P. 1
Frequentieregelaars

Frequentieregelaars

|Views: 594|Likes:
Published by Tjibbe Beimers

More info:

Published by: Tjibbe Beimers on Feb 24, 2012
Copyright:Attribution Non-commercial

Availability:

Read on Scribd mobile: iPhone, iPad and Android.
download as DOC, PDF, TXT or read online from Scribd
See more
See less

10/07/2014

pdf

text

original

De frequentie regelaar

Inleiding
Wanneer we de technische ontwikkelingen rond regelbare aandrijvingen bekijken is het interessant even terug te gaan in het verleden. Zo is het nog geen 20 jaar geleden dat binnen het elektrotechnisch onderwijs systemen werden gedoceerd die nu als antiek worden beschouwd. Enkele van deze systemen worden hieronder genoemd: Gelijkstroommotoren:. Regelen met weerstanden in de ankerketen. Regelen in het veldcircuit met weerstanden. Ward-Leonard regeling: Bestaande uit een draaistroommotor die een gelijkstroomgenerator aandrijft. Door het veld van de gelijkstroomgenerator te regelen ontstaat een variabele gelijkspanning die als voedingsspanning aan een gelijkstroomshuntmotor wordt aangeboden. Sleepringankermotoren: Regelen met weerstanden in de rotorketen. Deze aandrijvingen kan men bij oude installaties nog steeds aantreffen. Het voordeel van deze aandrijvingen was een hoge betrouwbaarheid, er waren echter een groot aantal nadelen, zoals hoge aanschafkosten, laag rendement en grote afmetingen. De gelijkstroommotoren waren eenvoudig te regelen maar erg duur in aanschaf en onderhoud, de kortsluitanker draaistroomotoren waren relatief goedkoop maar zeer moeilijk te regelen. Om die reden waren geregelde gelijkstroomaandrijvingen in die tijd sterk in het voordeel. PAM Aan het begin van de jaren 70 kwamen de eerste statische frequentieomzetters op de markt. Dit waren de zogenaamde PAM (Puls-Amplitude-Modulatie) omzetters. De gelijkrichters waren regelbaar waardoor ze een variabele tussenspanning bezaten. Om deze gelijkspanning weer in een regelbare wisselspanning om te zetten werden thyristoren met doofcircuits toegepast. De besturingstechniek was uiteraard analoog. De instelling van parameters geschiedde met potentiometers. Deze omzetters hadden een lage schakelfrequentie vanwege de traagheid van de doofcircuits. In vergelijking met de huidige moderne omzetters hadden deze omzetters voor- en nadelen. Voordelen:

Nadelen: -

laag EMC-emissie-niveau door de traagheid van de thyristoren en de lage schakelfrequentie geen problemen met lange motorleidingen. slechte Cos-Phi vooral bij lage toerentallen laag rendement door de niet sinusvormige motorstroom groot volume hoge aanschaf kosten laag motorrendement en veel geluid

PBM Enkele jaren later kwamen kwamen de eerste fabrikanten die bruikbare PBM (Puls Breedte Modulatie) omzetters op de mark brachten. De ingangsbrug was een diodebrug: de tussenkring bestond uit condensatoren met een srmoorspoel. De inverter was opgebouwd uit transistoren. De besturingstechniek was nog steeds analoog. Door de relatief lage schakelsnelheid van de transistoren en de eigenschappen van de besturingtechniek veroorzaakten deze omzetters het “versnellingsbak” geluid bij de motor. De diodebrug aan de ingang gaf een belangrijke verbetering van de arbeidsfactor. Door de redelijk sinusvormige motorstroom was het rendement beter dan bij PAM regelaars, door de lage schakelfrequentie vormden lange motorleidingen niet direct een probleem.

Frequentie-regelaars blz. 1

Vector-modulatie Midden tachtiger jaren komen er digitale besturingstechnieken beschikbaar en de eerste fabrikanten brengen regelaars volgens het fluxvector modulatieprincipe op de markt. Ten opzichte van PWM-modulatie biedt het nieuwe modulatieprincipe sterk verbeterde dynamische eigenschappen en een hoger aanloopkoppel. Met de nieuwe digitale besturingstechniek wordt bediening en instelling van parameters met een Keyboard mogelijk. De inverter wordt dan steeds vaker en tegenwoordig vrijwel uitsluitend opgebouwd uit IGBTs. Dit staat voor Isolated Gate Bipolair Transistor, een transistor uitgangstrap met aan de ingang een FET. Field Effect Transistoren kunnen met een lage stuurstroom in geleiding worden gebracht, terwijl transistoren een hoog stuurvermogen nodig hebben. De aldus verkregen uitgangstrap bezit een hoge schakelsnelheid wat het mogelijk maakt om frequenties tot 20 KHZ te realiseren. Daarmee kan het probleem van het motorgeluid worden opgelost. De nieuwe omzetters kennen exact, of leren, de eigenschappen van de motor die wordt geregeld en realiseren op deze wijze de optimale flux en stroom. Het aantal in te stellen parameters is nagenoeg onbegrensd zodat de applicatie zeer nauwkeurig kan worden gedefinieerd. Het thermisch gedrag van de motor kan in de omzetter redelijk nauwkeurig worden gesimuleerd en bewaakt. Met speciaal ontwikkelde software kan met behulp van een met de PC (laptop) verbonden frequentie omzetter menu gestuurd de parametrering van een omzetter gebruiksvriendelijk worden ingevoerd. Dit zelfde kan ook uitgevoerd worden met, een vaak afneembaar, bedieningsdeel.

Draaistroommotoren
Inleiding
Om de functie en de toepassing van frequentieregelaars in te kunnen zien moet eerst duidelijk worden gemaakt wat moet worden aangestuurd/geregeld. Uiteindelijk moet de elektrische energie worden omgezet in mechanische energie met een bepaalde snelheid en kracht. Motoren zetten elektrische energie om in mechanische energie. Een motor bestaat uit een stilstaand deel, de stator, en het roterende deel wat de rotor wordt genoemd. In de stator zitten de spoelen die zorgen voor de opwekking van het draaiveld. Dit draaiveld speelt bij draaistroommotoren een zeer belangrijke rol. Een driefasenmotor, vaak draaistroommotor genoemd, is zeer eenvoudig van opbouw. Er zijn in tegenstelling tot de éénfase motor geen speciale voorzieningen nodig om de motor aan te laten lopen en het maximale vermogen is veel groter dan dat van de éénfase motor. Een draaiveld is een magnetisch veld (flux) wat met een constante snelheid roteert. Een dergelijk veld kan eenvoudig worden verkregen door de stator van een machine zodanig uit te voeren dat, bij aansluiting op een meerfasennet, binnen de stator het draaiveld wordt opgewekt. Draaistroommotoren hebben een rotor (anker) dat uit een kortgesloten kooi bestaat. Dit is de reden dat men dit type kooianker of kortsluitankermotor noemt. Kooiankermotoren hebben een gelamelleerde rotor van aluminium staven die aan beide einden zijn kortgesloten door twee aangegoten aluminium ringen. De belangrijkste eigenschappen van een asynchrone motor zijn: tussen nul- en vollast nagenoeg constant toerental; groot aanzetkoppel; grote aanzetstroom; overbelastbaar; bedrijfszeker;

