt van 1 januari 2000 tot 31 december 2006 en wil de grensoverschrijdende samenwerking tussen onder andere de partnerstaten en de lidstaten van de Europese Unie aanmoedigen en bevorderen. Het Tacis-programma is vooral gericht op het leggen van de fundamenten van de markteconomie en een democratische samenleving, en het zal vooral een programma van technische bijstand blijven. De Tacisfinanciering ondersteunt acties die via technische bijstand aan onmiddellijke behoeften in de partnerlanden tegemoetkomen. De bijstand wordt toegespitst op bepaalde sectoren en geografisch afgebakende gebieden om als spil en voorbeeld te dienen ter ondersteuning van het hervormingsproces. Hierbij probeert men niet alleen de overheid te betrekken, maar ook de ondernemingen en al diegenen die in het economische leven ervaring hebben. Het hoofdelement van Tacis is gericht op een overdracht van knowhow en expertise aan organisaties in de partnerlanden. Sinds kort is Tacis ook gericht op de promotie van de democratie en op het stimuleren van investeringen in de Tacis-landen. 25% van het budget zal daarvoor uitgetrokken worden. De Europese Unie zal 3.138 miljoen euro uittrekken voor de Tacis-landen gedurende de periode 20002006. Begunstigden Alle natuurlijke en rechtspersonen uit de lidstaten en uit de begunstigde staten kunnen onder gelijke voorwaarden deelnemen aan aanbestedingen en overeenkomsten. Projecten Volgende projecten komen in aanmerking:

Subsidiewegwijzer 2003

169

-

steun voor institutionele wettelijke en bestuurlijke hervorming; steun voor de particuliere sector en bijstand voor economische ontwikkeling; steun voor het aanpakken van de sociale gevolgen van het overgangsproces; ontwikkeling van infrastructuurwerken; bevordering van milieubescherming en beheer van natuurlijke hulpbronnen; ontwikkeling van de plattelandseconomie.

Diversen Het programma neemt de vorm aan van technische bijstand voor de economische hervormingen waarmee de begunstigde staten bezig zijn, meer bepaald bijstand voor maatregelen die tot doel hebben de overgang naar een markteconomie te bewerkstelligen en zodoende de democratie te versterken. Hierbij zijn ook de redelijke kosten voor leveranties inbegrepen die voor de uitvoering van de technische bijstand nodig zijn. Hieronder vallen ook de kosten van de voorbereiding en de tenuitvoerlegging van, controle op en evaluatie van de uitvoering van deze acties, alsook kosten in verband met voorlichting. Er wordt wat betreft de concrete acties rekening gehouden met de wensen van de begunstigden en met milieuoverwegingen. In het kader van de technische bijstand en subsidies wordt voorrang verleend aan: - hervorming van de administratie; - herstructurering van overheidsbedrijven; - ontwikkeling particuliere sector; - vervoer- en telecommunicatie-infrastructuur; - energie; - nucleaire veiligheid; - milieu; - opbouw van een efficiënte voedselproductie; - ontwikkeling van sociale diensten; - onderwijs; - grensoverschrijdende projecten; - kleinschalige infrastructuur in de context van grensoverschrijdende projecten. Voor elk van de begunstigde lidstaten worden zogenaamde indicatieve programma's opgesteld. Vervolgens leggen de Commissie en de TACIS-landen jaarlijks gezamenlijk een aantal concrete prioriteiten vast in de vorm van actieprogramma's binnen de hierboven vermelde algemene prioriteiten, en gebaseerd op de zogenaamde indicatieve programma's. Deze actieprogramma's bevatten een lijst van de belangrijkste te financieren projecten binnen de indicatieve gebieden. De bijstand van de Unie wordt verleend in de vorm van giften, die in schijven worden vrijgegeven naarmate de projecten worden gerealiseerd. Voor leveringen worden aanbestedingen uitgeschreven. Aanvraagprocedure De door de in aanmerking komende landen opgestelde projecten worden door de Europese Commissie beoordeeld, in samenwerking met het Tacis-comité, bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten. Het is aangewezen contact te nemen met de nationale coördinatoren voor de betrokken landen. Ook de indiening van de voorstellen moet bij hen gebeuren. Vlaamse ondernemingen kunnen op verschillende manieren deelnemen aan het Tacis-programma: - als reactie op een verzoek tot blijken van belangstelling gepubliceerd in het 'Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen' of in de geregelde publicaties van het Phare- en Tacis-kantoor (Programme and Contract Information) of via de Europe Aid Co-operation office website (publicaties van aanbestedingen in het kader van Tacis, Sapard, Phare): http://www.europa.eu.int/comm/europeaid/cgi/frame12.pl ; - Tacis Small Project Programmes (SPPS): http://www.europa.eu.int/comm/external_relations/ceeca/tacis/spps2000.pdf ; - door in te schrijven op een bericht van aanbesteding van materiaal gepubliceerd in het 'Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen'; - door projecten in te dienen bij de horizontale Tacis-programma's; - ...

