P. 1
Samenvatting GRAFICOM

Samenvatting GRAFICOM

|Views: 1,117|Likes:
Published by Niek Godfroid

More info:

Published by: Niek Godfroid on Dec 27, 2011
Copyright:Attribution Non-commercial

Availability:

Read on Scribd mobile: iPhone, iPad and Android.
download as DOCX, PDF, TXT or read online from Scribd
See more
See less

05/23/2013

pdf

text

original

GRAFISCHE COMMUNICATIE

pg 14-16 (stijlcirkels) Deze bekijk je het beste in je boek aangezien het cirkels met afbeeldingen zijn, de illustratiecirkel zal je nog wel herkennen uit het eerste jaar. Verder zou er op Dilheas nog een powerpoint (Typo 3) over moeten komen. Pg 19 (Schema : bladspiegel-zetspiegel) De begrippen tussen haakjes () gaan over tekst terwijl beeldveld over beelden gaat. Beeldveld (zetspiegel) = de ruimte ingenomen door het beeld Beeldomgeving (bladspiegel) = de ruimte rondom het beeld) Beeldinhoud (leesbaarheid) wat stelt het beeld voor ? Bekijkafstand (leesafstand) De ideale bekijkafstand = 2 maal de diagonaal van het oppervlak dat men bekijkt Fragmentarisch waarnemen = slechts een gedeelte van het beeld waarnemen aangezien je niet op de ideale bekijkafstand kijkt. Bv. doubléspread in magazine, affiche op straat, de eerste rij in de cinema. (begrip 1ste jaar) Pg 21-22 (Fixatiepunten/oogfixatie-oogcamera/eyetracking Poynterinstituut) Een optisch punt = beeld dat op de voorgrond treedt of gebracht is door de fotograaf en waar je je aandacht naar vestigt Fixatiepunten = een verzameling van optische punten doorheen een drukwerk (zie afbeelding p21) Pg 33 (Postscript/RIP) Hier staat een kort stukje tekst uit een kader Het werk wordt doorgestuurd naar de Raster Image Processor (RIP) die de PostScript instructies converteert nar een bitmap-beeld in de resolutie van het geselecteerde afdruktoestel. Als er problemen zijn met de output komen zij meestal in dit stadium voor. Zich baserend op het foutbericht zal de bedienaar van de lasterbelichter proberen de oorzaak van het probleem op te sporen en het te verhelpen vooraleer opnieuw te belichten. Uit wikipedia: PostScript is een paginabeschrijvingstaal (page description language of PDL), oftewel een programmeertaal om tekst en afbeeldingen op een apparaatonafhankelijke manier te beschrijven. Zo zou een PostScript-bestand in principe door iedere laserprinter hetzelfde geprint moeten worden. Uit de les: Truetype = bv. een programma zoals Word, een tekstverwerker dus Opentype = alle systemen (dus postscript + truetype)

P38 Grafimedia of 33 P’s of crossmediaschema (staat niet in zijn “te kennen lijst” maar wel in zijn slides, dit schema zeker bekijken in je boek dus) Pg 39 (Typografie, het vormgeven van tekst) Neem ook je slides typo 1 erbij 1

Taal (instrument waarmee wij kunnen denken,spreken en schrijven) krijgt vorm door tekst (brengt woorden in een zichtbare orde en maakt ze verstaanbaar). De verschijningsvorm van tekst is het schrift dat zowel auditief (vast gelegde spraak) en visueel (geschreven woord, gedrukte pagina). Typografie = een hulpmiddel om een tekst en het schrift een beeldend karakter te geven dit zorgt dus voor leesbaarheid. Typografie wordt bepaald door het soort tekst. Een boek, krant, formulier of brochure,.. De vormgeving van de tekst bekrachtigt de inhoud of de boodschap van de tekst. Tekst is daarom steeds beeld, het beeld steeds taal. In je slides en je boek vind je de definitie van typografie door Stanley Morison, moet je niet van buiten kunnen zeggen maar dit helpt je het begrip verstaan. Desktop publishing Vroeger werd de tekst op de Mac niet-proportioneel weergegeven. Alle letters hadden net zoals op een schrijfmachine dezelfde ‘ruimte’ ter beschikking en worden om die reden ook monospace genoemd. Nu is er toch het proportionele schrift. Linotype gaf nog meer begeerde schatten aan het volk: populaire lettertypes als univers, futura, gill. Ze konden in postscriptformaat gekocht worden en linotype beloofde om op termijn de hele letterbibliotheek of typotheek beschikbaar te maken voor DTP. Met de komst van Adobe Illustrator kon ook het teken- en illustratiewerk op de computer gericht worden. DTP werd pas echt interessant toen men opgemaakt pagina’s compleet met het bedrijfslogo kon laten uitdraaien  X-acto mesjes in de kast en vervangen door X-press menu’s.

Kopij en kopijvoorbereiding
Het manuscript, dat door zetters en drukkers kopij wordt genoemd= basis van elk te reproduceren tekstdocument. Manuscriptvoorbereding dient zowel redactioneels als zettechnisch te gebeuren: Redactionele kopijvoorbereiding: zodanig voorbereiden van tekst- en beeldmateriaal, dat op basis van instructies het verdere grafische verloop kan gebeuren. Soms moet manuscript worden bijgeschaafd door redacteur, tekstschrijver of copywriter, in functie van bv. Beschikbare lay-outruimte.

2

Soorten kopij
 Handgeschreven kopij Het kunnen toevoegingen zijn aan getypte of geprinte kopij, correctie maar ook haastig gepende artikels voor wijk-of dorpskranten, personeelskranten, … Nadelen: - Slecht leesbaar - Dubbelzinnig - Interpreteerbaar - Alles moet overgetikt worden Geprinte of gedrukte kopij = getikte kopij Men kan de tekst inscannen en nadien via Optical Character Recognition software terug omzetten in editeerbare tekst. Zonder OCR is de scan van een tekst een beeld, en beelden zijn niet bewerkbaar als tekst. Bij het uitprinten is het belangrijk dat er een voldoende hoge resolutie is. Deze resolutie wordt uitgedrukt in het aantal beeldpunten per inch = dpi = dots per inch De courante resolutie v laserprinter = 300 – 1200 dpi Met een laserprinter kan je in de plaats van papier ook film verwerken. Zo zie je bij kleinere drukkerijen de tendens onstaat om documenten rechtstreeks af te drukken op een kalk met een 800 dpi lasterprinter. De film hoeft niet belicht te worden, want de teksten op de kalk kunnen direct op een drukplaats gekopieerd worden. Dit is slechts voor eenvoudig tekst- en labeurwerk. De courante resolutie laserbelichter = 2540 – 3250 dpi De hoeveelheid afgedrukte punten per vierkante inch is het kwadraat van dpi. Een 300 dotsprinter schrijft dus met een nauwkeurigheid van 90.000 puntjes per vierkante inch.  Digitale kopij Desktop publishing en het gebruik vd informatica voor tekstverwerking  digitale kopij Er zijn 2 mogelijkheden - Op elektronische dragers plaatsen zoals cd-rom of dvd - Via datatransmissie doorsturen zoals via e-mail of datalijn. Nadeel: weigert soms grotere bestanden Voordeel: brede verspreiding

Kopijberekening
Heel wat tekstverwerkingsprogramma’s op pc geven meteen het aantal tekens van de kopij a an. deze omvangbereking is van belang als een tekstschrijver gebonden is aan redactionele ruimtebeperking zoals aantal pagina’s of aantal tekens. Een typograaf, lay-outman, opmaker of vormgever bereiden de redactioneel voorbereide kopij typografisch voor. Zij bepalen blad- en zetspiegel, zetbreedte, zetwijze,.. Een redactioneel goed voorbereide kopij is kostenbesparend en bevordert de productiesnelheid. 3

typografie is wetenschap
Er zijn 2 groepen die theoretische typografieonderzoeken uitvoeren:  vormgevers zij richten zich op het middelenonderzoek. ze gaan zich dus richten op de uitdrukkingsmogelijkheden die techniek en media nu aanbieden. bovendien scheppen ze ook nieuwe mogelijkheden door variatie en combinatie van middelen functieonderzoek Zij gaan na hoe het informatie- en communicatieproces verloopt via al deze uitdrukkingsmiddelen en hoe het leest

Deze 2 onderzoeken worden uitgevoerd aan de hand van de semiotiek. Voor de typografie komt dit neer op:      wat hebben we aan typografisch uitdrukkingsmiddelen? Waar? Wanneer? Hoe? Kun je ze toepassen Wat is dan het effect?

Na semiotiek volgt het syntactisch onderzoek, waarbij het om de inventarisatie van tekens en combinatieregels gaat. Er worden antwoorden gezocht op volgende vragen:     Hoe komt de lezer te weten waar hij het eerst naar moet kijken? Hoe moet hij dan verder de tekst volgen? Is het duidelijk welke tekst bij welke illustratie hoort? Hoe is typografische organisatie te gebruiken als een middel om de lezer te geleiden?

Bovendien wordt de semantiek ook bestudeerd. Hier onderzoekt men de betekenissen van de code en de mogelijkheden voor ontcijfering. Bovendien ook de bijbetekenissen. Door het gebruik van een lettertype of opmaak met een uitgesproken karakter, kan de lezer iets duidelijk gemaakt worden nog voor hij met het lezen is begonnen = typografische gestalt De semiotisch studies hebben ons tot nu toe classificaties van typografisch middelen opgeleverd = typografisch repertoire. Hierin zitten: gevormd door een complete letterfa milie, van mager via normaal, halfvet en vet ,… Maar ook de ruimte tussen letter en regels en het wit rondom tekst zijn in het repertoire opgenomen = typogrammen of typografische matrix Het min aan vormgeving kan te weinig zijn. De lezer heeft graag meerdere sleutels ter ontcijfering van de code. De zekerheid dat de informatie overkomt neemt dan toe. Het meest omstreden punt = semantische bijbetekenissen. De discussie hierover wordt gevoerd naar aanleiding of vormgevers met een dergelijk behandeling van tekst de informatieoverdracht hinderen omdat ze subjectief kunnen zijn. Ze bepalen voornamelijk de sfeer en kunnen alles manipuleren. De lezer mag niet beïnvloed worden! 4

Taal is helaas manipulerend. Oog in oog met de lezers kan je als vormgever vertrekken va n de volgende basisvragen:       Hoe is de tekst samengesteld, van welke aard is de inhoud? Is de tekst lang of kort? Opbouw, eenvoudig of complex? Taal moeilijk of gemakkelijk op te nemen? Hoe zal de stof verwerkt worden? Is er sprake van haast of rust?

Typografie is vooral kijken, maar ook meten. er bestaan 4 maatsystemen:     metriek/ decimaal didot pica inch stelsel

Vroeger was de Parijse lettergieter F.A didot de grondmaat voor het typografisch puntenstelsel. hij vormde 12 punten tot een eenheid = cicero Later bracht de duitse letterfabrikant H. Berthold het ditosysteem in overeenstemming met de meter 1 cicero 1 punt =12 didotpunten = 0.37606 = 4.5 mm = 0.375 =0.1776

De komst van Angelsaskische fotozetmachines, waarvan het letterbeeld en het regelstransport niet waren aangepast aan het didotsysteem, maakten van de- iets kleinere- 12- delige pica een belangrijke maat in het europees didotgebied. 1 pica 1 picapunt = 12 picapunten =0.35146 =4.2 mm =0.350 mm =0.1666

Nieuwe maat = postscript-punt Velen denken dat er in PostScript met picapunten gewerkt wordt. Dit is niet zo vreemd, want het verschil tussen pica- en PSpunten is bijzonder klein.