Toerental en koppel
Zoals al eerder is verteld krijgen we een draaiveld wanneer we een driefasen wisselspanning aansluiten op een driefasig bewikkelde stator. Dit draaiend (magnetisch) veld heeft een constante snelheid. De snelheid is afhankelijk van: 1 de (net)frequentie* 2 het aantal polen. Bij een vaste frequentie van 50 Hz is de snelheid van het draaiveld dus alleen afhankelijk van het aantal poolparen. Het aantal poolparen is gelijk aan het aantal in serie geschakelde spoelen per fase. Elke spoel levert, in combinatie met de andere twee fasen, één noord- en zuidpool. Wanneer er dus meerdere spoelen in serie staan zal het aantal noord- en zuidpolen toenemen. * opmerking bij 1: als de motor via een frequentie regeling wordt gevoed, is de snelheid van het

Frequentie-regelaars blz. 2

3 . Frequentie-regelaars blz.draaiveld afhankelijk van de uitgestuurde frequentie en niet van de net frequentie.

Met andere woorden. Ten gevolge van de ventilatie. De slip blijft echter gering. moet hij een groter koppel gaan leveren. Bij het starten is de slip 100% en is de ankerspanning het hoogst. Deze spanning veroorzaakt een grote stroom die zijn ontstaan echter wil tegenwerken. waardoor de geïnduceerde spanning daalt. Wanneer we de motor zwaarder belasten. de slip zal dan overeenkomstig groter zijn. De weerstand is zeer laag waardoor de startstroom vele malen groter dan de vollaststroom is. ontstaat.en wrijvingsverliezen kan het rotortoerental nooit het draaiveldtoerental bereiken. Wanneer de rotor stilstaat zal het roterende draaiveld in de rotorwinding een spanning induceren via krachtlijn snijding. Het startkoppel is echter gering en bedraagt ongeveer 50% van het vollastkoppel. Het verschil tussen deze toerentallen noemen we de slip. Rotorspanning.s. de draaiveldsnelheid is recht evenredig met de frequentie en omgekeerd evenredig met het aantal poolparen. Bij de vierpolige wikkeling [rechts] zal na een halve periode de stroom ook omgekeerd zijn. Dit draaiveld zorgt ervoor dat er in de rotor stromen gaan lopen. wat gelijk is aan één omwenteling. Dit is alleen mogelijk wanneer de rotor in de richting van het draaiveld mee gaat draaien. Het draaiveld toerental van de tweepolige wikkeling is dus 50 toeren per seconde of (x 60) 3000 toeren per minuut. dan treedt er geen fluxverandering meer op.p. waardoor ook de Noord en Zuidpool van plaats verwisselen.) . bedraagt. Het draaiveld is dan precies 90° gedraaid.p.Wanneer in de tweepolige wikkeling [links] na een halve periode de stroom negatief wordt zijn de Noord en Zuidpool van plaats verwisseld (180° gedraaid) waardoor er per periode een rotatie van precies 360°. In onbelaste toestand is als gevolg van de bovengenoemde verliezen het rotortoerental iets kleiner dan het draaiveldtoerental.m. bij grote motoren ongeveer 3% en bij kleine motoren tot ongeveer 7%. Per periode wordt er dus een halve omwenteling afgelegd waardoor het draaiveld toerental van een tweepolige motor 25 t. Naarmate het toerental van de rotor hoger wordt is de relatieve snelheid van het draaiveld kleiner en daardoor daalt de opgewekte rotorspanning en rotorstroom. of 1500 t. stroom en koppel zouden dan nul zijn. Het starten is dus een zeer ongunstige situatie. Wanneer de slip nul zou zijn. (een hoge stroom en een laag koppel. Een onderbelaste motor heeft een slechte arbeidsfactor (cosφ) en natuurlijk een laag rendement. want dan neemt de relatieve snelheid tussen rotor en draaiveld af. Men kiest dan ook voor het aandrijven van een werktuig een motor waarvan het asvermorgen iets groter is dan het maximaal gevraagde vermogen.

De meest gebruikelijke aanzetinrichting is de ster/driehoekschakelaar. Een moderne kooi met kortsluitringen wordt in één keer onder hoge druk uit vloeibaar aluminium gespoten. Moderne kooiankers hebben een dunne buitenkooi en een dikke binnenkooi. afnemend tijdens het aanlopen en klein in de bedrijfstoestand. In deze voorschriften is onder andere vermeld tot welk vermogen nog direct kan worden ingeschakeld. De rotorstaven zijn nu niet meer rond. Wil men dat de motor zich gunstig gedraagt zowel bij het aanlopen als bij bedrijf dan moet hij een veranderlijke ankerweerstand hebben. Aanzetmethoden Wanneer we asynchrone draaistroommotoren direct op het net inschakelen dan is. De staven werden zo dicht mogelijk aan de rotoromtrek geplaatst.4 maal Inom.8 maal Inom) ontoelaatbaar hoog. de ronde staven waren van koper of messing en deze werden via hardsolderen met de kortsluitringen verbonden. Het blijkt dat door spanningsverlaging op de stator het aanzetkoppel kwadratisch kleiner wordt. Bij vrijwel alle aanzetinrichtingen wordt tijdens aanzetten spanningsverlaging op de stator toegepast. meestal mag dit tot 3 kW. Bij stilstand van de motor loopt de stroom in de rotorstaven hoofdzakelijk door het aan de omtrek van de rotor gelegen gedeelte.Rotorconstructie Om de aanloopstroom te beperken en het aanloopkoppel te vergroten moet de weerstand van de rotor bij aanloop zo hoog mogelijk zijn. Zodra de rotor op snelheid komt wordt de rotorstroom gelijkmatig over de gehele oppervlakte van de rotorstaven verdeeld. Bij het nominaal toerental is de weerstand van de rotorstaven zodoende veel geringer dan bij aanloop. Een andere methode van stroom beperken en koppel vergroten is met behulp van hoogkant staven. Het oorspronkelijke kooianker had alleen een buitenkooi. Bij vermogens groter dan 3 kW moet een aanzetinrichting worden toegepast die de aanzetstroom verlaagt tot 2 . Later wordt vooral de binnenkooi warm. de aanzetstroom (3 . Maken we bij motoren de aanzetstroom kleiner dan vermindert tevens het aanzetkoppel. Een nadeel van deze dubbele kooi is dat er ook aan elke kant twee kortsluitringen moeten worden toegepast. . groot bij het starten. Bij het starten vloeit door het binnendeel weinig stroom en zal de totaal weerstand relatief groot zijn. Omdat de spanning klein is. Het anker heeft een geringe ohmse weerstand en dus ongunstige start eigenschappen. zijn de overgangsweerstanden voldoende groot om de lekstroom binnen de perken te houden. Directe inschakeling kan gebeuren met behulp van een driepolige schakelaar. We dienen rekening te houden met de aansluitvoorwaarden van het energiebedrijf. Daarom is de oorspronkelijke kortsluitmotor verdrongen door verbeterde constructies. Deze weerstandsvergroting van de rotor heeft bij het nominale toerental echter een lager rendement tengevolge. De stroom warmt namelijk eerst de buiten kooi op waardoor deze uit gaat zetten. maar extreem eivormig van doorsnede. vooral voor grote motoren. De rotorgeleiders worden niet ten opzichte van het ijzerpakket geïsoleerd omdat dit problemen zou geven met de warmte die in de rotor geleiders ontstaat. In de bedrijfstoestand loopt de meeste stroom door de binnenkooi waardoor de resulterende weerstand klein is. Om nu de kooien onafhankelijk van elkaar uit te laten zetten is tenminste aan één kant een dubbele ring nodig.