Subsidiewegwijzer 2003

170

Bijkomende inlichtingen Information Centre Phare & Tacis Montoyerstraat 19 1000 Brussel Tel.: 02/545.90.10 Fax: 02/545.90.11 E-mail: phare-tacis@cec.eu.int Website: http://www.europa.eu.int/comm/external_relations/ceeca/tacis/index.htm

4.

TEMPUS (Phare & Tacis & Meda)

Inhoud steunmaatregel Het Tempus-programma is het communautair samenwerkingsprogramma voor het hoger onderwijs, waarmee de Nieuwe Onafhankelijke Staten en Mongolië, de niet-geassocieerde landen in Zuid-OostEuropa en de landen rond de Middellandse Zee worden ondersteund bij de overgang naar een markteconomie en/of de ontwikkeling van een democratische maatschappij, hetgeen in overeenstemming is met de communautaire doelstelling om op een breed terrein met deze landen samen te werken. Er wordt via dit programma naar gestreefd een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van de hogeronderwijsstelsels in de partnerlanden en er de interactie van het hoger onderwijs met de burgermaatschappij en de industrie te bevorderen. Op 29 april 1999 gaf de Raad van Ministers zijn goedkeuring aan de nieuwe fase van het programma, Tempus III. In het programma worden 3 categorieën van landen behandeld: - de Nieuwe Onafhankelijke Staten en Mongolië; - de niet-geassocieerde landen uit Zuid-Oost-Europa, namelijk: Albanië, Bosnië-Herzegovina, Kroatië, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en de federale Republiek Joegoslavië (Republiek Servië, Montenegro en Kosovo); - in 2002 werd het besluit aangepast en ook de MEDA-landen kunnen deelnemen (Algerije, Egypte, Israël, Jordanië, Libanon, Marokko, de Palestijnse Republiek, Syrië en Tunesië). Projecten De hoofdinstrumenten voor samenwerking in het kader van Tempus zijn: - Gezamenlijke Europese Projecten (GEP): . GEP voor de ontwikkeling van curricula zijn gericht op de inhoud van hoger onderwijs en hebben als doelstelling het actualiseren van bestaande leerplannen en het ontwikkelen van nieuwe; . GEP voor institutionele opbouw concentreren zich op het versterken van de democratie en de rechtsstaat middels het ondersteunen van de ontwikkeling van vitale maatschappelijke sectoren buiten de academische wereld. - netwerkprojecten: deze zijn gericht op het bevorderen van samenwerking met het oog op het creëren van synergie en het verspreiden van de beste resultaten; dergelijke projecten spelen een sleutelrol bij regionale samenwerking; - individuele mobiliteitsbeurzen (IMG). Diversen Onder Tempus III komen kandidaat-lidstaten uit Midden- en Oost-Europa niet langer in aanmerking voor Tempusfinanciering. Deze landen komen nu allemaal in aanmerking voor deelname aan Socrates

Subsidiewegwijzer 2003

171

en Leonardo. In het kader van Tempus III zal echter worden getracht om de banden met deze groep landen in stand te houden door hun ervaringen en knowhow aan de partnerlanden door te geven en hen op die manier nauw bij het programma te betrekken. Na hun toetreding nemen deze landen deel zoals de andere lidstaten van de EU. Bij Tempus wordt een “bottom-up” benadering gekoppeld aan een “top-down”-benadering, wat inhoudt dat enerzijds op de specifieke behoeften van individuele universiteiten in de partnerlanden wordt gereageerd en anderzijds de nationale overheden van deze landen en de Europese Commissie middels het vaststellen van nationale prioriteiten, het kader voor het programma definiëren. Teneinde te waarborgen dat Tempus-activiteiten inspelen op de specifieke behoeften van het hoger onderwijs in de partnerlanden, heeft elk partnerland samen met de Europese Commissie prioriteiten vastgesteld die aansluiten op de algemene doelstellingen van Tempus en op het nationale beleid voor de ontwikkeling van het hoger onderwijs. Aanvraagprocedure Het Tempus-programma wordt per academiejaar ten uitvoer gelegd. Voor elk academiejaar stelt de “Europese Stichting voor Opleiding” in Torino, die de Europese Commissie technische bijstand verleent bij het beheer van het programma, een “Gids voor Aanvragers” ter beschikking. Deze gids bevat de voorwaarden tot deelname en de afsluitdata voor het indienen van de kandidaturen in het kader van de verschillende activiteiten van het programma. Hij bestaat in alle officiële talen van de Europese Unie en kan op het Internet teruggevonden worden: (http://www.europa.eu.int/comm/education/tempus/home.html en http://www.etf.eu.int/Tempus) Voor IMG-aanvragen zijn 3 deadlines per jaar, voor GEP-aanvragen is er 1 deadline.