Uitgangspunt voor de PS-punt is de inch. Deze deed haar intrede met de elektronische schrijfmachines, computers, printers,… door de inch te delen door 72, kwam men tot nieuwe maateenheden: 1 inch 1 postSpript punt 1 mm =72 ps-punten = 0.35278 = 2.65 didotpunt =25.4 mm =6 pica’s =0.350 mm =2.83 of 2.85 picapunt/ ps-punt

5

Het letterbeeld of waarom een a geen A is en ook geen a
Vormparameters van de letter
Er bestaan talloze letters die zich op basis van 8 uiterlijke kenmerken of vormparameters van elkaar onderscheiden: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. Boven en onderkast Schreefloos of geschreefd Letterhelling Lettergradatie of gewicht Letterhoogte x-hoogte letterbreedte contrast

1. Boven en onderkast
1e onderscheid is het verschil tussen boven en onderkastletters. Maw het verschil tussen hoofd/kapitaalletters en kleine letters Maw: bovenkast = hoofd/kapitaalletters = H onderkast= kleine letters = h Teksten in kapitalen/bovenkast zijn minder goed leesbaar dan teksten in onderkast/kleine letters, dit omdat het oog letters vooral herkent aan het bovenste gedeelte. Bvb 1 DIT ZIJN LETTERS IN BOVENKAST Bvb 2 Dit zijn letters in onderkast Bij voorbeeld 1 vormen de bovenkant van de letters één rechte lijn. Bij voorbeeld 2 is de bovenkant verschillend. De ‘t’ komt veel hoger dan de ‘e’. De letters zijn dus beter identificeerbaar. De stokken van de onderkastletters werken als ankerpunten voor oogfixatie. Zij helpen het oog bij de oogboogwaarneming. Ze zorgen ervoor dat wij letter voor letter lezen. Naast boven en onderkastletters treffen wij ook kleinkapitalen aan. Deze zijnongever even hoog als de x-hoogte van een onderkastletter. Nota: Kapitaalhoogte is tegenwoordig de norm om de grootte of corps van een letter te meten omdat bij veel lettertypen de stokletters boven de kapitalen uitsteken.

2. Schreefloos of geschreefd
Schreefloos= letters zonder voetje Geschreefd= letters met voetje Kenmerken schreefloos - Hebben vooral een verticale werking. Doordat het oog geen houvast heeft valt het als het ware door de tekst.

6

Bv: krant ‘Trouw’ volledig schreefloos gezet en boet hierbij geenszins aan leesbaarheid in doordat bij krant vooral verticale leesbaarheid voorpstaat Kenmerken geschreefd -Geschreefd hebben een betere leesbaarheid omdat ze oog een horzitontale houvast bieden en door hun horizontale werking een rustige indruk geven. -vragen om meer letterspatie wegens de geschreven of m.a.w. geschreefde letters zorgen vor langerlopende teksten. Vossen vroeg om letters in 1 van de 6 volgende groepen te kunnen plaatsen en uit te leggen op het eamen waarom. Hier komen de 6 groepen.

Boekletters Mediëval-soorten (oud) - Geleidelijk overgangen tussen dik en dun - Driehoekig schreefvariaties - Goed leesbaar

f
f
- open

Bondoni-achtige (modern) extreem dik-dun contrast strakke horizontale haarlijnschreven letteroog Gelijkledige letters Schreefloze - geen schreef of voetje - lijnen die even dik ogen - gelijkledige letters Geschreefde of Egyptiennes - dik-dun contrast minimaal - schreven rechthoekig of vierkant Scripten - met pen - vluchtig - dynamisch Fantasieletters - voor reclamedoeleinden - korte levensduur - leesbaarheid minimaal - fantasie vertaalt in vormelijke aspecten

f
f

3. De letterhelling
Het in lood vastgelegde schoonschrift van de italianen werd door de italiaanse drukker Aldus Manutius verwerkt tot de Italiek, een naar rechts hellende letter. 7

De Italiek werd afgeleid van de romeinen, de rechtopstaande basisvorm van een letter. Reden voor italiek? => Een cursieve letter neemt minder plaats in dan een romein. Men dacht paginavolume van een boek te reduceren. Helaas leest een tekst in italiek minder goed. Gebruik van italiek Schuin heeft steeds het idee van iets afwijkens ( een scheve schaats rijden, iets met een scheef oog bekijken, een schuine mop) De italiek wordt dan ook gebruikt om iets te accentueren. Bij de meeste lettertypes is een apart font voor de italiek voorhanden. Is dit niet het geval dan wordt de romein al eens elektronisch gecursiveerd of gelanst ( elektronisch schuinzetten). Letters kunnen wij zo voor- of achterover laten hellen. Een romein kunnen wij cursiveren onder een helingshoek zodat een cursieve romein ontstaat.

4. Lettergradatie of gewicht (weight)
Een letterserie die hetzelfde basisontwerp heeft kan in gradatie of gewicht verschillen. De gradatie of gewichtsverschillen w bepaald door de verschillen in lijndikte of lijnvorming. ( dus al dan niet vet zetten etc) Voor voorbeelden hiervan zie pagina 59 Lettervervormingen De digitalisering van het letterbeeld maakt het daarenboven mogelijk nog eens extra op allerlei manieren te vervormen. Bv: Horizontaal & vertivaal rekken, versmallen, verbreden, samendrukken, … . Omtreklijnvariaties van de letter: contouren en schaduw In reclametaal noemt men deze letterversies outline en shadowletters Gebruik: in kleurenwerk om kleuren scherper van elkaar te scheiden als gekleurde letters op een kleurvlak geplaatst worden. outline = de omtrekcontour van de letters w aan de buitenkant beschreven. De letters worden aangedikt. Inline: lettercontouren worden aan de binnenkant beschreven. Een afslakmiddel dus. 5. Letterhoogte *Vroeger: ->corps: afkomstig uit loden tijdperk, waarbij de loden letters driedimensionaal waren. *Nu: ->gedrukte, fotografisch gezette of lasergeprinte DTP-letter zijn tweedimensionaal. ->moeilijker te meten dan de loden letters aangezien het hier om een twee dimensionaal 8

onderwerp gaat waarop men een meeteenheid met driedimensionale oorsprong wil toepassen. ->bekijk onderaan p61 de afbeelding! *Lettercorps: is theoretisch gezien de letterhoogte gemeten van de bovenkant van de stokletter tot de onderkant van de staartletter of de grootte van het corps is het minimale regeltransport voor een bepaalde beeldhoogte, zodat de staartletters van een regel en de stokletters op de volgende regel elkaar juist niet raken. *Typometer: de optische hoogte van een letter wordt hiermee gemeten. *Kapitaalhoogte: lettergrooottenorm wordt hierdoor bepaald. *Uitgaande van de letterhoogte worden corpsen ingedeeld in de: o Consulteer of zoekcorpsen = 4-8 punt Gebruikt voor: voetnoten,telefoongids,naslagwerken o Leescorpsen = 9-12 punt gebruikt voor: leesteksten zoals boeken,kranten,tijdschriften o Broodletter ->broodtekst = platte, gewone doorlopende tekst, gebruikt in catalogus,brochure,boek. ->tegenovergestelde van smoutletters/displayletters: sier/fantasieletters voor titels en koppen. o Titelcorpsen = 14-… punt gebruikt voor: koppen,titels,headlines in advertenties o Kijk-,affiche-of displaycorpsen= 48-… gebruikt voor: affiches,showkaarten *Corpskeuze hangt af van: -Leesafstand -Leestempo en leesvaardigheid -Doel -Regellengte (55-65 tekens/ 33tekens per kolom)

6. X-hoogte
x-hoogte = de hoogte van de letter in onderkast,uitgedrukt met de hoogte van de letter x.  Als men per lettertype dezelfde corpsgrootte gebruikt, kunnen er toch grote verschillen zijn: vandaar 6e uiterlijke kenmerk waarin letters zich van elkaar onderscheiden. ->ZIE AFBEELDING P 63

7. Letterbreedte
*Letterbreedte: de breedtelaat van een tellerteken, kan variëren van letter tot letter en van lettertype tot lettertype. *Letterbreedte: wit vlees= hoeveelheid wit rondom de letter om ritmisch en evenwichtig gespatieerd te worden.->zie p63(het zwart rond de E is het vlees) *Typografisch vierkant: een denkbeeldig vlak dat even hoog en breed is als het corps. Het vierkant is ingedeeld in een aantal eenheden dat varieert van fabrikant tot fabrikant. 9

*Letteroog van een letter = Bepaalt optisch de breedte van een letter. De binnenvorm van een gesloten letter (b,d,p,o,a,e).  Letteroog+Letterbreedte bepalen het 7e uiterlijke kenmerk van een letter samen met het smal of breedlopend karakter van een lettertype. *Invloed letteroog op: -volume v/e gezette tekst -leesbaarheid -grijswaardenverhouding v/e tekst ->Bijvoorbeeld telefoonboek: typisch voorbeeld waarbij letterbreedte en leesbaarheid goed in evenwicht moeten zijn. Speciaal lettertype werd hiervoor ontworpen.

FONT p66
=een compleet lettertype bestaat uit 1 variant, een zogenaamde FONT. (bestaat uit 100-228 letters en tekens). = een font is een complete softwareset van tekens die bij een bepaalde lettervariant horen. Het complete digitale alfabet in kapitaa, onderkast,cijfers,leestekens,.. 1.Letterfont = een enkele stijl, gradatie of gewicht en grootte van een lettertype. Bv. helvetica vet 12 punt. Stel helvetica vet extra-vet 10 punt is een andere font,maar behoort tot dezelfde familie. 2.systeemfont(=fontformat) =bestaat uit 2 belangrijke componenten: printerfont + schermfont ->printerfont: draagt zorg voor een ideale afdruk op papier ->schermfont: verzorgt een zo getrouw mogelijke weergave op de monitor. 2.1 Printerfont-postscript *Gebruik voor: tekeningen en speciale tekens, die slechts eenmaal of beperkte aantal malen in 1 document worden weergegeven. Deze techniek is te tijdrovend voor normale lettertekens die vaak moeten gebruikt worden. *techniek: fontsysteem om letters als onderdeel van een postscript-file te belichten. 1)letters en tekens vooraf definiëren en opslaan in geheugen van RIP(postscript raster image processor). 2)informatie over tekens + letters naar printer –rip gestuurd. 3)letters+ tekens worden verstuurd als vector, outline,contourfont van computer naar printer. 4)Printerresolutie: bepaalt de uitvoerkwaliteit v/e printerfont ->hoe hoger die resolutie,hoe scherper de letter. 5)letterbeeld: moet net zoals de beeldreproductie scherp zijn, is afh. Van de uitvoerkwaliteit v/d printer. 2.2 Schermfont =de standaardgroottes zijn bijna altijd de corpsen 9,10,12,14,18,24. Alleen voor speciale lettertypes kan hiervan worden afgeweken. Elk van deze corpsen is in pixels getekend om het letterbeeld van de printer zo dicht mogelijk te benaderen. ->langzaam maar zeker wordt postscript verdrongen door het PDF formaat en de opentype-fonts. 2.3 truetype font 10