De meest gebruikte manier van aanloopstroom beperking is statorspanningsverlaging. De draairichting van de motor kan eenvoudig worden gewijzigd door twee fasen om te wisselen. V1 en W1 de fasen in de volgorde L1. Deze stroom is ook op het motorplaatje vermeld. Wanneer op het motorplaatje een spanning van 380\660V. De komende jaren zal deze spanning echter worden verhoogd naar ongeveer 400 Volt. Wanneer op de klemmen U1. De lijnspanning van 380 Volt is de normale spanning die tussen de fasen staat in Nederland. Staat op het motorplaatje 220/380 V dan betekent dit dat de motorwikkelingen geschikt zijn voor 220 V en dat de motor in ster op een net met een lijnspanning van 380 Volt moet worden aangesloten. Dit type motor is eventueel geschikt om via een ster-driehoekschakelaar te worden ingeschakeld. vermeld of 380 V driehoek. het vereiste aanzetkoppel en de maximaal toelaatbare aanzetstroom. Is op de kenplaat een spanning van 380/660V. . Een dergelijke motor moet dus in driehoek worden aangesloten op een net met een lijnspanning van 380 V. Op het klemmenbordje zijn de verticale en horizontale afstanden tussen de aansluitpunten gelijk zodat met de drie bijgeleverde strippen de motor zowel in ster als in driehoek kan worden aangesloten.en stroomwaarden op het motorplaatje zijn altijd die waarden waarvoor de motorspoelen geschikt zijn. is vermeld moet de motor in driehoek worden aangesloten zoals te zien is in de figuur hieronder. dan zijn de motorwikkelingen geschikt voor een spanning van 380 V.De keuze van de aanzetinrichting wordt voornamelijk bepaald door het motortype. Hoe een motor in ster wordt aangesloten zien we in de figuur hierboven. Deze spanning kan worden verlaagd door gebruik te maken van een softstarter of door een ster/driehoek schakelaar toe te passen. Dit is de hoogste waarde van de stroom. De spoelen staan dan op de lijnspanning van 380V. De stroom in de lijnen is Ѵ3 maal de spoelstroom. Zoals al eerder is vermeld moeten bij motoren met een hoger vermogen dan 3 Kilowatt maatregelen worden genomen om de aanloopstroom te begrenzen. De laagste spanning. L2 en L3 worden aangesloten dan zal de motoras rechtsom draaien wanneer we aan de aszijde naar de motor kijken.

Een manier van aanzetten die vanaf circa 1985 in zwang is geraakt is het met behulp van een softstarter verlagen van de statorspanning. Bij een hoog lostrekkoppel zal een ster-driehoek schakeling het laten afweten omdat het aanzet koppel in ster maar 33% is van dat in driehoek. In de praktijk wordt het toerental echter niet gebruikt om als waarde voor het moment van overschakeling te dienen maar wordt er na een aantal seconden overgeschakeld van ster naar driehoek. . Hierdoor is het vaak noodzakelijk om twee kabels naar de motor te leggen wat een kostbare zaak kan zijn. Voor deze manier van schakelen moeten de zes spoeluiteinden van de stator met de schakelaar worden verbonden. De spanning wordt hier langs elektronische weg geregeld en is continu variabel. Het aanzetkoppel is bij gebruik van een ster/driehoekschakelaar 1/3 van het normale aanzetkoppel. Het overschakelen van de ster. zodat de nominale fasespanning van de motor gelijk moet zijn aan de lijnspanning van het voedende net.Ster/driehoekschakelaar Bij de ster/driehoek schakelaar wordt de motor het eerste gedeelte van de aanloopperiode in ster geschakeld en daarna naar driehoek doorgeschakeld. Omdat de aanlooptijd voor iedere belasting en motor anders is zal iedere keer opnieuw moeten worden bekeken of de ingestelde tijd aan de verwachtingen voldoet. Bij werktuigen met een hoog lostrekkoppel kan dit tot problemen leiden.naar de driehoekstand dient in het algemeen te geschieden bij een toerental van minimaal 80% van het nominale toerental. Een motor die via een ster/driehoekschakelaar moet worden aangezet zal dus voor een spanning van 380/660 volt geschikt moeten zijn. De aanzetstroom in de toevoerleidingen naar de motor is driemaal zo klein als bij directe inschakeling omdat de motor nog in ster staat waardoor de lijnstroom gelijk is aan de fasestroom. Softstarters De ster-driehoek aanzetter heeft maar twee verschillende spanningen tot gevolg zodat de stroom twee maal een piek zal vertonen en het koppelverloop ook met stoten gepaard zal gaan. Tijdens het eerste gedeelte van de aanzetprocedure is de motorfasespanning Ѵ3 maal zo klein als bij directe inschakeling op het net in driehoek. Het grote nadeel is echter dat deze aanzetmethode alleen kan worden toegepast wanneer er een gering aanzet koppel is. De driehoekstand is de bedrijfsstand. De fasestroom wordt ook Ѵ3 maal zo klein.

Op deze manier zal de motor langzaam lopen en zal hij bij een zeer geleidelijk toenemen van de spanning het toerental opvoeren.De softstarter is in principe een bescheiden toerenregelaar maar dan zonder instelbaar toerental. Het principe van het soepel aanlopen van een draaistroommotor met een elektronische motorstarter is te zien in de volgende afbeelding. Een lage waarde van de statorspanning heeft tot gevolg dat de kracht van het draaiveld gering is. De meeste werktuigen hebben een koppel wat min of meer evenredig met het toerental toeneemt. Het toerental dat de motor en belasting op elk moment zal hebben is het gevolg van de koppeltoerenkromme van de belasting en de koppeltoerenkromme van de motor. de slip is dan groot. hij zal het motortoerental langzaam opregelen naar de nominale waarde van de motor. Het door de belasting gevraagde koppel kan alleen worden geleverd als het toerental laag is. . net als de waarde van het toegevoerde vermogen. De statorspanning wordt via elektronica geregeld. De prijzen variëren tussen honderd en vijfhonderd gulden per KW al naar gelang het vermogen en de uitvoering. Er zijn momenteel veel verschillende uitvoeringen van softstarters op de markt. Het aldus door samenspel tussen aandrijfmotor en belasting verkregen toerental is veel lager dan het synchrone toerental met andere woorden. er zal echter geen direct verband tussen de spanning en het toerental zijn zoals dat bij de gelijkstroommotor wel het geval is. door middel van een anti-parallelschakeling van thyristoren of het gebruik van triacs. Ze variëren tussen rail montage waarbij de parameters via potmeters in te stellen zijn tot vrij programmeerbare uitvoeringen.