Bijkomende inlichtingen Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Onderwijs Administratie Hoger Onderwijs – Internationale Zaken Johan Geentjens Koning Albert II-laan 15 1210 Brussel Tel.: 02/553.98.13 Fax: 02/553.98.45 E-mail: johan.geentjens@ond.vlaanderen.be

Subsidiewegwijzer 2003

172

TREFWOORDEN Activaplan ACS-landen Adapt Adviescheques Al-Invest Alternerend werken en leren Arbeidsduurvermindering Asia-Invest Banenplan voor werkzoekenden BDBH Bedrijfsadvies Bedrijfsadviseurs Bedrijfsopleiding Belgische Dienst voor de Buitenlandse Handel (BDBH) Bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector Binnenvaart Biotech Fonds Vlaanderen Biotechbedrijf Business Angel + Buy-ins Buy-outs Centraal- en Oost-Europa Centrum voor de Ontwikkeling van Ondernemingen (COO) Cevora CIRR-rente Collectieve opleidingen Comité voor de financiële ondersteuning van de export (Finexpo) COO Coördinatiecentra Cost plus-methode Dienstencentra Distributiecentra Diversiteitsplannen Doelstelling 1 Doelstelling 2 Doelstelling 3 Ecologie-investering EFRO EIF EOGFL Equal ESF ETF-startersregeling Eureka Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) Europees Investeringsbank (EIB) Europees Investeringsfonds (EIF) Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw - Afdeling Oriëntatie (EOGFL) Europees Sociaal Fonds (ESF) Expansiesteun Export Vlaanderen Exportgerichte initiatieven Exportkredietverzekering Exportpromotieprogramma Exprom Externe bedrijfsadviseurs Federaal Agentschap voor de Buitenlandse Handel

Subsidiewegwijzer 2003

173

Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV) Finexpo Gateway to Japan GIMV Globale kredieten Groeikapitaal Grote Ondernemingen, GO Haalbaarheidsstudies Halftijds brugpensioen HOBU-Fonds Inbreidingssteun Individuele beroepsopleiding Individuele kredieten Industrieel basisonderzoek Innovatie Innovatiesamenwerkingsverbanden Inschakelingspremie Instaplening Instituut voor de aanmoediging van innovatie door Wetenschap en technologie in Vlaanderen (IWTVlaanderen) Instroomprojecten Interact Interfaceprojecten Internationale samenwerking Interreg Intresbonificaties Investeringsaftrek Investeringsmaatschappij voor Vlaanderen (GIMV) IWT-Vlaanderen Jobrotatieprojecten Jongeren, aanwerving Kapitaalpremie Kleine ondernemingen, KO KMO-adviseur KMO-Innovatieprojecten KMO-programma Langdurige werklozen Leasingpremie Leereilanden Leertijd Leningen van staat tot staat Life III Loopbaanonderbreking Matrix-adviesnetwerk Media Plus Middelgrote ondernemingen, MO Milieuvriendelijk MKB-garantiefaciliteit Nationale Delcredere Dienst Ondernemersopleiding Onroerende voorheffing, vrijstelling van Ontwikkelingszone Opleidingscheques Opleidingskrediet Overdrachtlening Overeenkomsten werk-opleiding Overgangsregeling O&O-projecten Participatiefonds

Subsidiewegwijzer 2003

174

Personen met een handicap Peterschapsprojecten Phare Phasing out Plan Rosetta voor zelfstandigen Plus-Eén-Plan Progresslening ProInvest Prototype-onderzoek Prototype-ontwikkeling Rentbackovereenkomsten Rentetoelage Rentevoet, stabilisering Resale minus-methode Richtlijnen VL7.2 Risicodragend kapitaal Sale- en leasebackovereenkomsten Samenwerkingsprogramma Vlaanderen met Centraal- en Oost-Europa Sectorale vormingspremies Sociale Maribel Solidaire lening Startbanen Starters Starterssteun Startkapitaalactie Startlening Strategisch Basisonderzoek Structurele vermindering Structuurfondsen Supersubsidie Tacis Tempus Urban VDAB Venture Capital Vierdagenweek Vijfde Kaderprogramma VITO VIZO Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen (VIZO) Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO) Vlaamse uitrustingsgoederen Vlarem Voortgezette vorming Vormgeving Vorming Waarborgen van beroepskredieten Waarborgen van risicokapitaal Waarborgfonds Werk-opleiding, overeenkomsten Zachte steun Zorgkrediet 50+

Subsidiewegwijzer 2003

175

You're Reading a Free Preview

Download
scribd
/*********** DO NOT ALTER ANYTHING BELOW THIS LINE ! ************/ var s_code=s.t();if(s_code)document.write(s_code)//-->