=Verschaalbaare outlinefonts zoals postscript-fonts maar zij worden met een ander mathematisch systeem beschreven. Voordeel: eenvoudige en goedkopere printers binnen de kantooromgeving. Nadeel: geven problemen bij het uitdraaien of printen op een postscript-printer/belichter. 2.4 opentype =extensie van het truetype fontformat om de verschillen tussen truetype en postscript op te heffen. ->wil gesloten fonttechnologie openbreken met het oog op webontwikkelingen. *kenmerken opentype: -zonder conversie te gebruiken op zowal Apple als windows computers. -unicode-codering voor zeer uitgebreide ondersteuning van internationale tekensets -geavanceerde typografische mogelijkheden voor het positioneren en automatisch vervangen van speciale tekens zoals symbooltekens of kleinkapitalen. 2.5 dynamic fonts ->de gebruiker ziet op zijn scherm het document precies zoals de ontwerper wil dat de eindgebruiker het zal zien. *nadeel: door de veiligheidstechnologie kunnen bestanden met dynamic fonts wel worden gedwonload maar de verankerde fonts niet kunnen worden gekopieerd door de eindgebruiker. hoe oplossen? ->de adobe flash brengt teksten,afbeeldinge,geluid in één enkel bestand samen. *voordeel: de bestandsgrootte ligt gemiddeld 35% lager dan dezelfde elementen in bv. GIF’s. Rekening houdend met het feit dat het net zo klein mogelijke bestandgroottes vraagt. 3.Vormfont p 69 =als je teksten typografisch aantrekkelijker wil maken moet je over een ruimer tekenaaobd dan het normale alfabet kunnen beschikken. 3.1 Expert-font *Wat vind je terug in de expert-fonten van klassieke geschreefde boekletters: -echte kleinkapitaaltjes -accenttekens -ligaturen(combinaties van meerdere letters die met elkaar verbonden zijn, zoals oe) -sierletters -breuken -medieval/uithangende cijfers(lijken op onderkastletters+ passen beter bij de standaard tabelcijfers met hun stokken en staarten). - superieuren(verhoogd staande cijfers of exponenten). -inferieuren(verlaagd staande cijfers of indexen.  Zie voorbeeld p 70 bovenaand(xb²) 3.2 symbool-font =letters zijn geen letters meer. ->sommige tekens en symbolen zijn sterk themagebonden. gebruikt voor: astronomische,wiskundige, chemische,muzikale toepassingen.

11

Vb. ζ,ε,ψ,√,↑,◊ Alsook voor logo-ontwikkelingen. Vb.

3.3 fontographer =een bestaand font wijzigen of een eigen font creëren. bv.je handschrift in een font omzetten. bv. om een bedrijfslogo als letterteken op je toetsenbord te plaatsen. 4. systeem vormfont p 70 -> de vorm van de font wordt programmatorisch bepaald. 4.1 multiple masterfonts =een kneedbaar font dat oneindig veel verschillende variaties kan aannemen binnen bepaalde grenzen. -> je kan ook twee totaal verschillende MM-fonten (een geschreefde en een schreefloze) in elkaar laten overgaan. =morfen: naar elkaar toe laten berekenen ->resultaat: serie hybride of bastaardletters. 4.2random font =experimenteren,werken met een toevalsgenerator die de postscript taalgrenzen verlegt. vb.beowolf is een letter die nooit 2x zelfde manier wordt geprint/belicht door het ingebouwde toeval. 5. fontconflicten p 71 1)als je van font verandert, kan er een mengvorm ontstaan zonder dat je dat wil. Bv. huisstijl gekozen letter in de VSA kan bij het gebruik van andere zetapparatuur in Europa opmerkelijke verschillen tonen. Vandaar belangrijk steeds de letterfabrikant te vermelden. 2)als je een file die met truetype fonts gezet word op een postscript belichter wil laten belichten bv. ms-word documenten kunnen door een drukker niet op film belicht worden. 3) digitale fonten hebben elke een vijfcijferig identificatienummer. Pc’s raken in de war als 2 lettertypes hetzelfde identificatienummer hebben en met elkaar in conflict komen. 4) 2xhetzelfde lettertype maar van andere leverancier, kan zorgen dat teksten anders verlopen doordat het ingebouwde letterwit van beide leveranciers veschillen. vb.pagina 72!!! ->resultaten van fontconflicten verraden zich in drukwerk meestal door het verschijnen van de courier op plaatsen waar je dit niet echt verwacht. Zie vb.3 pagi Fouten herkennen (p. 72) 12

Bekijk zeker de afbeelding in je boek! 1) Lettertype van verschillende leverancier kan verschillen door de kerningtabellen (ingebouwde wit) -> tekst zal anders verlopen 2) Lettertype dat je via stijlmenu vet zet is niet gelijk aan een lettertype dat bold is -> dikte-, grootte- en breedteverschil 3) Bepaald lettertype kan ontbreken bij belichting, dan verschijn een vervangingsfont, namelijk Courier 4) Bij onderlijn functie van stijlmenu worden staarten van letters doorgesneden, bovendien is lijndikte niet aanpasbaar, beter onderlijnen via alinealijnen-menu (heel precies en met aanpasbare lijndiktes) 5) Conversieproblemen merk je aan ongewone accenten die er horen Wat is de grijswaarde van een pagina? (p. 73) De totaalindruk van een tekstpagina is en grijsindruk. In grijs bestaan echter vele tinten zoals er variaties van wit bestaan. Het zijn vooral de ‘witmakers’ die het grijsbeeld zullen bepalen. Om een reëel paginabeeld te krijgen van de grijswaarde van een pagina moet je hem wel met hoge printresolutie laten uitdraaien op fotografisch papier of een hoge resolutie laserprinter (1200 dpi) Blindtekst/Lorem ipsum (p. 75) Wordt gebruikt bij letterproeven, Latijn bevat weinig stok- en staartletters en geeft daardoor het mooiste tekstbeeld. Voordeel in België : universeel, sluit geen taalgroep uit *Letterproeven = lettercatalogi, geven overzicht van beschikbare lettertypen bij ontwerper, prepressbedrijf, drukker of in een computer Wat is omvangberekening? (p. 76) Zie afbeelding p. 74 om gegevens in tabel terug te vinden! Hoeveel pagina’s zal je tekst beslaan? Vooral belangrijk als de schrijver gebonden is aan beperkte redactionele ruimte. Berekening : Zetbreedte van 100 tekens x aantal tekens ( / 100 ) = x x / regelbreedte = aantal gezette regels aantal gezette regels / aantal regels op 1 blad = aantal gezette bladzijden Contrast (p. 77 – 78) 1. Dikdunverhouding binnen de letter Kan uitgesproken, minimaal, geleidelijk of licht zijn Bepaalt vooral de algemene indruk (grijswaarde van een gezette pagina) - Binnen de letter terug te vinden in horizontale, verticale of cursieve werking van letter, spel tussen binnenruimte en buitenruimte letter, mager/vet werking, breed/smal, open/gesloten… - Binnen de letterfamilie romein/cursief, smal vet/breed mager - Bij verwerken van verschillende lettertypes binnen woordbeeld of pagina Deze contrastverschillen worden gebruikt bij ontwikkelen lettertypes, contrast is achtste uiterlijk kenmerk waarin letters zich van elkaar onderscheiden 13

Bij lettervervormingen worden contrastverschillen totaal verstoord en vervreemden ze de letter van haar basivorm 2. Kleurcontrast Helderheidscontrast : bij plaatsing van letters op een grijze of getinte achtergrond Kleurcontrast : letter in kleur op gekleurde achtergrond of gekleurd papier => deze contrasten beïnvloeden de keuze van het lettertype en leesbaarheid (tips p. 78) Wat is het? (p. 80 – 81) Zie boek

Letterspatie
Een spatie is de horizontale tussenruimte tussen letters. Dit wordt bij de huidige apparatuur automatisch, softwarematig, per lettergrootte aangepast. Bij een kleine letterhoogte zal deze groter zijn dan bij een grote letterhoogte. De letters zelf worden vanuit een moederbeeld vergroot of verkleind, vorm blijft in verhouding dezelfde.  Tracking (letterspatie) Goede letterproeven geven instructies betreffende de softwarematige globale aanpassing van de letterspatie of tracking. Voor het aan –en afspatiëren worden daarbij coderingen gehanteerd om de diverse globale aan –en afspatiëringsmogelijkheden aan te geven. Bepaalde omstandigheden vragen om meer letterspatie : Negatief gezette teksten Cursieven Een fijnere geschreefde letter op ruw papier gebruikt

Het effect van het in elkaar lopen van letters kan door de processen die leiden tot de uiteindelijke drukvorm, structuur van het te bedrukken papier en het toegepaste drukprocédé nog worden versterkt. Te grote letterspatie : veel gaten in de woorden Tracking kan op 1 regel of een deel van een regel toegepast worden om regels beter uit te vullen, afbrekingen op te heffen of te veranderen : eventueel in combinatie met een letterversmalling. De waarden die hiervoor worden gebruikt : tussen -2 en +2 voor tracking (zie boek pg 82) en tsn 98% en 102% voor de letterversmalling (optisch niet waarneembaar) EM-spatie : is in de traditionele typografie de breedte van een em-blokje, een typografisch vierkant. Een 12-punts em-spatie : een blokje van 12 x 12 punten. Gelijkstellen = als wij het wit tussen de letters, omwille van de leesbaarheid en het optisch evenwicht, willen aanpassen noemen wij dit gelijkstellen Gelijkstellen kan op twee manieren : Plaatselijk verminderen of afspatiëren Zoeken van de kleinste tussenruimte. Op basis hiervan wordt de afstand tussen alle andere lettertussenruimten die groter is dan de standaardruimte verminderd. 14

-

Plaatselijk vermeerderen of aanspatiëren Zoeken van de grootste tussenruimte. De afstand tussen alle andere lettertussenruimten die kleiner is dan de standaardruimte wordt vermeerderd.

Kerning of plaatselijke aanpassing= kwaliteit van het zetwerk wordt duidelijk verbeterd door gebruik te maken van een esthetische programma. Dit kerningprogramma zorgt voor het zorgvuldig plaatselijk aan –en af spatieren van onevenwichtige of kritische letterparen en tekencombinaties.

Ligaturen
Ligaturen zijn twee of meer letters die met elkaar verbonden zijn, hebben vooral hun nut voor logo’s.

Woordafbreking of woordomslag
Aan het eind ve regel moet geregeld een woord afgebroken worden, zeker met de overvloed van samengestelde woorden in onze taal. Deze afbreking dient te gebeuren volgens de regels van onze taal. Naast de taalkundige afbrekingen spelen ook typografische criteria een rol. Wat je bv niet mag afbreken : afkortingen, getallen en bedragen tussen titels, voorletters en de rest van namen tussen de medeklinkercombinatie ng en nk voor het achtervoegsel : -lijk Daarnaast heb je ook nog de opmaakregels: niet meer dan drie afbrekingen onder elkaar geen afbreking in de laatste regel van een pagina of kolom nooit bij titels, koppen, tussenkoppen of slogans Zachte afbreking : geeft aan waar een woord kan worden afgebroken om een tekst beter op een regel te laten passen. Deze zachte afbreking zal verdwijnen bij een veranderend tekstverloop en geen vervelende koppeltekens achterlaten in tekstverlopen zoals met de harde afbreking wel het geval is

Vormparameters van het regelbeeld Zetbreedte
De lengte van een tekstregel of de regellengte wordt bepaald door de zetbreedte. Deze wordt gegeven in mm, cicero, pica of inch en is bepalend voor de corpsgrootte.