Het apparaat heeft verder geen onderhoud nodig. Wanneer we de softstarter met een frequentieregelaar vergelijken vallen er direct enkele zaken op: de softstarter is veel eenvoudiger van opbouw de softstarter is veel goedkoper Voor wat het laatste betreft de opmerking dat de softstarters van "A" merken als Siemens de prijs van een frequentie regelaar van hetzelfde vermogen van een "B" merk overtreffen wat de aanschaf van een dergelijk apparaat dubieus maakt. Hebben we echter te maken met een belasting met een gering lostrekkoppel die met een constant toerental moet draaien dan kan de softstarter een goedkope oplossing zijn. Deze startspanning zal indien hij hoger dan 40% is ingesteld echter binnen 1 seconde tot 40% van de nominale waarde dalen waarna de normale spanningsopbouw gaat beginnen. De stroom wordt in elke fase gecontroleerd via stroomtransformatoren. Bij toepassing in bestaande installaties behoeven alleen de veiligheden te worden uitgewisseld tegen supersnelle veiligheden. Wanneer de stroom het toelaat zal het inschakelmoment van de thyristoren steeds meer naar voren komen te liggen waardoor de motorwikkelingen op een steeds hogere spanning komen te staan. Wanneer er echter veel low-budget frequentie regelaars op de markt komen met een maximale frequentie van 50 Hz. Hierdoor neemt het koppel en dus het toerental toe. Ten opzichte van de ster/driehoek schakelaar heeft de softstarter duidelijke voordelen te weten: variabele startspanning (niet altijd mogelijk) stroom terugkoppeling en bewaking geen problemen bij het overschakelen van ster naar driehoek Het nadeel is een hogere aanschafprijs en een hogere temperatuur in de schakelkast in verband met de dissipatie van de halfgeleiders. Een besturing van het proces door externe. . potentiaalvrije bedieningselementen of een externe stuurspanning is eveneens mogelijk. dat deze bij spanning aan de ingangsklemmen zelfstandig functioneren. en een instelbare acceleratie. De elektromagnetische schakelaar en beveiligingsrelais respectievelijk vermogensschakelaar blijven gehandhaafd.en decelleratietijd dan zal de markt er voor de softstarter slecht uit gaan zien. hierdoor zal de snelheid van de spanningstoename eventueel worden begrensd. omdat het is opgebouwd uit elektronische componenten er moet alleen voor worden gezorgd dat het koellichaam vrij van stof blijft. Bij een te hoge temperatuur van dit lichaam zal de starter blokkeren. De softstarter zal bij een grote slip een gering koppel geven. Bij de starters die door Siemens worden geleverd is de “startspanning” instelbaar tussen 20 en 100% van de nominale waarde om belastingen met een hoog lostrekkoppel in beweging te zetten. Dit heeft te maken met zowel de verhoogde verwarming van de motor maar ook met de maximale temperatuur van het koellichaam.Bij het inschakelen van de softstarter wordt de stroom begrensd door het “late” inschakelmoment van de thyristoren. De meeste fabrikanten van softstarters stellen een limiet aan het aantal schakelingen per uur. Een frequentieregelaar kan met het maximale koppel van ongeveer 150% van de nominale waarde versnellen. De frequentie regelaar heeft namelijk veel betere eigenschappen dan de softstarter. De inschakelstroom is lager en het aanzetkoppel is zachter dan bij directe inschakeling waardoor de assen en andere aandrijfcomponenten lichter kunnen worden gedimensioneerd en de kans op storingen vermindert. De meeste softstarters zijn zo ontworpen.

Er is een onderscheid gemaakt tussen een warm en koud thermisch pakket omdat een voorverwarmd pakket een optredende overstroom sneller zal uitschakelen. Deze hoge stromen kunnen ontstaan door overbelasting of storingen. Het thermisch systeem werkt met twee (bi) metalen met een verschillende uitzettingscoëfficiënt. In een motorbeveiligingsschakelaar zitten twee beveiligingen.Beveiligen van motoren Motoren moet in het algemeen worden beveiligd tegen te hoge stromen. De beveiligingen die het meest worden toegepast zijn het thermischrelais. Op deze manier is aan alle voorwaarden voldaan. Dit systeem werkt bij stromen die groter zijn dan 10 maal de nominale waarde van de schakelaar. Hierdoor zal het bimetaal kromtrekken en de schakelaar uitschakelen. Dit is noodzakelijk omdat de . De motorbeveiligingsschakelaar De mogelijke oplossing van dit probleem is de motorbeveiligingsschakelaar. Omdat het thermisch systeem een zekere traagheid bezit zal een aanloopstroom normaliter niet tot uitschakeling leiden maar een langdurige overbelasting wel. Hoeveel ze moeten kromtrekken voor dat tot uitschakeling wordt overgegaan is instelbaar en afhankelijk van de motorstroom. Voor alle beveiligingen geldt dat ze overbelastingen zo snel mogelijk. wanneer de motor wordt gekoeld met onvoldoende of te warme lucht zal de temperatuur veel hoger zijn dan dat men uit de grootte van de stroom zou kunnen afleiden. Omdat deze stroom in het draadje een weerstand tegenkomt ontstaan er verliezen waardoor er warmte wordt ontwikkeld. kortsluitingen direct en aanloopstromen niet mogen uitschakelen. Kortsluitstromen halen deze waarde gemakkelijk zodat die direct worden afgeschakeld. Daarnaast probeert men met het meten van de stroom de temperatuur van de motor te voorspellen. de ene werkt magnetisch en de ander thermisch. De mate waarin de bimetalen kromtrekken is afhankelijk van de grootte van de stroom. De motorstroom loopt door een draad die rond deze metalen is gewikkeld. Het magnetisch systeem bestaat uit drie spoelen die een ankertje aantrekken. de motorbeveiligingsschakelaar en de motorstarter. Dit lukt niet altijd.

motorwindingen een hogere begintemperatuur hebben. Verder zien we dat bij een aanlooptijd van minder dan twee seconden het thermisch pakket niet aan zal spreken. We zien dat bij kortsluitstromen van meer dan tien maal de nominale waarde van de stroom de smeltveiligheid doorsmelt en het thermisch pakket ingeschakeld blijft. In figuur 15 wordt de karakteristiek van het thermisch pakket vergeleken met de karakteristieken van een startende motor en de uitschakelkarakteristiek van een smeltpatroon. Op deze manier wordt voldaan aan de eisen die hiervoor werden gesteld. . Kortsluitingen zullen door de smeltveiligheden of installatieautomaten moeten worden afgeschakeld. Thermisch pakket Een thermisch pakket is geheel anders uitgevoerd omdat er geen magnetisch uitschakel circuit is aangebracht.