Interlinie, regeltransport, leading
Interlinie (volgens de ‘loden’) : regelafstand tussen twee regels (bij loodzetten) Regeltransport of leading : bij fotografisch zetten, de regelafstand is dan de afstand gemeten van de voet van een letter tot de voet van een letter op de volgende regel (van basislijn tot basislijn) De regelafstand is in principe groter of gelijk aan de corpsgrootte. Compress-zetsel : wanneer zetwerk zonder interlinie wordt gebruikt, de regels staan dan zo dicht mogelijk tegen elkaar

Regelval
15

Bij het zetten kan je kiezen tussen uit diverse manieren van regelverloop of regelval die mee het ritme van een pagina bepalen maar ook dikwijls de typografische stijl van een pagina.  Symmetrie Is het principe in de typografie waarbij alle elementen vanuit de middenas van de bladspiegel worden opgebouwd, geeft een rustige,evenwichtige maar statische indruk  Assemetrie De regels verschuiven ten opzichte van mekaar of worden uit de middenas geplaatst. Geeft een beweeglijke, dynamische indruk.  Regelvalvormen

1. Blokregelval
Bij blokzetsel zijn de regels exact even lang, het wit dat achtereen eventueel is overgebleven wordt gelijk tussen de woorden verdeeld, tot de regel vol is. Vooraan en achteraan is de regel gelijnd.  Uitgevuld zetten of uitvullen

2. Vrije regelval
De regels kunnen aan 1 kant lijnen of aligneren. Als dit vooraan is : engelse regenval of vlaggenzetsel. Is dat achteraan (dus rechtslijnend) dan spreken we van openregelval

3. Centreren of symmetrische regelval
Het midden van elke regel staat op 1 lijn. Zowel rechts als links eindigen de regels ongelijk, alle regels bevinden zich rond een middenas.

4. Dynamische regelval
Noch middenas, noch zijas vormen het hoofdkenmerk van deze regelval. Vind je vooral bij tijdschriftlay-out. Men werkt hier met groepering van tekst of verschillende tekstblokken die in een evenwichtige compositie moet verwerkt worden. Vormgebonden regelval of figuurzet Het zetwerk wordt rondom een bepaalde vorm, figuur of afbeelding geplaatst. Vrije vormregelval Soms symboliseert de vorm van het zetwerk een emotie, sfeer of begrip

5. Alineazet
Een alineazet is een typografische eenheid met een belangrijke grafische functie. (in principe mogen alinea’s niet langer zijn dan de zetbreedte). Alinea’s kunnen van elkaar onderscheiden worden dor het gebruik van witlijnen of insprongen.

Kopregels
Koppen zijn heel belangrijk om de structuur van een tekst duidelijk te maken. voor het maken van onderscheid in koppen staat een uitgebreide serie typografische mogelijkheden ter beschikking zoals : verschillen in lettertype, vetheid, onderlijnen, kleurgebruik enz… Regel : logica op taalkundig en typografisch vlak : klank afbreken of syntactische regelval 16

De witregel
Witruimtes optimaliseren een lay-out. Een extra witregel kan een passage accentueren maar is vooral belangrijk bij het gebruik van alinea’s, kopregels en tussenkoppen.  Witregels bij alineazet en insprongen De klassieke methode om een nieuwe alinea aan te geven is een insprong of indent van de 1e alinearegel. Dit wordt vooral gebruikt bij blokzet; verder worden er dan geen witregels gebruikt.  Wit bij titels, kopjes en tussenkoppen Titels, koppen en tussenkoppen dienen ook al wegwijzer binnen een drukwerk. De witruimte boven een tussenkop moet groter zijn dan het wit dat volgt na de tussenkop.

Het wit in de regel
In Europa wordt de letterspatie als witmaker gehanteerd en in de USA de woordspatie.  Woordspatievormen De woordspatie moet steeds kleiner zijn dan de interlinie omdat de samenhang tussen de woorden zo sterker is. Je hebt : - variabele woordspatie bij blokregelval, het wit wordt verdeeld tussen de verschillende woorden en verschilt van regel tot regel. - vaste woordspatie harde spatie bij vrije regelval  Het wit bij leestekens Het wit in de regel wordt naast de letter –en woordspatie en het door de regelvalvormen bepaalde wit, nog bepaald door het witgebruik voor en na leestekens. Hiervoor wordt uit een aantal spatievormen geput: - het vierkant of de em-spatie ( breedte=op dat moment gebruikte corps) - het half-vierkant of de en-spatie (de breedte = de helft van gebruikte corps) - het kwart-vierkant (breedte is ¼ van gebruikte corps) - dunspatie of fijntje (breedte varieert met de relatieve eenheden van de letterbreedte of de waarde van het eenhedensysteem) A. De pagina als spiegel (waarom spiegel?) P. 92-99

A. Wat is het verschil tussen blad- en zetspiegel? De bladspiegel is het formaat van een bladzijde of pagina, nagesneden (schoongesneden) en afgewerkt of de stand van de zetspiegel op het papier met inbegrip van de marges of witruimtes. De bladspiegel wordt in hoofdzaak bepaald door papier- en drukformaten. Bij de meeste DTPprogramma’s moet je een formaat bepalen bij aanmaak docu. De bladspiegel van een (gedrukte) pagina is de indeling van die pagina, bekeken als de verhouding tussen de zetspiegel (het bedrukte gedeelte, a in de afbeelding) en de marges (onbedrukte witranden, b).

17

Zetspiegel is de totale breedte en hoogte van het zetwerk, of de ruimte waarbinnen de tekst + beelden geplaatst wordt.

B.

Alle pagina – 94

begrippen op deze

18

19

C. Aflopende zetspiegel – 95 = BLEED     Wanneer één of meer zetspiegelranden verdwijnen. Vooral bij illustratie. Er is dan geen wit meer tussen de bladspiegelrand en het beeld SNIT = COUPE  Men moet het drukwerk nasnijden Beeldgedeelte dat aflopend is moet voorzien zijn van een extra afdrukkende marge buiten het werkelijke beeld van een aflopende illustratie , om witte randen te vermijden bij het nasnijden of stansen.

D. Zetspiegelberekening formule (laatste alina blz 95) De vormgever zal zich meestal aldten leiden door praktische overwegingen en goede smaak, maar daarover valt te twisten. Zetbreedte moet tussen 5:8 en 6:8 van het nagesneden papierformaat liggen. Bij een A4formaat met een eindbreedte van 21 cm, zal de min. zetbreedte 13 cm, de max zetbreedte. 15.75 cm mogen bedragen. B. Systeemtypografie: het merken met stramienen en typogrammen Voor veel drukwerk is er behoefte aan ordening en organisatie  Die zorgt voor een snelle, efficiënte en kwalitatieve productie. Het antwoord is de systeemtypografie  Een aantal vastgelegde afspraken over de ordening van teksten , corpsgrootte, afmetingen van illustraties enz. Daarbij hoort ..

een paginagrid = een door een ontwerper ontwikkeld stramien van lijnen, waarbinnen alle elementen van een publicatie kunnen worden ingepast. Stramien= een hulpmiddel om teksten en beelden te positioneren en helpt mee de grootte van de illustraties te bepalen. Verticaal stramien Horizontaal stramien 20

Gevormd door de verdeling van de witmarges rondom en de kolomindeling van de pagina in één, twee, drie, vier of meerkoloms. Een pagina in een krant of tijdschrift wordt vaak verdeeld in meerdere kleine lay-out kolommen – vb 9 bij een vierkolomstramien. Één tekstkolom komt dan overeen met 2 layoutkolommen. De kolom die overblijft is de vluchtkolom  Wit creeëren om bijschriften te plaatsen. De vluchtkolom kan wegvallen als je de 9 lay-out klommen ten volle benut door driekolommenstramien. Elke tekstkolom beslaat dan 3 lay out kolommetjes  Zo kan men spelen met vier en driekoloms stramienen. C. Regelregistering – 97

Regelverloop zal een pagina horizontaal van kop tot voet in een vast aantal regels per pagina verdelen. Een horizontaal raster ontstaat door een bepaald aantal regels + interlinie als eenheid te nemen, om zo de pagina in gelijke velden te verdelen. Op die manier bekom je een raster, grid of stramien – wat het constructieplan van een pagina weergeeft  Horizontale stramienen ontwerpen kost wel veel tijd en ervaring!

Kolommenzet is een toepassing van stramientypografie. Wat houdt het in ? Het waken over het op één horizontale lijn liggen van de regels doorheen verschillende kolommen. Dit noemt men regelregistrering (of het vastzetten) => een optisch rustbrengende ‘vastzetting ‘ van regels op de basislijn. Kan ook automatisch worden ingesteld. D. Typogrammen of opmaakprofielen – 100  Opmaakprofielen, stijlen, typogrammen. Een typogram of stylesheet => de typografische specificatie of zetinstructie van elk in een koopij voorkomend tekstonderdeel Een Typogram wordt gemaakt voor : de broodtekst, de koppen, tussenkoppen enz. Voor elk tekstelement worden de te gebruiken letterparameters vastgelegd, samen met het regeltransport en eventuele instructies voor alinea-insprong en tabs enz. Op die manier creeërt men een typogrammenpalet of een typografische matrix E. Draaiboek/plank/layoutmuur/Webproof 101 GEHAALD VAN HET INTERNET! Draaiboek = opstellen van een volledig uitgeschreven tekst van alle beschikbare meldingen tussen de auteur van het programma en de cursist.

21

Plank = storyboard  schematisch pagina overzicht van vb een volledig tijdschrift op één velltje papier  Weergave hoeveel kolommen en paginas een artikel beslaat of hoeveel artikels er op één pagina voorzien zijn.  Totaaloverzicht op een opdracht. Te vergelijken met de thumbnails  Sterk gereduceerde kopietjes van omgemaakte spreads binnenin een magazine. Layoutmuur =

Webproof =

Enkele praktische typovragen en antwoorden
 Waarvan is de corpskeuze afhankelijk? 1. Leesafstand Als wij een beeld bekijken dan is er een wisselwerking tussen de zetspiegel, de bladspiegel, de leesbaarheid en de leesafstand (schema p19). De x-hoogte van een tekst moest tenminste 1/200 van de leesafstand zijn. Bij een normale leesafstand (30 à 40 cm) is dit 1,5mm. 2. Leestempo en leesvaardigheid Leesvaardigheid heeft te maken met het kunnen lezen en/of met de fysieke afwijking van het zichtvermogen. 3. Doel van het drukwerk Vb. naslagwerk, typografische affiche, jeugdboek.. 4. Regellengte Hoeveelheid tekst die we per oogfixatie lezen hangt af van het aantal tekens.  Waarvan is de ideale regelafstand afhankelijk? 1. Regellengte Langere regels vragen een grotere leesafstand 2. Corpshoogte Grotere corpsen vragen een ruimere regelafstand. 3. Lettertype Vettere lettertypen met een klein letteroog verdragen een kleinere interlinie. 4. Letter-en woordspatie De interlinie moet groter zijn dan de gemiddelde woordspatie. 5. De tekenfunctie Headlines kunnen met een kleinere regelafstand gezet worden.  Hoe tekstgedeelten accentueren? 1. Kies de te benadrukken tekstgedeelten zorgvuldig uit en beperk je in aantal. 2. Zet consequent de gekozen oplossing door om bepaalde passages te laten opvallen. Verdere mogelijkheden zie p 111  Waardoor wordt een letterkeuze bepaald? 1. Leesbaarheid van een letter  Als de tekst vormduidelijk is  Als de inhoud voor de lezer begrijpelijk is  Als de taal en de stijl de tekst gemakkelijk en vlot leesbaar maken 22

 Optimale leesbaarheid verkrijg je niet door alleen de letter zo groot mogelijk te kiezen, het heeft temaken met verhoudingen! De leesbaarheid = herkenbaarheid van elke individuele letter  resultaat van een aantal factoren die mede het letterbeeld bepalen. Bv. Het letteroog, interlinie, regellengte, letterspatie..

Visuele leesbaarheid of leesvriendelijkheid = het belang dat teksten worden geschreven en vormgegeven op een manier dat leidt tot een goede, snelle en prettige informatieverwerking.  Leesbaarheid en Lezen Hier wordt de manier van lezen als maatstaf gezien. Er worden 8 leesgroepen omschreven. ZIE BOEK p 113+114+115(bovenaan) Het beeld van een gezette leestekst wordt allereerst in horizontale richting bepaald door:  De vorm van de letter  De corpsgrootte  De letterspatie  De woordspatie  De regellengte In verticale richting bepaald door:  Het wit tussen de regels, de regelafstand  Mechanische leesbaarheid Een computer kan enorm veel karakters herkennen, sommige lettertypes zorgen voor problemen.  Technische leesbaarheid Lettertype, lay-out en papiersoort. Een onderzoek moet gebeuren naar lettertypeleesbaarheid. Bv. Voor de cartografie 2. Impact of opvallendheid De letter die je kiest voor een kop van een tijdschrift moet een attentiewaarde hebben, hij moet een wervende of herkenningsfunctie hebben. 3. Stijl of mode Lettergebruik is onderhevig aan het modebeeld. 4. Semantische waarde Letters hebben een karakter, ze kunnen door hun vorm betekenisdragers worden. Zo kan je extra communicatieve waarde aan het woord toevoegen. 5. Kleur Zowel de kleur van het papier als de kleur van de drukinkt hebben een invloed op de letterkeuze.

23

6. Lettereenheid Gebruik zo weinig mogelijk verschillende lettersoorten en types in één opdracht. 7. Technische factoren Reproductie- en druktechniek hebben hun invloed op de keuze van een lettertype. Bv. Bij zeefdruk geen letters met een fijne lijnvoering. 8. Consumptiefactoren De omstandigheden waaronder teksten dienen gelezen te worden zijn medebepalend voor een goede letterkeuze. Bv. Lamplicht op glimmend papier

 Wat zijn grafische variabelen, grafische constanten? Grafische variabelen: alle elementen waarover de ontwerper naar keuze kan beschikken Grafische constanten: bv. Papierkeuze, omvang, aantal drukgangen, eindformaat  Binnen de groep grafische variabelen is er spraken van een rangorde naar belangrijkheid, zoals de lezer of consument die ervaart: 1. De plaatsvolgorde 2. De plaats op de paginalay-out 3. De grootte 4. Het contrast 5. De kolombreedte 6. De witverdeling 7. De zetwijze 8. Het lettertype

 De grafische variabelen van hierboven kan je toepassen op 3 werkterreinen 1. Hiërarchisch (plaatsvolgorde, contrast, witverdeling, grootte) 2. Onderscheidend (kleur, afbeeldingen, lettertype, kolombreedte) 3. Ondersteunend (tekstaccenten, symbolen, lijnen en kaders) TYPOGRAFIE SAMENEVAT  Ordening = belangrijkste werk van de typograaf die communicatie functioneel vormgeeft Niet elke stuk tekst in een grafisch ontwerp heeft dezelfde functie. Het ene stuk moet opvallen het andere iets minder. Typografische ordening is ordening tot in het kleinste detail binnen de verschillende tekstonderdelen.  Contrastwerking = het zoeken naar zowel overeenkomsten als naar tegenstellingen. Contrastwerking beslist over dynamiek of starheid, over speelsheid en zakelijkheid, over leesbaarheid en aantrekkelijkheid.  Witverdeling Het wit geeft ruimte voor ruimte, rust, fantasie en ademruimte. Twee onderdelen horen optisch bij elkaar als de witruimte ertussen kleiner is dan de witruimte eromheen. 24

 Grijswaarde De totaalindruk van een tekstpagina is een grijsindruk. Er zijn veel grijstinten, het zijn vooral de witmakers die het grijsbeeld zullen bepalen.  Optische werking In typografie worden voortdurend optische correcties aangebracht om tot een evenwichtig en harmonieus totaalbeeld te komen.  Ritme Het ritme van een pagina zal bepaald worden door de regelvalkeuze, de verticale en horizontale werking van eens stramien. Het ritme wordt op een ander niveau bepaald door verschillende wisselwerkingen, afwisseling tussen bv. Fototekening, drukte-rust.  Scherpte Wordt niet alleen bepaald door de belichtings- of printerresolutie, maar ook door papiergebruik en het contrast bij kleurgebruik.

Illustratievormen
Illustraties gebeuren: -tekenkundig -fotografisch -elektronisch -mengvorm van bovenstaande 4 verschillende uitgangspunten qua vorm: 1) 2) 3) 4) Communicatiebehoefte Illustratietechniek Mate van detail vh onderwerp Illustratiestijl

Communicatiebehoefte of de functionele visualiseringsvorm
Meest relevant om illustratie te beoordelen => gebruiksdoel/communicatiebehoefte (wat wil de illustratie overbrengen of verduidelijken) Manier van illustreren vloeit vaak voort uit gebruiksdoel Steeds meer gedetailleerde, procesverklarende tekeningen nodig (maken verbanden zichtbaar of dingen die normaal onzichtbaar zijn) Men moet dus analytisch en associatief denken Welke techniek gebruik je? Getekende afbeelding van de werkelijkheid Zichtbare vormen van werkelijkheid gevisualiseerd. Storende details worden weggelaten => duidelijker Fotografische afbeelding van de werkelijkheid Toont de werkelijkheid, toch meer dan mechanische beeld. Fotograaf kiest een gezichtshoek, belichting, compositie… ‘Beelden in beelden’: foto is geregisseerd of geredigeerd. Afbeelding wordt uitbeelding.

25

Vereenvoudigde afbeelding van de afbeeldbare werkelijkheid Alleen algemene aspecten van de werkelijkheid. Individuele kenmerken worden geabstraheerd. (bv. een afbeelding die de hoorn van een telefoon toont, stelt alle telefoons voor) Informatie non-verbaal maar toch universeel => pictogrammen Symbolische afbeelding van de niet-afbeeldbare werkelijkheid Wat niet zichtbaar is, wordt getoond. De panda van WWF staat niet voor de panda op zich, maar voor het beschermen van alle wilde dieren. Het gaat hier om symbolisme. Afbeelding van niet-zichtbare functies of onderdelen Het gaat hier om dingen die je niet meteen met het blote oog kan waarnemen. Exploded view: een object is ahw geëxplodeerd. Wordt vaak gebruikt bij gebruiksaanwijzingen als je iets moet monteren. Opengewerkte tekeningen: ze tonen je de binnenkant van bv. een technisch ingewikkeld apparaat. Systeemafbeelding: samenhang van functies en voorwerpen wordt duidelijk gemaakt dmv schema’s of diagrammen. Bv. diagram: flowchart. Ze kunnen ook cijfers omzetten naar beelden. (denk aan taartdiagram) Gecodeerde afbeelding: codes zijn systeemgebonden conventionele tekens of signalen (bv morse) Mechanische afbeelding: maken onzichtbare fysische impulsen zichtbaar. Vooral fotografie wordt daarvoor gebruikt. Bv tijd versnellen, vertragen, voorwerpen vergroten, scherpstellen of röntgen / echografie… Kunstzinnige of artistieke afbeelding: Toont niet wat iets is, maar wat iets zou kunnen zijn. De werkelijkheid wordt geïnterpreteerd en er wordt een waarde aan toegevoegd. Bv: assemblage of geënsceneerde foto, in die lijn ligt animatie. Foto betekenen/beschilderen => foto-tekening Combinatie of mozaïektekening (zie boek pagina 131 onderaan) Technische afbeelding: Elke component wordt in detail weergegeven, dit met een aantal vaste gezichtspunten, bv. vooraanzicht, bovenaanzicht, linker- en rechterzijaanzicht.

Illustratietechnieken
Techniek slaat op 4 interpretatieniveaus: -a. de fysische eigenschappen van de gebruikte materialen of media -b. de manier waarop de tekenaar omgaat met het gebruikte tekengereedschap -c. reproductietechniek, illustratie gemaakt voor grafische, elektronische of fotografische media? -d. vormelijke benaderingswijze of stijl: stijl en techniek bepalen elkaar. Illustratie: realistisch of gestileerd? Bv. een gestileerde (d) tekening (b) in inkt (a) voor offset (c) Eigenschappen van gebruikte materialen en technieken: -tekengereedschap: pen, potlood, penseel, palet -materie: verf, inkt, krijt -drager: papier, karton, hout, doek 26

Commerciële tekentechnieken: toon wat je wil zeggen
Informatica grote invloed op beeld. Photoshop e.d. => beeldmanipulatie Synthetische beeld/digitale beeld is prominent aanwezig Natuurgetrouwe tekenprogramma’s (zoals Corel Painter): gebruiker kan materiële dragers en gereedschappen nabootsen. De computer dematerialiseert een tekening. Computer best gebruikt als tekeninstrument ipv nabootsen van tekentechnieken. Meest voorkomende tekentechnieken: Airbrush of spuitwerk Creëert fotorealistische halftoonbeelden. De pen (aerograph) is met een slang verbonden met een compressor. Verfhouder op spuit gevuld met dunne verf of inkt => wordt verstoven. Veel gebruikt bij fotoretouche of fotomontages. Is hét stijlkenmerk van het DTP-tijdperk. Vaak gebruikt voor verlopen. Kan een vlakke tekening geven. Als het goed wordt gedaan, krijgt het voorwerp meer diepte: het ruimtelijk effect. Digitale of elektronische airbrush Gewone airbrush: arbeidsintensief => adobe illustrator: sneller. Nadeel: vlakke tekeningen … of met andere kleuren Ingekleurde tekening verandert door digitale technieken. Via vectorenpaden kan men een tekening maken om die later in te kleuren. Opgeslagen in een eps bestand => oneindig vergroten/verkleinen. Waterverf Gouache: dekkende, ondoorzichtige waterverf, lijkt op plakkaatverf, maar dunner. Lichte kleuren kunnen op donkere worden aangebracht en men kan egale kleuroppervlakken maken. Ingekleurde tekening: contouren in één kleur getekend en ingekleurd met bv zwarte verf. Aquarel: felle, doorzichtige waterverf met veel water, zonder voortekening. Gebruik maken van traag absorberend papier => rijke kleurnuances. Ondergrond zichtbaar door verf => geen detail, wel overvloeiende kleuren Potlood Van heel zachte tot heel harde soort. Korrelstructuur van papiet belangrijk. Best reproduceren als dubbeltoonbeeld om nuances niet te verliezen Krijt Pastels op grote formaten. Minder voor details. Geen mengkleuren. Wasco’s: harder en intensiever kleurenpalet Houtskooltekeningen: soms gebruikt om pastels op te zetten, maar vaak als spontante tekeningen naar levend model. Acryl