Frequentieregelaar Om draaistroommotoren rustig aan te laten lopen en in toeren te kunnen regelen worden tegenwoordig frequentieregelaars toegepast. Een frequentieregelaar kan een motor op elk gewenst toerental laten draaien. Filter. die wordt kortstondig geladen wanneer de netspanning hoger wordt dan de tussenspanning. . De vorm van de stroom is afgebeeld in de figuur hieronder. Het filter is nodig omdat een frequentie regelaar geen sinusvormige stromen uit het net opneemt. De regelaar bestaat uit de volgende onderdelen: filter gelijkrichter (6 diodes) buffer (condensator) inverter (6 diodes +transistoren) besturingselectronica (microprocessor) Waarom er zoveel verschillende onderdelen inzitten en waar ze voor dienen zal gedurende dit hoofdstuk duidelijk worden. Deze netvervuiling ontstaat in dit geval door de condensator. Stromen die niet zuiver sinusvormig zijn veroorzaken netvervuiling.

Als antenne dient in dit geval de aansluitleiding die zich door de gehele installatie vertakt. Deze piekstroom kan hoogfrequente (EMC) storingen veroorzaken die. PLC’s en meet. Bij de condensator wordt de stroom gemeten om op die manier te bepalen of de motor wordt overbelast of niet. De motor moet in dit geval geschikt zijn voor een spanning van 220/380 volt en in driehoek worden aangesloten. De snelheid van het draaiveld is evenredig met de frequentie. In dit geval zal de gelijkrichter uit vier dioden bestaan. Op deze manier worden storingen die het gevolg zijn van het uitzetten en krimpen van de printplaat door de warmteontwikkeling voorkomen. Bij inductieve toestellen is de weerstand evenredig met de frequentie. Voor kleine vermogens zijn ook regelaars verkrijgbaar die uit een wisselstroomnet worden gevoed. Ook zullen kortsluitingen aan de motorzijde hier direct worden gesignaleerd waarna de inverter zal worden uitgeschakeld. tot aan de frequenties reiken waar normaal radiosignalen op worden uitgezonden. Inverter De gelijkspanning uit de condensator wordt daarna naar de inverter gevoerd die hem in blokken hakt en op deze manier een sinusvormige spanning op de motorklemmen simuleert. Bij deze manier van sturen is het ritme en de periode duur van de blokken die uit de inverter komen variabel waardoor de frequentie verandert. Hoewel tegenwoordig de meeste regelaars volgens het “vectormodulatie” principe werken bespreken we hier eerst uit didactisch oogpunt het “Puls Breedte Modulatie” principe Dit principe wordt vaak aangeduid met “PWM” of “PBM”. . Om nu de motorstroom. wanneer er geen goed functionerend filter is toegepast. Dit is niet altijd het geval. Hoe deze spanning varieert zien we in de volgende figuur. niet alle frequentieregelaars worden namelijk op een driefasen net aangesloten. die de kracht van de motor bepaalt.en regelapparatuur ondervinden hinder van deze signalen. De motor is opgebouwd uit spoelen waardoor hij sterk inductief is. Ook computer apparatuur. Buffer Na de gelijkrichter wordt de spanning gebufferd in de condensator. De gelijkrichter is vaak samen met inverter als één vermogensmodule samengebouwd en op een koelplaat gemonteerd. Alle onderdelen die warm kunnen worden bevinden zich dan buiten de printplaat met de overige elektronica.en ongeveer 560 volt bij de driefasenuitvoering. Maar omdat de frequentie verandert zal de impedantie van de motor mee veranderen. Afhankelijk van de uitvoering moet het filter apart worden besteld en gemonteerd of is er inwendig al één aangebracht. De oplossing is het al eerder genoemde filter wat voornamelijk uit één of meerdere spoelen bestaat die de HF storingen tegenhouden waardoor ze niet in het net kunnen doordringen. Gelijkrichter Na het filter komt de gelijkrichter die op de tekening uit zes dioden is opgebouwd. Deze condensator wordt opgeladen tot een spanning van ongeveer 320 volt bij de één.Op dat moment wordt er een piekstroom uit het net opgenomen. constant te houden moet de spanning met de frequentie mee variëren.

Bij lage frequenties moet de invloed van de ohmse statorweerstand worden gecompenseerd (niet frequentie afhankelijk). Hoe vaker er wordt geschakeld hoe groter de warmte ontwikkeling en hoe lager het rendement wordt.g. Naarmate de uitgangsfrequentie hoger wordt is het ook fysisch onmogelijk om de hoge schakelfrequentie van bijvoorbeeld veertig keer per periode vol te houden. Op deze manier is te zien dat door het. Door de inverter in een hoog tempo in en uit te schakelen kunnen we een sinus simuleren die in amplitude regelbaar is. Bij 50 Hz. Daarom daalt het aantal pulsen per periode. Door het vele schakelen ontstaat er echter wel veel warmte in de frequentieregelaar zelf.t’s ontwikkelt. want de topwaarde van de sinusvorm raakt de topwaarde van de puls.b. De schakelfrequentie zal dan wel aanmerkelijk hoger moeten liggen dan de gewenste uitgangsfrequentie. . aansturen van de transistoren de frequentie en de spanning kan worden geregeld op een manier dat de motor op zijn maximaal rendement draait.We kunnen in deze grafiek twee markante punten herkennen: I. Bij een frequentie van 25 Hertz zal er op de uitgang het signaal staan volgens de figuur hieronder. wordt de maximale spanning van het voedende net bereikt waardoor de tussenkring spanning niet verder kan stijgen waardoor de stroom en het koppel zullen dalen. De gemiddelde waarde van de uitgangsspanning is met een lijn aangegeven en nadert de gewenste sinusvorm. II. De pulsen zijn smaller geworden waardoor de gemiddelde spanning is gedaald. Deze spanning is op de motorklemmen te meten bij een frequentie van 50 Hz. op de juiste manier. Bij elke schakelactie wordt er een vaste hoeveelheid warmte in de i. Er ontstaat nu een blokvormige wisselspanning met variërende pulsbreedte zoals te zien is in de figuur hierboven.