27

Latexverf: zowel met pistool als penseel. Snel drogend ivm olieverf. Dekt zeer goed => correcties mogelijk. Details mogelijk. Inkt Pentekening: variatie in vorm, dikte en kleuren. Technische tekenpen (rotring of trekpen): ontworpen voor trekken van regelmatige, overal even dikke lijnen. Tekenen langs mallen of een liniaal. Perfectie van digitale lijnen heeft rotringpen op professioneel vlak verdrongen. Inkttekeningen ook mogelijk met penseel (kalligrafie). Zwart en grijsnuances enkel mogelijk via rastering. Markers (viltstift) In pms kleuren. Meest gebruikt bij maken van ‘roughs’, ruwe schetsen. Snelle manier van werken. Wordt meestal niet als eindproduct gebruikt. Worden vaak ingescand en dan worden de elementen (zoals logo, slagzin…) erbij geplakt. Goed beeld voor opdrachtgever en goede briefing voor fotograaf. Collage Papier samengekleefd tot compositie. Vertrekt vaak van bestaand fotomateriaal. => combinatie : nieuw beeldidee. Afbeeldingen worden niet vergroot of verkleind. Letters Illustratieve typografie: zie voorbeeld pagina 138: auto. Geïllustreerde letter: oorspronkelijke lettervorm behouden, maar invullen met decoratieve elementen. Letter als illustratie: letter niet als letter, maar als autonome illustratie, teken, logo gebruikt. Illustratie als letter: letter vervangen door illustratie (helemaal of gedeeltelijk) Filters en effecten Vroeger met behulp van speciale rasters. (tot jaren 90) Met komst van adobe photoshop en later photoshop elements: grote verandering. Via filtermenu => effecten Clip-art Pasklare tekeningen , vroeger zonder copyrights Dure cdroms omdat copyright of reproductierecht verrekend is. Ook symboollettertypes kunnen als clip-art beschouwd worden. Illustratietechniek ifv reproductie Illustratietechniek vaak onderworpen aan eisen door reproductiewijze of drager. Mate van detail aan het onderwerp. Welke details moeten aanwezig zijn? => indelen in illustratievorm Illustratiestijl Decoratieve aspect van illustraties Mengen van stijlen: eclectisme (van alles het este nemen) of manierisme (gekunsteldheid, stijlverwerking) 28

Het fotografisch beeld als illustratie
Fotografische afbeeldingen in 3 visuele vormen: Print of afdruk op fotografisch papier Ekta (dia) schermbeeld (cd’s, dvd’s, internet, scan) Fotoafdruk of print Fotoafdrukformaten: zwart-wit- of kleurnegatieffilm. Zie pagina 142 - 143: blauwe roosters Digitale fotografie Beelddragers sluiten aan op ontwikkeling elektronische fotografie. Hybride elektronische fotografie: gaat uit van analoog fotografisch beeldmateriaal. Digitale fotografie: camera aansluiten op harde schijf als geheugendrager. Gewoon objectief om beeld te fotograferen (normaal). Licht valt niet meer op lichtgevoelige film, maar op lichtgevoelige ccd cellen. (zoals vcr of flatbedscanner) Dan komen er nog digitale opslagsystemen en beeldmanipulatiesystemen bij. => digitale opnametechnieken. 2 soorten CCD’s: lijnCCD’s en matrix- of oppervlakteCCd’s. MatrixCCd’s: vierkante CCD registreet volledig beeld in 1 keer., maar niet voor de drie kleuren tegelijk. ONE-PASS: fotograferen in 1 keer  THREE-PASS: fotograferen R,G, B apart. Lineaire CCD-camera’s: registreren beeld in 1 keer, als soort scanner: lijn per lijn. Zeer hoge resolutie, maar hogere opnameduur. Voordelen digitale beeldvorming: tijdwinst, directe doorstuurmogelijkheid, ogenblikkelijke aanpassingen, minder materiaalgebruik, milieuvriendelijker, duplicaten makkelijker te makenf, past binnen digitalisering. Nadelen: als 3 kleuren na elkaar gemaakt worden, bewegend beeld onmogelijk. Aantal lenzen beperkt. Hoogkwalitatieve prints: duur 2 soorten camera’s: studiocamera (enkel stilstaande beelden) en draagbare (bewegende beelden). Kwaliteit: aantal pixels (vroeger max. 1, nu amateur 8 en prof 14-22 megapixels) Contrast: CCD cellen in digi. Fototoestellen, vertonen weinig contrastverschillen in hoogste lichten en diepste schaduwen. Digitale camera’s dus aanvullend (analoge fotografie is kwalitatief nog beter) én vervangend (bij heel wat toepassingen primeert snelheid van beeldverwerking) bij beeldopname. Thumbnails of miniaturen Eerste resultaten beoordelen: contactafdrukken/negatieven. Werden 1/1 op een vel papier gedrukt. Bv Google afbeeldingen, gemakkelijk om te zoeken en te beoordelen. Beoordelingscriteria voor thumbnails Sfeer: waarvoor moet een foto gebruikt worden? Beeldinhoud: is de inhoud relevant, boodschap eenduidig? 29

Fotografische kwaliteit Formaat Compositie: niet teveel storende elementen? Reproductiedoelstelling: foto bruikbaar voor bepaalde drager? Genoeg contrast? Dia of ekta Oorpr. Ektachrome van Kodak. Bestaat in rolfilms en vlakfilms. Met rolfilm: handzaam. Bij grootformaat en technische camera: sheets. Die camera’s hebben een afneembare rug of achterwand die in donkere kamer met pellicule geladen moest worden. Voor studio-opnames van grotere tot grote en gedetailleerde onderwerpen. Technische camera bedoeld voor nauwkeurig voor te bereiden opnames, meestal in studio. Mogelijkheid om perspectieftekeningen (bv bij architectuur) te corrigeren, zeer grote onderwerpen te fotograferen en leveren de hoogste kwaliteit. Allemaal aangesloten op PC via digitale rug. Bij prof. Spiegelreflexcamera’s zowel traditionele a Is digitale rug kan gebruikt worden. Bij Ekta, te veel vergroten => korrelvorming Ektaformaten zie pagina 148 voor rooster.

Het fotografisch beeld als illustratie
Schermbeelden en beeldbanken
Doorbraak van het gedigitaliseerde beeld. Deze beelden kunnen op verschillende dragers aangeleverd worden voor verschillende doeleinden: 1. CD-ROM en DVD - Thema-CD’s (bvb. natuur, portretten, achtergronden, …) die een aanvulling zijn op de stockbeelden van fotoagentschappen, beeldarchieven, -banken of –bibliotheken. - Beeld-CD’s: bevatten enkel RGB TIFF- of PICTbeelden die enkel bruikbaar zijn voor schermweergave, officegebruik of printwerk. CD’s en DVD’s worden ook gebruikt voor de opslag en archivering van eigen digitaal gemaakte beelden. 2. Internetbeelden en beeldbanken Beeldbanken: - beeldGooglen - gebruik van semiprofessionele en professionele beeldbanken Hulpmiddel bij het aankopen van illustratiemateriaal zijn fotoagentschappen en/of beeldbanken (diatheken). Dit zijn beeldarchieven of –bibliotheken waar beelden over verschillende onderwerpen gestockeerd zijn (vandaar stockbeelden). Beelden kunnen ook tijdelijk gehuurd worden. Wat kan je met stock-beelden beginnen? 30

Toepassingen: multimediaproducten, boeken, kranten, tijdschriften, reclame, affiches, displays,… Opgelet! Foto’s mogen niet worden gebruikt bij moreel verwerpelijke, beledigende of pornografische toepassingen. Wat betekent: vrij van rechten bij beeldbanken? Je wordt niet eigenaar van de foto’s, maar gaat een licentieovereenkomst aan waarbij je een reproductierecht krijgt, zonder dat je rechten betaalt of copyrights moet vermelden. Hoe een beeld zoeken bij een beeldbank? Via kernwoorden en op kleur (RGB of CMYK) zoek je beelden op. Opgelet: Beelden in lage resolutie zijn voorzien van een watermerk met de bedrijfsnaam van de uitgeverij, wat je niet kan wegretoucheren. Beelden in hoge resolutie is deze niet zichtbaar, maar wel verborgen aanwezig. 9 parameters die de huurprijs van een stockbeeld bepalen: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. Gebruiksdoel van het beeld Grootte van de reproductie Oplage Duur van de afstand Verspreidingsgebied Aantal documenten Kleur- of zwart-wit-reproductie Exclusiviteit Naam en/of faam van de auteur

Bovenop deze copyright-kost komt de agency fee: 15% voor de beeldbank. Nadeel: beelden door fotoagentschappen kunnen tezelfdertijd aan verschillende magazines worden aangeboden. Op welke grootte kan je schermbeelden belichten en afdrukken? Hiervoor moet je 3 parameters kennen: 1. Basisformaat in pixels van het aangeboden formaat 2. Raster waarin het beeld zal gereproduceerd worden 3. Scanresolutie van de reproductie

Basisformaat dat aangeboden wordt: Digitale beeld(bank)formaten:
Beeldbanken bieden zowel vectoriële als bitmatbestanden aan. (Vectoriële beelden kunnen zonder problemen vergroot of verkleind worden, bitmatbeelden niet!) Wat is een RAW bestand? Een RAW bestand bevat de ruwe data die van de sensor komt. Bij RAW worden de bewerkingen die normaal in de camera bij de opname gedaan worden (vb. witbalans, verscherping) uitgesteld, en kan de fotograaf achteraf bepalen wat de beste instellingen voor witbalans, scherpte, kleuren en contrast zijn. 31

Het formaat wordt steeds uitgedrukt in pixels per inch (ppi). Voor de berekening van de echte grootte van het beeld, wat een formaat in centimeters is (en niet meer in ppi), heb je 2 parameters nodig: 1. Het raster: Het raster wordt gemeten in lijnen per inch (lpi). Het hangt af van het soort drukwerk dat je wil produceren. Hoe meer kwaliteit vereist, hoe groter je lpi moet zijn. 2. De resolutie: De resolutie wordt gemeten in pixels per inch (ppi). Ze hangt af van de kwaliteit van de afdruk. Op basis van de lpi bereken je de beeldresolutie aan de hand van deze formule: Rasterwaarde (LPI) x coëfficiënt Q – resolutie (PPI) Coëfficiënt Q (ligt tussen 1 en 2) is een oversamplingsfactor. Deze bepaalt de kwaliteit, maar ook de bestandsgrootte in kilobytes en daardoor ook de belichtingstijd van een digitaal beeld. De ideale coëfficiënt = 1,67 Hoe kom je tot een formaat in cm? Voorbeeld, zie boek p 154! Tabel vertaling van ppi naar cm: zie tabel p. 155!

Fotografische beoordelingscriteria in functie van reproductie
Beoordeling van een afbeelding gebeurt vanuit het standpunt van de betrokkene, en deze kunnen al eens van elkaar verschillen: Fotograaf Opdrachtgever of klant Grafisch vormgever Scanoperator Drukker

Beoordelingscriteria: 1. Contrast: = het verschil in zwarting tussen de lichte en donkere partijen in een beeld. Kleurcontrast wordt bepaald door de verhouding tussen de verschillende kleurpartijen. Onderscheid kan worden gemaakt tussen: Helderheidscontrast: heeft betrekking op de licht-donker verhoudingen Kleurcontrast: heeft betrekking op de hoeveelheid verschillende kleuren in een afbeelding.

2. Toonweergave: = het gamma van grijswaarden binnen een foto bij zwart-wit of de verschillende gradaties die kunnen voorkomen in een bepaalde kleur bij kleurbeelden. De toonweergave beïnvloedt het contrast en de middentonen.

32

3. Kleurbalans/Grijsbalans: = de onderlinge verhouding van deelkleuren tot elkaar bij meerkleurensystemen (zoals kleurendruk, kleurenTV, dia’s). Hierbij is een grijze tint een samenvoeging van de basiskleuren. Er kan een egaal gekleurde tint of kleurzweem ontstaan: - als de basiskleuren niet in de juiste verhouding tov elkaar staan - als tijdens het drukken een deelkleur in een afbeelding sterk aanwezig is en andere afbeeldingen beïnvloedt. 4. Scherpte: = de mate waarin kleine details nog duidelijk waarneembaar zijn. Scherp = een goed onderscheid kunnen maken in beeldranden. 2 soorten beeldranden: - Helderheidsranden (=randen waarvan de helderheid plotseling verandert) - Kleurranden (=randen waarvan de kleur plotseling verandert) Scherptediepte = het gebied van een foto waar alles scherp is bij instelling met een bepaald diafragma. Diepte = de kwaliteit van de scherpte van de objecten die zich bevinden tussen de voorgrond en de achtergrond. 5. Effenheid/korreligheid: = de structuur die wij waarnemen in foto’s, als gevolg van de onregelmatige vorm en verdeling van zilverkorrels. Deze onregelmatigheden ontstaan door te extreme vergrotingen van details uit een dia. Hoe meer en hoe fijner korrels, des te meer kleurtonen of details.

De keuze van een fotograaf
Is moeilijk: Er bestaan food-fotografen, mode-, stilleven-, industriële, portretfotografen, enz. Fotografen hebben hun voorkeur voor de camera’s die zij gebruiken. Fotografen werken op uur-, ½ dag- of dagbasis. Hierbij komen de technische kosten en kosten van stylisten, kappers, visagisten, enz.

Beeldresearch Uitgeverijwereld, krant- of magazineredacties : zoeken naar beelden die bij een bepaald onderwerp horen  kunsthistorische of wetenschappelijke documenten. Hiervoor bestaan er gespecialiseerde beeldresearchbedrijven. Deze zoeken voor je op waar welk schilderij te vinden is en hoeveel de reproductiekosten bedragen. Digitale beelden en persmappen

33

Hardcopyoriginelen (foto’s, dia’s, elkta’s) verdwijnen stilaan uit persmappen. De pers krijgt tegenwoordig cd-roms of webbeelden ter beschikking met hoge en lage resolutie. Er kan ook een websitepresentatie, reclamespot of korte videopresentatie worden toegevoegd. Pg. 162-165 Illustratieve mengvormen Naast getekende, fotografische of gedigitaliseerde illustratievormen komen geregeld mengvormen voor.  MONTAGE Collage groeide dankzij de evolutie van de fotografie uit tot montage. Via fotografische weg worden verschillende elementen samengevoegd tot een nieuw beeld. Het montage-, knip en plak- of samplingprincipe is hét stijlprincipe van de twintigste eeuw. Digitale beeldmanipulatie-technieken vullen aan.  De virtuele of geconstrueerde werkelijkheid Werkelijkheid is niet altijd fotografisch vast te leggen. Vertrekkend van verschillende beelden wordt door middel van digitale technieken een realistisch beeld geconstrueerd. De compositie komt als realiteit over. Vermits de beelden beantwoorden aan de gangbare perceptie-ervaringen heeft de kijker niet door dat het fake is.  Geretoucheerde werkelijkheid Fotoretouche gebruik je om beelden zowel naar kleur als beeld te specifiek verbeteren. Enkele typische retouche-onderwerpen: achtergronden die moeten verlicht worden, aanpassen van kleuren, verwijderen van storende elementen in het beeld, het combineren van twee beelden tot één beeld… Airbrush is de meest gebruikte techniek bij retouche.  De imaginaire of surreële werkelijkheid Een beeld reconstrueren zodat het alleen in de verbeelding kan bestaan. Doel: de verbeelding prikkelen met een bepaalde beeldinhoud. Beelden samenbrengen in een bepaalde context zodat een vervreemde werkelijkheid ontstaat. Heeft vaak poëtisch, magisch of humoristisch effect.  FOTO-TEKENING (techniek Willy Baumeister, 1928) Combinatie tekening en foto vind je geregeld terug in reclame-uitingen. Bv: product staat fotografisch centraal in een tekening. Hierdoor krijgt het product een goedkope connotatie mee of laat ruimte voor invulling vanwege de kijker. Tweede vorm: tekeningen laten overgaan in fotobeelden. Of een gedeelte van een foto vervangen door een tekening of andersom. Fantasie (tekening) wordt als werkelijkheid (foto) Ervaren. 34

Derde vorm: beschilderen van bestaande foto’s met transparante of dekkende verven. Of omvormen van foto naar tekening (cloning). Beelduitsnede of ‘de kadrage’ Kadrage = beeldsnit = beeldkader De keuze van het juiste camerstandpunt is voor een fotograaf van enorm belang. Het is een eerste ingreep naar de kadrage toe. ‘Kaderen’ kan:    Door te fotograferen onderwerp op ≠ afstanden door de zoeker te bekijken Door beeldhoek te beïnvloeden met de keuze van het objectief (groothoeklens) Of door in te zoomen

Als fotograaf beslist heeft welke plaats het hoofdmotief in het beeld moet innemen, zal hij zich ook aanvragen hoe de inhoud van het beeld zich zal gedragen t.o.v. de randen v/h beeld.

35

Je kan kiezen voor driedelingsregel (of: gulden snede)   Het helpt je een onderwerp te plaatsen in beeld De snijpunten zijn de sterkste punten om een onderwerp in beeld te plaatsen

De fotograaf: 1. Kadreert zijn motief 2. Maakt een uitsnede of cropping v/h beeld in functie v/d beeldcompositie 3. Hij bepaalt zijn gezichtspunt Het uiteindelijke beeldkader kan de fotograaf kiezen bij het afdrukken op papier. Hij kan bij het uitvergroten, het beeld aanpassen aan papierformaat en zo herkadreren. Waardoor wordt een beeldsnit bepaald? (6 items)  Door de compositie Er bestaat geen wet van compositie. Een detail v/h motief kan veelzeggender zijn dan het geheel. Detail wordt dan het hoofdmotief. Dit is afhankelijk v/d vraag: “waarop moet het visueel accent komen te liggen?”. Vergt veel ervaring om alles v/d eerste keer goed te hebben. Je kan het nadien nog bijwerken. Vertrek steeds v/h centrum v/h hoofdmotief. Alle andere visuele beelden zijn ondergeschikt. Vraag je bij het vergroten af of bijkomende beeldelementen het hoofdmotief beïnvloeden of versterken. Zijn ze belangrijk of niet? goede foto kan minder relevant zijn dan slechte foto met veel nieuwswaarde (bv. Gefotografeerde videobeelden uit Irak) Door de beschikbare ruimte Lay-outman is gebonden a/d beschikbare ruimte tussen de tekst. Problemen: - hoe een staand beeld in liggende ruimte integreren en omgekeerd - hoe een oorspronkelijke dubbele pagina advertentie (spread) omwerken tot 1 pagina Door het vrijstellen v/e beeld Beeld wordt uit zijn achtergrond gesneden = het vrijgesteld beeld. Vorm uitgesneden en op fotografische, getekende of geschilderde achtergrond geplaatst = sjabloon. Zijn de sjablonen betekenisdragers (bv. Silhouet van mens of ding) = dubbelbeelden (1 beeld 36

met 2 betekenissen) of beeldspelingen.  Door beeldcorrecties Bepalen v/h beeldsnit is hulpmiddel om foto’s achteraf te corrigeren. Is methode om storende elementen uit beeld te verwijderen dmv fotografisch afsnijden (via belichting of computermanipulatie) Door de creatie v/e visuele eenheid Als beelden door ≠ bronnen aangeleverd worden is het dikwijls noodzakelijk de beelden in dezelfde verhoudingen te brengen om een visuele eenheid te bekomen. Men maakt hier ook gebruik van kadragetechnieken. Door inhoudelijke ingrepen Om beeldinhoud of betekenis v/e beeld te veranderen. Door beeldsnit enkele graden te draaien kan inhoud van beeld bepaalde lading krijgen die de essentie extra kan beïnvloeden. (13° kantelen VLD portretten: lieve-hondjes-effect). Door beeld te snijden kan saai beeld een dynamisch beeld worden. (liggend formaat is rustgevend, staand is dynamisch). Ruimtelijke werking of dynamiek dr bvb vliegtuig laten zweven, van 1 auto 2 maken…