Bij een lage uitgangsfrequentie kan dit tot problemen leiden. Alle spoelen zijn nu kortgesloten en de flux zal geen verandering ondergaan (in de praktijk zal hij langzaam afnemen tot nul) 2 Schakelaar 4 schakelt uit en schakelaar 1 in. (156 geeft aan welke schakelaars gesloten zijn) 3 Schakelaar 5 schakelt uit en schakelaar 2 in. .Op deze manier kan de inverter de steeds hoger wordende frequentie goed blijven uitsturen en blijven de verliezen binnen de perken. In de figuur hieronder zijn de i. Er zal nu een stroom gaan lopen door de linkerspoel die zich daarna in twee delen splits en via de overige spoelen naar de nul vloeit.7 msec om bij een frequentie van 2 Hz. Deze aandrijving is verder nagenoeg perfect. (4. Deze verschuiving is nodig om in de motor een magnetischveld (flux) van een constante grootte met een constante snelheid rond te draaien. Het terugschakelen naar een lager aantal pulsen laat zich bij de motor horen als het schakelen van een verbrandingsmotor met versnellingsbak.t. sterker bij continue verandering van frequenties zal op ieder moment de hoek tussen de “uitgangsspanningen” iets veranderen.g. uit te komen op 125 msec. Om nu de flux in de motor constant te houden zal het minimaal 125 msec moeten duren voordat er een andere frequentie kan worden uitgestuurd. de vectoren die rechts zijn afgebeeld zijn onderling 120 graden verschoven wat overeenkomt met hun ligging in de motor.67 msec. zal dit toenemen tot 66. De vector is nu weergegeven door 126. De vector wijst in dit geval naar rechts. alleen bij hoogdynamische aandrijvingen hebben we een probleem. Door de twee linker spoelen zal nu stroom gaan vloeien die via de rechter spoel naar de min wordt afgevoerd. 1 Alle schakelaars onder in de brugtak zijn in. Bij een frequentie van 5 Hz. Door de inverter te schakelen kunnen we de volgende situaties verkrijgen. Bij pulsbreedtemodulatie gaan we de driefasen spanning opwekken door de inverter in een hoog ritme in en uit te schakelen.’s vervangen door schakelaars. Dergelijke aandrijvingen zijn nagenoeg continu bezig het toerental in grote mate te variëren.b. Bij deze vorm van moduleren gaan we er niet van uit dat er zo mooi mogelijke sinussen op de motorwikkelingen komen te staan maar dat we door de juiste spoelen te bekrachtigen de fluxvector zo goed mogelijk laten roteren. Bij een frequentie van 50 Hz. De driefasen verkrijgen we door het ritme van de drie takken onderling 120 te verschuiven. 5. 6) boven geeft natuurlijk hetzelfde resultaat. zit er tussen de verschillende fasen een tijdsverschil van 6. (voor 99% van alle aandrijvingen zal dit niet tot problemen leiden) Vectormodulatie.

De kleine verschillen veroorzaken nagenoeg geen verliezen in de motor. In principe zal de flux langzaam afnemen maar de tijd van een stop is dermate kort dat dit niet meetbaar is. We zien dat de magnetische flux nu nagenoeg een cirkel doorloopt. . Er staat dan geen spanning over de motorklemmen waardoor de flux niet van grootte of richting zal veranderen. worden de schakelverliezen tot een minimum beperkt. Deze ontstaan wanneer alle schakelaars in het bovenste of onderste deel van de inverter gesloten zijn. Omdat er geen extra verliezen optreden hoeft een motor ook geen stap groter te worden gekozen. en een ander in. We zien dat door de opgedrukte spanningen een matige cirkel ontstaat dat is echter sterk te verbeteren door de inverter iets vaker te schakelen. De vector in de motor kan op de deze manier een cirkel benaderen en het versnellen kan direkt worden uitgevoerd door de volgende trap eerder om te schakelen. Hoe het flux-veld in de motor verandert zien we hieronder. De de-rating geeft aan hoeveel het nuttig vermogen afneemt bij toepassing ven een frequentieregelaar.Door steeds één component uit te schakelen. Er is dan ook geen sprake van DE-RATING. Hiervoor gebruiken we de zogenaamde “stops”. Het enige probleem wat nu nog moet worden overwonnen is de lagere spanning bij uitgangsfrequenties van minder dan 50 Hertz.

6 vereist een toegevoerd vermogen van : 1. In het gebied waar momenteel de grootste markt zit qua regelbare aandrijvingen is de frequentie regelaar met een enorme opmars bezig. De frequentie omvormer heeft een hoog rendement.vermogen) hangt af van de grootte van de motor. Er behalve het lastkoppel voldoende koppel overblijft om te versnellen. Rendement van de motorregeling (motor + frequentie-omvormer). Afstemming motor en frequentie omvormer.85 voor de grotere. De motor en de frequentie omvormer moeten zo worden gekozen dat het koppel van de motor bij elk toerental hoog genoeg is. Het rendement van de motor moet worden vermenigvuldigd met het rendement van de frequentie regelaar om het rendement van de totale aandrijving te kunnen bepalen.asvermogen) kan men onderverdelen in koper. Is het motorrendement lager dan in de catalogus is aangegeven dan moet als volgt worden gerekend: Bepaal het elektrisch vermogen door het asvermogen te delen door het rendement.6 Volgens de catalogus kan een 1. Het rendement zal dus altijd lager uitkomen dan dat van de motor alleen. Voorbeeld: Een 1.7 voor de kleinste motoren tot 0. ijzer. Het enige wat er nog op is aan te merken is de naamgeving. Omdat op deze manier geen tacho generator behoeft te worden toegepast en omdat we een goedkope robuuste motor hebben zal de draaistroom motor met frequentie regeling de gelijkstroom motor meer en meer verdringen. toegevoerd Het rendement ligt meestal tussen 0. In de meeste gevallen kan de grootte van de frequentie omvormer direct uit de motorgrootte worden bepaald of uit het benodigde asvermogen.5 kW kan leveren. De verliezen in de omzetter bestaan uit de ohmse en schakelverliezen in de halfgeleiders.7. het gaat eigenlijk om een sturing en niet om een regeling.= 2. die maximaal 2. Aangezien in dit geval 2. ventilatie en wrijvingsverliezen.5 kW. Het is verstandiger om in dit geval te onderzoeken of een motor met een hoger rendement kan worden gekozen in plaats van een grotere regelaar te kopen. Het koppel is groot genoeg wanneer : Een lostrekkoppel in bijvoorbeeld een transportsysteem kan worden geleverd.5 kW motor met een frequentieregelaar worden geregeld.7 en 0.Op deze manier hebben we een regelprincipe verkregen wat zeer nauwkeurig is te dimensioneren en te controleren. spoelen en de stroomverzorging van het stuur en regelcircuit. 0. De minimum waarden voor rendement gaan van 0. Het hoogstens 95% bedraagt van het nominale motorkoppel bij continubedrijf. Het vermogensverlies (toegevoerd elektrisch vermogen . . De meeste frequentie regelaars werken zonder toerental terugkoppeling omdat via het uitsturen van de frequentie en het meten van de stroom het toerental van de motor zeer goed door de frequentie regelaar berekend kan worden.1 kW kan afgeven. De meeste catalogi geven het via de frequentieomvormer afgeven asvermogen wanneer de motor een normale waarde heeft voor rendement en cos φ. De redenen volgen in de volgende paragrafen.5 kW motor met een rendement van 0. Voor alle motoren geldt dat de cos φ hoger moet zijn dan 0. hoger dan 95% bij maximaal uitgangsvermogen.5 ----. asvermogen Het rendement van een motor ( -----------------. De gelijkstroom aandrijving zal voorlopig niet geheel verdwijnen want qua regelbereik en dynamische eigenschappen is deze aandrijving nog onovertroffen.5 kW moet worden geleverd zal een regelaar moeten worden gekozen die 2. Zijn het noodzakelijke koppel en toerental bekend dan kan de motorgrootte in de catalogus worden gevonden. Een regeling moet een continue terugkoppeling van het proces naar de regelaar hebben en daarin is bij negen van de tien gevallen niet in voorzien.9 voor een motor die direct op het net is aangesloten.

Dit kan zowel met de hand als automatisch gebeuren. Valt de belasting bij afnemend toerental niet terug onder de 100%. Dit is echter alleen mogelijk wanneer de regelaar en motor in de periode direct voorafgaand aan de overbelasting onderbelast is geweest. het is echter eenvoudig om de versnelling te beperken: Door het maximaal koppel lager in te stellen waardoor het door de motor geleverde koppel wordt gereduceerd. afhankelijk van de frequentie. Het draaiveld van de motor zal daar door constant blijven. De motor zal op zijn oorspronkelijke snelheid terugkomen zodra het belastingskoppel weer onder het nominale (100%) koppel komt. Het volle koppel blijft echter gehandhaafd want de regelaar zal een frequentie van ongeveer 2 Hz. Door het stuursignaal slechts langzaam te laten stijgen. De frequentie omvormer varieert de spanning en de frequentie maar houdt de onderlinge verhouding constant. dit kan door een andere puls breedte verhouding. het materiaal van de band rolt. blijven uitsturen wat overeenkomt met de nominale slipfrequentie. Langzaam stijgen van het stuursignaal: Het stuursignaal kan met de hand langzaam omhoog worden geregeld.Motorkarakteristiek. behalve een horizontale verschuiving. Hierdoor wordt de spanning verlaagd. De op de nominale waarde begrensde motorstroom betekent dat de motor precies zijn nominale koppel kan leveren. dan zal de kromme zover naar links verschuiven tot de motor stil staat. maar de snelheid zal variëren met de frequentie. Instellen van de ramptijd op een kortere versnellingstijd dan de tijd waarin de motor zonder rampgenerator aanloopt heeft natuurlijk geen zin omdat de minimum aanlooptijd uiteindelijk door het motorkoppel wordt bepaald dat de frequentie omvormer aan de motor toestaat. Wanneer de motor zwaarder belast wordt zal de stroombegrenzing gaan werken. zodat de stroom op de maximale grenswaarde blijft. Een korte versnellingstijd betekent een grote versnelling met het risico dat bij bijvoorbeeld een lopende band. Behalve van het versnellingskoppel is de versnellingstijd ook afhankelijk van het massa traagheidsmoment. Er kan echter ook gebruik worden gemaakt van een rampgenerator waardoor het stuursignaal slechts volgens een vooraf ingestelde helling kan toenemen. Het traagheidsmoment hangt af van de massa (gewicht) van de bewegende delen. In de koppel-toerenkarakteristiek betekent dit dat de kromme naar links verschuift totdat de belasting gelijk wordt aan het nominale motor koppel. (ramp functie) Koppelbegrenzing Het begrenzen van het koppel waardoor de versnelling wordt beperkt lukt uitstekend en is eenvoudig te verwezenlijken maar er moet wel opgelet worden dat een eventueel lostrekkoppel nog steeds kan worden geleverd. . Om een belasting te versnellen moet het motorkoppel groter zijn dan het koppel bij een constante snelheid. Bij veel frequentie regelaars worden gedurende kortere tijd tot 200 % grotere stromen toegestaan. De motorkarakteristiek zal daarom ook onveranderd zijn. Het verschil noemen we versnellingskoppel. Afgezien van de snelheid van het draaiveld blijven alle overige eigenschappen van de motor onveranderd.

terwijl het gewenste toerental met een hogere frequentie kan worden bereikt. 12). die dan tot 3000 toeren wordt gebruikt (zie fig. Motoren aangesloten op een frequentie omvormer moeten indien nodig extra worden gekoeld. Van 50 tot 100% van het nominale toerental mag het koppel 90 tot 95% van het vollastkoppel bedragen. Het koppel is maximaal bij nominaal toerental. Oversynchroon bedrijf heeft ook nadelen. zodat de spanning bij een frequentie hoger dan de netfrequentie 100% van de netspanning bedraagt. Deze moet de voedingsspanning van de frequentie omvormer uitschakelen als er oververhitting optreedt of zal de inverter moeten uitschakelen wat een veel betere oplossing is. Toepassing oversynchroon toerental. De . Twee factoren spelen hierbij een rol: De eigen koeling neemt af bij een lagere toerental. Wanneer we nu bedenken dat het afgegeven mechanisch vermogen gelijk is aan de hoeksnelheid maal het koppel blijkt dat dit inderdaad constant is. In het gebied van 100 tot 200% van het nominale toerental wordt de motorkarakteristiek een hyperbool. wikkelmachines). Motorbelasting en koeling. bij 200% van het nominale toerental zal het koppel nog 50% zijn. Wanneer een motor permanent belast is met vooral lage toerentallen dan is een externe koelventilator noodzakelijk. Oversynchroon toerental wil zeggen dat de motor sneller draait dan met de netfrequentie en dit vereist dan ook een hogere frequentie dan de netfrequentie. Toepassing van het oversynchrone toerental biedt soms grote voordelen: De productie van een bestaande installatie kan worden opgevoerd zonder de installatie te wijzigen. De maximale stroom van de omvormer blijft natuurlijk die waarde behouden die is ingesteld. Een ventilatormotor zal bijvoorbeeld veel meer energie toegevoerd moeten krijgen bij oversynchroon bedrijf omdat de koppel toerenkromme van een ventilator een kwadratisch karakter heeft. De frequentie omvormer kan normaal geen hogere spanning afgeven dan de netspanning. Bij oversynchroon toerental kan dus het maximale vermogen worden geleverd. De motor moet altijd tegen uitvallen van de koeling beveiligd zijn door een ingebouwde thermische beveiliging. De motor zal iets meer warmte produceren omdat de spanning van de frequentie omvormer niet zuiver sinusvormig is. mits de motor daardoor niet boven de 100% wordt belast. Voor een via een frequentie regelaar aangedreven motor gelden dan ook de volgende beperkingen: Onder 50% van het nominale toerental mag het koppel 50 tot 90% van het vollastkoppel bedragen.Oversynchroon toerental. Zoals bekend betekent dit een afnemende motorstroom en daardoor een lager koppel. Het resultaat wordt bepaald door de keuze van de motor. Hierdoor kan de motor niet continu volbelast draaien. In installaties waarin een constant vermogen wordt gevraagd dus een laag koppel bij hoge toeren of een hoog koppel bij laag toerental (bijv. Op deze manier kan het toerentalbereik aanmerkelijk worden vergroot. Door een motor met een lager nominaal toerental te kiezen kan het aanloopkoppel worden vergroot. Dit betekent dat de verhouding spanning/frequentie afneemt bij stijgende frequentie. Er kan bijvoorbeeld een vierpolige motor worden gekozen in plaats van een tweepolige.