De stappen in het ontwerpproces (3 items) Om ideeën voor een opdrachtgever te visualiseren knn een 3-tal presentatievormen gebruikt worden. (zie voorbeeld pagina 168)  De ideeschets miniatuurschetsen (Thumbnails)= meest rudimentaire methode om visuele ideeën te ontwikkelen. Zij visualiseren een gedachtegang of denkstappen als een ontwerp-steno. Worden gemaakt met potlood, balpen of kleurrijke stift op kladblaadjes, lay-outpapier, bierviltjes… Het voorontwerp, de ruwe of ontwerpschets, de conceptproef = vergrote ideeschetsen Gemaakt op zelfde formaat of in een reële verhouding tov uiteindelijke werk. Ruwe schetsen (rough in reclametaal) in potlood of met markers. Teksten zijn dikwijls nog blindtekst of Latijnsogende ‘Lorem Ipsum’ teksten die lettertype en tekstvolume zo reëel mogelijk benaderen. Die schetsen (met ingescande roughs: ook in digitale vorm) worden gebruikt als handleiding van definitieve lay-out of als briefing. In reclamekringen: rough voorleggen ter beoordeling v/d ideevorming. Deze conceptproef is eerder een discussiemodel of praatplaatje. Vraag steeds een voorontwerp aan illustrator v/d illustratie. Kleurmodellen zijn zelden aan te passen. Het presentatieontwerp, de lay-outproef of lucid lay-out (synoniemen) = de meest uitgewerkte vorm v/e lay-out. Een eindresultaat wordt zo nauwkeurig mogelijk nagebootst. Tegenwoordig kan dat via PhotoShop. Foto’s worden op reëel formaat in lage resolutie ingescand. Kleurmodellen met laser- of inkjetprinters. de presentatiemodellen wormen het uitgangspunt voor de realisatie van definitieve digitale 37

netdocumenten. Digitale presentatiemodellen maken komaf met knip- en plakwerk voor het realiseren van netdocumenten. Moet er meer dan 1 pagina getoond worden aan opdrachtgever: tonen van dummy of mokeup: verband tss de pagina’s is erin zichtbaar en de problemen zijn verwerkt. Deze werkwijze van belang om het volume te weten (bvb aanpassen van papiergewicht voor lagere portkosten). Bij magazines, tijdschriften of boeken wordt gewerkt met een voorplakproef of premaquette als conceptproef: houdt rekening met tekstelementen en illustraties. Daarna wordt een dummy gemaakt. Lucid lay-out ook hier gebruikt= reële lay-out of montageschets op kalk- of overtrekpapier, met op maat geschetste foto-uitsnedes, corpsgroottes enz. voor beeldverwerker om beeldmontages te realiseren. Presentatiemodel kan in 3D voor displays en dergelijke. Prijs afhankelijk v/d lay-outvorm; spreek duidelijk af welke presentatievorm je wenst voor welke prijs. Kosten kunnen hoog oplopen. De briefing is heel belangrijk om voor geen onaangename verrassingen te staan (zie briefingchecklist p 172) Pg 372-375 (huisstijl en visueel management) Huisstijl is:  Beeldvormingtechniek  Beeldvormingstrategie Merkbeelden versterken de actualiteit van een organisatie/merk Merkbeelden zorgen voor informatieve of emotionele positionering.    Merkgevoeligheid afhankelijk van product. (vb. Koffie, cola, sigaretten) Huisstijl bepaalt eerste indruk van doelgroepen tov bedrijf/organisatie. Zichtbaarheid/visibility= belangrijk in concurrentiële omgeving =>manier waarop bedrijf visueel overkomt+ coherentie van visuele taal =BELANGRIJK Huisstijl vereist huiswerk voor opdrachtgever. Hij moet nadenken over: (zie puntjes p372-373)

Huisstijl=        visuele vertaling van wat bedrijf in zich heeft. moet structureel beantwoorden aan: bedrijfseigen bedrijfsstrategie bedrijfsstructuur bedrijfsmarketing bedrijfscommunicatie

38

Belangrijke rol huisstijl INTERN:     werknemer associeert zich ermee competetiever gaat denken motivatie stijgt rekruteringsvermogen stijgt.

INTERN EN EXTERN:   huisstijl= zowel in de intern als externe communicatie van doorslaggevend belang! Daarom is het uitstelend instrument om de bedrijfsstrategie visueel over te dragen! Alles wat bedrijf coherent naar buiten brengt helpt de identiteit te ondersteunen+image controleren. (formulieren, wegbewijzering,gadgets,verpakkingen,werkkledij,inrichting winkels,labels,publicaties...)

VOOR ALLES ECHTER BEGINT: De Huisstijl begint met duidelijkheid over betekenis en draagkracht naam waarmee bedrijf met zijn doelgroepen communiceert: Dat houdt in dat er een duidelijk beeld in het bedrijf over:    Positionering van de kernactiviteit Positionering van de nevenactiviteiten Onderlinge verhoudingen

HUISTSSTIJL = ook afspraken over visuele codes en tekens die gebruikt worden in de activiteit. Zonder veel interpretatiespeling worden deze vastgelegd.

Een ontwerpbureau dat huisstijl gaat ontwerpen zal daarom toegang krijgen tot info over:   bedrijfsstructuur. Andere puntjes p.373 onderaan

HUISSTIJL= ook weerspiegeling van de bedrijfscultuur, stijl en besluitvormingsprocessen HUISSTIJL= onderdeel van bedrijfsstijl. De twee moeten in elkaars verlengde liggen.! Zodra inhoud niet meer past bij de vorm is de boodschap ongeloofwaardig en is investering van de huisstijl verloren! Vb receptioniste is onbeleefd

Huisstijl, visuele identiteit of corporate identity omvat:    Opzetten van visuele taal Vaste kleuren, lettertypes, materialen vastgelegd zijn in handboek Informatiestroom doorgelicht en gerationaliseerd wordt  ‘illegale’ of niet-conforme circuits worden geëlimineerd.

MANAGEN, BEHEERSEN huisstijl? 39

 gebruiksaanwijzing/handleiding is nodig! een manuel (huisbijbel) is de leidraad voor visueel beleid beheersen.  Verantwoordelijke wordt aangesteld: alle visuele uitongen worden gefilterd. Zonder verantwoordelijke huisstijl gedoemd om te falen. Het De investering huisstijl is op het niveau van het investeren in informatica. Huisstijl: na 10 jaar aan herziening of aanpassing toe. (veranderend tijdsbeeld, dynamiek vd actualiteit...) Globale Huisstijl heeft:    Communicatieve Esthetische Economische waarde: standaardisatie in papierformaten is een winstpunt. Vb: formulier duurt 15 min voor in te vullen NA inhoud en vormgeving veranderd: slechts 10 min. Voor in te vullen

Potentieel voor een visuele identiteit stiefmoederlijk behandeld:    De zichtbare ondersteuning vh aanbod is vaak een zorgenkind => de interne motivatie is laag => externe appreciatie lijdt hieronder

Na verloop: productenaanbod wijzigt/breidt uit, waardoor nieuwe doelgroep mee wordt gecommuniceert. Met ander communicatiepatroon De onderneming moet nieuwe stratege vertellen:  door campagnes bedenken  visueel: door huisstijl te laten meegroeien met bedrijf (nieuwe huisstijl geeft vaak zuurstof aan bedrijf, sloopt barrières naar nieuwe markten) Functies huisstijl, beslissend element bij:      Huisstijl=  een sleutelbeeld  een beeldend leidmotief: dat op LT bijdraagt dat een merk zakelijke of emotionele voordelen in de herinnering oproept. Vb. Sportmannen nike, marlboro-cowboy, essotijger, sandemanschaduw... Samenstellende delen van een huisstijl p. 375 Elementen in de vorm van checklist gegoten. In alle categorien, afhanklijk van de bedrijfsnoden. Check p.377 verwerven van concurrentiepositie erkenning krijgen strategisch onderscheiden in het marktsegment strategische verwantschappen tussen koepel en afzond. dochterbedrijven aantonen (gemeenschappelijk huisstijlelementen geven.) Of om dochterbedrijven te onderscheiden. (verschillende elementen)

40

Pg 105-107 (Lijnen en tabellen) Lijnen (p.105-106) Onmisbare uitdrukkingsmiddelen in de typografie Ze worden gebruikt om te scheiden, verbinden of accentueren. Sommige vinden het niet nodig lijnen> goede vormgeving gaat ook zonder lijnen. Diverse dikten gegeven in:  In tienden van millimeter= 0,1mm 0,2mm 0,3mm...  In puntdikten= 0,35pt 1pt 2.pt...  Haarlijntje=0,25 pt Diverse fantasielijnen:      Stippellijnen Golflijnen Gearceerde lijnen Dubbele lijnen= 2 even dikke lijnen Schotse lijnen= 2 lijnen met verschillende dikte zuinig mee zijn corpsje kleiner dan hoofdtekst samen zetten is beter dan verspreid voorzie een tekstomloop (uitgedrukt in puntwaarde) omlijsten met een kader populair vandaag. forse ongelijke randen, kunstzinnig effect. beter niet omlijnen

Lijnvariaties zorgen voor verwarring Ingekaderde text? Meerdere tekstkaders? Illustratie of tekstkader? Foto met onvoldoende contrast? Photographic Edges = Grijskader?

Hoekvormen? keuze vorm: hangt samen met aard drukwerk Tabellen De ordening van tabellen Weet op voorhand veel tabellen? eerder bepaald door de typografische ordening. het stramien in deelkolommen verdelen, die afgestemd zijn op de tabel met grootst aantal kolommen.

Tabel zoveel kolommen dat horizontaal niet op 1 pagina kan? oplossingen:  Tabel verticaal plaatsen (van beneden naar boven)  Tabel horizontaal over 2 paginas plaatsen  Tabel op uitvouwbaar blad zetten

41

Tabelstramien bepaald? Een harmonisch beeld bereiken?

elke tabel in dat stramien laten vallen als tabellen dicht bij elkaar geplaatst worden

Tabellen zijn aan beide kanten van de pagina, volgens hetzelfde stramien opgemaakt? Dan vallen de tabelkolommen in register. Zoals de gezette regels bij een roman. Tabellen zet je beter i kleiner corps dan het lopende tekstbeeld. (anders verstoren ze het tekstbeeld) Lijnen kun je soms gebruiken.     Verticale lijnen zijn vaak niet nodig Open tabellen= Tabellen zonder verticale lijnen Gesloten tabellen= Tabellen met verticale lijnen, ze sluiten een tabel op. Horizontale lijnen: Worden gebruikt bij complexe tabellen of tabellen met veel info maar weinig plaats. Bv, Uurtabel van treinen. Vaak ook andere middelen voor duidelijker beeld: kleuraccenten, tintvlakken...

Meestal: Koppen en tabelteksten links uitlijnen Getallen Rechts uitlijnen Kopjes te lang? Cijferkeuze tabellen? Correcties Met behulp van correctietekens>op prints aangeven wat er moet veranderen. Kritisch nalezen>gemakkelijker op papier (tov scherm) 2 soorten foutvormen: (te corrigeren)  Zetfouten: vroeger de zetduivel (=zetter). Nu zijn dat tikfouten :die door auteur worden gemaakt. Opmaakfouten/conversiefouten: wanneer van ene platform naar andere moet geconverteerd worden. (via internetkopij zenden of OCR-toepassingen) Auteurscorrecties: Als opdrachtgever nog wtext/typografische wijzigingen wenst door te voeren na de opmaak Vaak discussie> in de basisprijs opgenomen? Belang goede kopijvoorbereiding! Helaas wordt meestal pas grondig nagelezen wanneer drukker zijn ultimatum voor goed voor druk heeft gesteld! kopjes 45° draaien meestal tabelcijfers allen even hoog. Uithangende cijfers nemen nochtans minder plaats en maken de tabel levendiger.

Corrigeren is een taal op zich: hiervoor een code opgesteld, die bestaat uit 2 soorten tekens:  Verwijzingstekens: Worden in de tekst geplaatst en herhaald in de marge, Voorzien van correctietekens of de tekstcorrectie.

Ruim assortiment van verwijzingstekens. Altijd een ander verwijzingteken gebruiken, voorkomt verwarring (van welk correctieteken hoort bij wat) 42

Correctietekens: Hiermee geven we in de kopij aan wat er moet veranderen. De symbolen geven op eenvoudige wijze aan wat de bedoeling is. (Voorkomt omslachtige zinnen die de tekst onoverzichtelijk maakt)

Kopijcorrecties worden NIET omcirkeld Opmaakinstructies worden WEL omcirkeld. Correctietips: p. 109

43

You're Reading a Free Preview

Download
scribd
/*********** DO NOT ALTER ANYTHING BELOW THIS LINE ! ************/ var s_code=s.t();if(s_code)document.write(s_code)//-->