Dit is noodzakelijk wanneer het toerental van de motor of het aangedreven werktuig een bepaalde waarde nooit te boven mogen mag gaan. Minimum toerental: Op de regelaar kan de minimaal uitgestuurde frequentie en dus het minimaal toerental worden bepaald. Bij de veel grote regelaars zal de energie via een remchopper (vaak een optie) aan een externe weerstand worden toegevoerd om aldaar in warmte te worden omgezet. Maximaal toerental: Op de regelaar kan de maximaal uit te sturen frequentie begrenst worden. Bij koppelregeling bepaalt de instelling het koppel bij maximaal stuur-signaal.meeste frequentie regelaars zijn dan ook voorzien van een tweetal klemmen waartussen een PTC kan worden opgenomen die de motortemperatuur meet. Een andere toepassing van de minimale frequentie is wanneer de frequentie niet vanaf nul hoeft te worden opgeregeld maar tussen bijvoorbeeld 80 en 100 procent van het nominale toerental moet variëren. Gevaar voor oververhitting door inschakelen of omkeren bestaat niet omdat de stroom hierbij begrensd blijft tot de nominale waarde. die de motor afschakelt als de stroom gedurende langere tijd te hoog is. De stroom in de tussenkring is namelijk recht evenredig met het koppel. Beschikbaar wat een veel nauwkeuriger instelling mogelijk maakt. De remtijd kan meestal afzonderlijk van de versnellingstijd worden ingesteld. De koppel begrenzing kan bijvoorbeeld bij een transmissie worden gebruikt als beveiliging tegen overbelasting. We moeten er echter wel rekening mee houden dat belasting van de motor bij laag toerental gemakkelijk oververhitting kan veroorzaken door een gebrek aan koeling. werkt de motor als generator en wordt zodanig afgeremd. Bij een frequentie omvormer moet deze energie door het tussencircuit worden opgenomen en kan niet in het net worden teruggevoerd omdat de gelijkrichter dit blokkeert. Een ingebouwde thermische beveiliging is hiervoor de oplossing. Als het motortoerental omlaag wordt geregeld. Wanneer er wel krachtig geremd moet kunnen worden dan zal de energie die zich in de tussenkring ophoopt moeten worden afgevoerd. De spanning in het tussencircuit stijgt hierdoor. Wanneer de motor niet is voorzien van een dergelijke voorziening moeten deze twee klemmen worden doorverbonden. Bij motoren die direct op het net zijn aangesloten bedraagt de stroom bij omschakelen 8 tot 12 maal de nominale waarde. Motoren aangesloten op een frequentie omvormer kunnen veel vaker worden omgeschakeld dan motoren die direct zijn aangesloten op het net. Op deze manier hebben we het gehele regelbereik van de analoge ingang van 4 .000 toeren per minuut. Wanneer de motor direct op het net aangesloten zou zijn dan kan hij zijn energie terugvoeren in het net. is het maximum koppel dat de motor kan leveren bepaald. Het remvermogen hangt samen met de door de motor (generator) afgegeven energie.20 mA. De draairichting van de motor kan worden omgekeerd zonder twee fasen van de motor te verwisselen maar door de elektronische besturing van de omvormer. Het remvermogen dat de frequentie omvormer kan opnemen is daar door begrensd. Het is verstandig om bij je zelf na te gaan waarom het toepassen van een thermisch relais geen enkel nut heeft bij een frequentie regelaar. Remmen en omkeren draairichting. De noodzaak om een extra koelventilator aan te brengen kan worden vermeden door aanschaf van een grotere motor. Denk er aan dat moderne frequentie regelaars een maximale frequentie variërend tussen 90 en 500 hertz kunnen uitsturen wat bij een tweepolige motor neerkomt op een snelheid tot 30. . Instellingen op de regelaar. omdat tijdens het omkeren de stroom beperkt blijft tot de nominale waarde. Maximum koppel: Omdat de maximale stroom in het tussencircuit wordt begrensd. Deze minimale frequentie is belangrijk wanneer geen externe koeling is toegepast omdat dan de op de as gemonteerde ventilator moet zorgen voor de noodzakelijke koeling. omdat deze als hij goed is ingesteld de stroom begrenst op de nominale motorstroom. Maximum stroom: Een op het net aangesloten motor wordt normaal door een thermisch maximaal relais beveiligd. Bij erg lage toerentallen zal echter altijd een aparte koeling noodzakelijk zijn. Een thermisch relais is niet nodig indien de motor op een frequentie omvormer is aangesloten.

. Bij frequenties lager dan 20 Hertz wordt de spanning/frequentie verhouding verandert waardoor het spanningsverlies over het ohmse deel van de winding wordt gecompenseerd. te verwaarlozen ten opzichte van de spanning over de spoel. Hierdoor zal de motor een te zwak magnetisch veld krijgen waardoor er slechts een klein koppel over blijft. en dus de nominale spanning. Startcompenstatie en startspanning: Beide compensaties hebben hetzelfde doel namelijk een zo hoog mogelijk koppel bij lage frequenties. De motor heeft altijd een geringe ohmse weerstand in de windingen. In dat geval moet de slipcompensatie op een kleinere waarde worden ingesteld. (tijdens aanloop en bij laag toerental). Bij een tweepolige motor zal de slip maximaal 5% van 3000 toeren is 150 toeren bedragen. deze variatie is soms niet gewenst. Tussen nullast en vollast zal het toerental variëren tussen 2850 en 3000 toeren. Wanneer bij een lage frequentie een lage spanning wordt uitgestuurd zal bij gelijkblijvende stroom een in verhouding te kleine spanning over de spoel ontstaan. moeten we de spanning ook veranderen. Dit kan worden verduidelijkt door eerst voor te stellen dat de beide instellingen niet worden gebruikt. Dit spanningsverlies is bij de nominale frequentie van de motor. Met de instelling slipcompensatie wordt de frequentietoename op de motor afgestemd. Een volbelaste motor zal zelfs stoppen als de instelling 5% van het nominale toerental bedraagt. Wanneer een toerental van 300 toeren is ingesteld zal de slip ook 150 toeren bedragen dit betekent dan een afwijking van 50% van de ingestelde waarde. Deze spanning over de spoel zorgt voor de magnetisatie.Slipcompensatie: De slip bij een asynchrone motor bedraagt 1 tot 5 procent van het nominale toerental. De frequentie omvormer compenseert de slip door de frequentie iets te verhogen. <startspanning> of <boost> is een volledige magnetisatie bij lage frequenties mogelijk. Met de instellingen <startcompensatie>. in het bijzonder bij lage toerentallen. afhankelijk van de motorstroom (belasting). De frequentieverhoging is afhankelijk van de stroomtoename in de tussenkring omdat daar stroom en slip in dezelfde verhouding afhankelijk zijn van de belasting. De motor is namelijk ontworpen voor een bepaalde netspanning en frequentie. die een spanningsverlies veroorzaken. Deze verhouding moet constant zijn. Wanneer de slipcompensatie niet noodzakelijk is moet deze regelaar op nul worden ingesteld. Als we de frequentie veranderen. Bij een zeer grote massatraagheid (zoals bij een vliegwiel) kan de slipcompensatie een onstabiel toerental geven.

Schematische opbouw frequentie regelaar .

You're Reading a Free Preview

Download
scribd
/*********** DO NOT ALTER ANYTHING BELOW THIS LINE ! ************/ var s_code=s.t();if(s_code)document.write(s_code)//-->